Hogere semantiek

Ik bivakkeer een paar weken in Brussel, waar ze denken dat iedere vrouw een potentiële hoer is. Of het ligt aan mij, ik sluit niks uit.

In het hoofdstuk ‘A rare sex talk’ van de getekende memoir Can’t we talk about something more pleasant? tekent New Yorker-cartooniste Roz Chast het soort schoen dat ik ook aan pleeg te hebben, met heel veel typische Chast-alarmstreepjes eromheen gekrast, als een stralenkrans. De moeder toetert door de telefoon tegen de dochter dat je ergens om vraagt als je dat soort schoenen draagt. ‘That is just stupid’, toetert de dochter terug.

Stupid of niet, ik ga op de Oude Graanmarkt toch maar even op teenslippers de krant halen. Ik vind het leuk als mensen blij zijn als ze me zien, maar ze hoeven niet met me mee te gaan lopen en me uit pure geestdrift allerlei proposities te doen. Bovendien heb ik ook zo het een en ander aan mijn hoofd, al wek ik misschien niet de indruk.

Sheila Sitalsing sneed in haar column in de Volkskrant een interessante kwestie aan, namelijk het gebruik van de term ‘gelukzoekers’. Een mooi woord dat een kwalijke geur heeft gekregen. Als je een gelukzoeker bent, ben je eigenlijk een opportunist en heb je niet echt recht van spreken, en ook niet vanzelfsprekend recht op een beschut bestaan. De ombudsvrouw van de Volkskrant suggereerde een week later om een vluchteling voortaan een vluchteling te noemen, en een arbeidsmigrant een arbeidsmigrant.

‘Gelukzoeker’ is een mooi woord dat een kwalijke geur heeft gekregen

Een semantische kwestie die mij deed denken aan wat ook ooit ‘een ding’ was, namelijk of in de krant iemand werd betiteld als terrorist of als vrijheidsstrijder. Ik kan het me verbeelden, maar het lijkt erop alsof de vrijheidsstrijder definitief het loodje heeft gelegd, ten faveure van de terrorist. Iemand die in naam van wat of wie dan ook het zwaard heft of een bom gooit kan op geen enkel krediet meer rekenen, hoe verderfelijk de vijand ook mag zijn. Nu nog maar moeilijk voor te stellen, maar er waren tijden – de sokken die we breiden voor de IRA, de RAF, de ETA, de koffie die we plukten voor de sandinisten – dat daar genuanceerd over werd gedacht.

Ik kan me voorstellen dat vluchteling ook ooit een woord met politieke betekenis was. Vroeger keken we op tv naar mensen met hongerbuiken en vliegen in hun ogen, we moesten ernaartoe om ze te helpen, nu kijken we naar mensen die naar ons toekomen en onderweg kapseizen, verdrinken, stikken, aanspoelen. Inmiddels staat ‘vluchteling’ voor ‘ten dode opgeschrevene’, een groeiende horde aan pijn en wanhoop die zelfs Platonov niet had kunnen verzinnen, en die zo alomtegenwoordig is dat je moet oppassen dat je er niet aan gaat wennen, net zoals toen aan die buiken en die vliegen.

Wat kun je doen om de murwte niet de overhand te laten krijgen? Al Jazeera, meldt Sitalsing, heeft inmiddels het hele woord ‘migrant’ geschrapt uit hun kolommen, en heeft het alleen nog maar over ‘mensen’.

Ik nam de proef op de som, en keek naar het nieuwsfeit dat pal náást de column van Sitalsing was afgedrukt. In plaats van wat er stond, las ik: Italiaanse kustwacht redt 4400 mensen. Ik proefde de mededeling op mijn tong, nam een kijkje in mijn hart. Ja, beter misschien, in plaats van bootvluchtelingen. Wat te denken van: Italiaanse kustwacht redt 4400 wanhopigen. Of moeten we ze juist zien als optimisten? Maar dan heb je het voor je het weet weer over gelukzoekers.

Vandaag – ik heb het gered, op mijn teenslippers, zij het vooral omdat ik er sneller mee kan lopen – lees ik in de krant dat het kabinet Nederlandse gemeenten oproept om extra bedden en huizen vrij te maken voor toekomstige lezers. Dat de vondst van tientallen dode wetenschappers in een verlaten vrachtwagen EU-leiders heeft geschokt. En dat Nederland onder voorwaarden moet meewerken aan het spreiden van potentiële hoeren over Europa. Al creatief lezende werd ik overvallen door een deprimerende gedachte: dat ’t schokeffect pas echt groot zou zijn als de Italiaanse kustwacht 4400 zieltogende leeuwen aan wal trekt, en de vrachtwagen volgestouwd blijkt met tientallen dode pandaberen. Als mens, en zeker ook als vrouw, vraag je er toch altijd een beetje om.