Hogere politiekepuzzelkunde

Huib Pellikaan & Sebastiaan van der Lubben (red.)
Ruimte op rechts: Conservatieve onderstroom in de Lage Landen
Spectrum, 347 blz., € 19,95

‘Ik ben blij met dit boek’, zei Frits Bolkestein bij de presentatie van de bundel Ruimte op rechts: ‘Conservatisme is een volwaardige politieke ideologie die de aandacht verdient.’ Maar het conservatisme in Nederland komt in de bundel niet als volwaardige stroming uit de bus.

De aanleiding voor Ruimte op rechts vormde de ‘erfenis van Fortuyn’. De verkiezingen op 15 mei 2002 zetten de politieke verhoudingen op zijn kop. De lpf kreeg meer dan 1,6 miljoen stemmen. Een gangbare verklaring luidt dat de vvd onder Dijkstal naar links opschoof waardoor er ruimte kwam op rechts. Een legertje politicologen gelooft er niet in. Huib Pellikaan, docent politieke wetenschap te Leiden, hekelt al langer het traditionele links-rechts-denken, omdat er met die indeling geen correct beeld is te geven van de posities van de bestaande politieke partijen. In 2002 blijkt dat meer dan ooit. Er is een andere belangrijke tegenstelling, die tussen multicultureel en monocultureel, aldus Pellikaan.

Op die as zit de lpf aan de uiterst monoculturele kant. Maar dat betekent niet automatisch dat de partij rechts is, legt Pellikaan uit. Fortuyns stellingen over het gevaar van de multiculturele samenleving waren inderdaad rechts, maar zijn kritiek op de vriendjespolitiek onder gevestigde partijen en de negatieve gevolgen van privatisering waren dat niet. Als alle partijen worden geplaatst in een ‘tweedimensionaal model’ ziet het politieke spectrum er heel anders uit. De lpf ligt dan niet ter rechterzijde van de vvd, maar tussen het cda en de liberalen in. Pellikaan: ‘Wie de beleidsaanbeveling “opschuiven naar de lpf” doet, moet zich realiseren dat dit betekent dat de vvd op economisch terrein naar links gaat, terwijl ze ten aanzien van het migrantenvraagstuk een restrictiever beleid gaan voorstaan.’

Desalniettemin zit er ideologische ruimte ter rechterzijde van de vvd. Alleen, zo concludeert politicoloog Sebastiaan van der Lubben, zitten daar de stemmers niet. We hebben dus tot op heden een verkeerde veronderstelling van het begrip links-rechts gehanteerd. Het is verhelderend om te zien dat het juist de vvd en niet de lpf is die – als je met beide dimensies rekening houdt – op rechts zat. Maar de wijze waarop de twee auteurs dit in schema’s proberen te vatten vereist wel wat van de lezer. Tijdens de boekpresentatie kenschetste de voorzitter van de progressieve denktank Waterland Dick Pels dit terecht als ‘hogere politicologische puzzelkunde’.

Voor de rest van de bundel geldt dat de ondertitel, Conservatieve onderstroom in de Lage Landen, de inhoud beter dekt dan de hoofdtitel. Deze conservatieve onderstroom in Nederland wordt gepersonifieerd in Bart Jan Spruyt, medeoprichter van de Edmund Burke Stichting en een van de auteurs. Door Spruyt te identificeren met het conservatisme wordt zijn notie van de stroming belangrijk. Spruyt gaat ervan uit dat beloftes van de moderniteit (lees, linkse politiek) geleid hebben tot grote onvrede in de Nederlandse samenleving. Hij ziet daarin de mogelijkheid voor een succesvol conservatief antwoord. Een antwoord dat Fortuyn bezig was te ontwikkelen als hij daar de kans voor had gekregen, aldus Spruyt. Deze gedachte strookt niet met de grote lijn van het boek. Fortuyn was dan wel een neoconservatief op het punt van het multiculturele vraagstuk, de rest van zijn ‘programma’ week daar sterk van af. Sander Dekker en Luuk van Middelaar, uit vvd-hoek, noemen Fortuyn zelfs een ‘citoyen-liberaal’, die in tijden van crisis vrijheid, moderniteit en verlichting aanprees.

Maar wie, anders dan Fortuyn, is wel de conservatief in het bestel? In Nederland voelen conservatieven zich thuis in religieuze partijen, zo laat bijzonder hoogleraar kiezersonderzoek Joop van Holsteyn zien op basis van het Nationaal Kiezersonderzoek uit 2002/2003. Conservatieven stemden met name op het cda. In Amerika is het verband tussen conservatieven en een christelijke overtuiging nog veel sterker. Niet voor niets dus dat Spruyt in eerste instantie aanklopte bij de christelijke partijen, overigens zonder resultaat. Tot zijn ongenoegen ziet hij nu de ChristenUnie zelfs dicht tegen links aanschurken.

Bij Wilders kreeg Spruyt meer gehoor. Volgens hem is (was?) Wilders, als volgeling van Fortuyn, het neoconservatieve alternatief. Maar op Fortuyns plek zitten geen stemmers meer, omdat veel traditionele partijen na 2002 een meer monocultureel standpunt hebben ingenomen, en dus is het multiculturele vraagstuk anno 2006 niet meer zo’n belangrijk verkiezingsitem. Die conclusie heeft Spruyt wellicht ook getrokken, nu hij niet meer met Wilders verder wil.

Daarnaast heeft ook het cda een zekere conservatieve koers ingezet – denk aan het normen- en waardendebat – dat niet onsuccesvol blijkt. Het lijkt er dus op dat de kiezer geen behoefte heeft aan een (neo)conservatieve partij. Het electoraat had behoefte aan meer aandacht voor (neo)conservatieve thema’s die zij voor een groot deel bij de gevestigde partijen heeft gevonden.

De aanstichter van de roep om conservatisme, Bart Jan Spruyt, heeft tegen beter weten in ruimte op rechts gezien. In een interview in 2003 zei hij: ‘Misschien hebben wij conservatieven Fortuyn wel beter begrepen dan hij zichzelf begrepen heeft.’ De interessantste hoofdstukken uit deze bundel laten zien dat dit hoogst onwaarschijnlijk is.