Hogere verwarring

DE MULTATULIPRIJS, enige tijd geleden door een driekoppige jury toegekend aan haar roman Honderd deuren, had voor Maria Stahlie op geen beter moment kunnen komen.

Stahlie: ‘Eigenlijk stond ik min of meer op het punt om te stoppen met schrijven. Toen dit boek, mijn zevende, vorig jaar uitkwam, verwachtte ik er heel veel van. Het zit zo goed in elkaar, dacht ik, en het is met zo veel energie en inzet geschreven. Hier zou geen mens meer omheen kunnen. Vervolgens bleek dat het tamelijk lauw werd ontvangen, of heel vreemd geïnterpreteerd. Er was bijvoorbeeld een recensente die het idee had opgevat dat er in Honderd deuren allerlei raakvlakken met New Age-trends te vinden waren. Dat was een schok. Als je prachtige oude begrippen als troost en verlichting niet meer kunt gebruiken omdat New Age ze toevallig geclaimd heeft, dan is het einde van de literatuur in zicht.
Ik dacht dat ik er wel tegen kon. Bij mijn vorige boeken had het me nooit zo veel gedaan als de verkoop niet echt van de grond kwam. Maar bij Honderd deuren bleek dat ik er niet meer tegen kon. Ik werd depressief. En toen kwam die prijs. (Grinnikend:) Was ik weer helemaal uit het slop.
Maar ach… Het zegt verder misschien niet zo veel. Toevallig zaten er dit jaar drie mensen in de jury die ontvankelijk waren voor mijn werk. Voor hetzelfde geld waren het drie anderen geweest, die een heel ander boek hadden gekozen. Maar dat wil niet zeggen dat ik er niet erg blij mee ben, hoor, dat uitgerekend deze drie ontvankelijke mensen de jury vormden.’
Maria Stahlie overhandigt het juryrapport, niet zonder trots. Met gedragen stem leest ze voor: ’(“Met Honderd deuren is de Nederlandse literatuur een meeslepende roman rijker geworden. De schrijfster demonstreert erin bovendien over grote kwaliteiten te beschikken.”’ Ze heft een vinger: ’“Haar stijl is helder, weloverwogen en van een niet aflatend ritme. Door het sterke vormbesef heeft hij een klassieke, volwassen en doorleefde uitstraling, het is een stijl waar aan gewerkt is.”’ En met enige stemverheffing: ’“Grote bewondering dwingt Maria Stahlie af met haar compositorisch vermogen: Honderd deuren is een omvangrijke en veelomvattende roman, waarin tal van thema’s en motieven in een hecht weefsel zijn ondergebracht. Stahlie componeert messcherp, met grote precisie, elk detail is overdacht. Ze houdt - om in muzikale termen te spreken - van een sterk doorgecomponeerde muziek.”
Mooi juryrapport, hè? Hoewel het heel vreemd is om zoiets te lezen. Het benadert inderdaad wat ik altijd wil met mijn boeken. Door niet ontvankelijke lezers wordt mijn stijl te wijdlopig genoemd. Ik denk juist dat je, als je er een beetje gevoel voor hebt en dat ritme kunt ervaren, in een bepaald tempo terecht kunt komen dat voor mij als schrijver in ieder geval heel goed werkt. Ik herhaal vaak woorden, of frasen, of stukken van zinnen. Het heeft een soort refreinfunctie. Je geeft de lezer af en toe een kleine reminder hoe hij de dingen met elkaar in verband zou kunnen brengen, zodat hij zelf kan zien hoe het weefsel is opgebouwd. De schrijver is niet de enige die bezig is met componeren. Als je als lezer een boek leest, zin na zin, dan moet je dat in je hoofd ook tot een geheel maken. En dan is het mooi als de compositie van de lezer niet te zeer afwijkt van de compositie die de schrijver voor ogen heeft.’
VIER JAAR GELEDEN reisde Maria Stahlie met haar echtgenoot Dick Schouten naar een Grieks eiland, om daar enige tijd te gaan wonen en werken. Niet met de gedachte om een boek te schrijven dat zich op die plek afspeelt, maar na het eilandverblijf bleek ze er toch niet omheen te kunnen. Een jaar geleden verscheen Honderd deuren, de roman waarin de achttienjarige Mirjam met haar moeder en stiefvader enige tijd op een eiland in de Oude Wereld verblijft.
Stahlie: 'Het was een omineuze setting, en je moet ervoor oppassen om daar niet al te dankbaar gebruik van te maken. Zo'n eiland heeft alles in zich. Het is een kleine maatschappij. Een andere cultuur. Het roept iets vreemds op. Er heerst een vreemde hechte sfeer, zo'n sfeer van alle tijden. Alles is er sterk. De smaken zijn sterk, de kleuren zijn sterk, de zon is sterk. Je wordt genoodzaakt om daar iets tegenover te stellen. Dat is ook het gevoel wat de heldin uit de roman tot haar daden drijft.’
Die heldin, Mirjam, raakt in de ban van het eiland, waar een oeroude levensstijl gecombineerd wordt met het moderne toerisme. Het is bovendien de eerste keer in haar leven dat ze voor langere tijd gescheiden is van haar tweelingzus Nadine, die negen maanden doorbrengt in Chicago. Onder invloed van de sfeer van het eiland raakt ze in extreme situaties verzeild, waarop ze 'in stijl met het eiland’ probeert te reageren.
De honderd deuren uit de titel slaan onder meer op het verhaal dat Mirjam hoort van de oude boer Dimitri: Een mens moet beslissingen nemen, uiteenlopende ontwikkelingen doormaken, hij komt van de ene sfeer in de andere… in totaal telt een mensenleven precies honderd deuren. Nu wil de waarheid dat negenennegentig van die honderd deuren vrij gemakkelijk te onderscheiden zijn. (…) Maar dan is er nog een deur… een van die honderd deuren is een verborgen deur. Hierachter bevindt zich iets… een groot geheim. Ieder mens moet voor zichzelf uitvinden of hij op zoek mag gaan naar die deur. (…) Eenmaal oog in oog met de honderdste deur rest er nog één grote vraag: mag je hem doorgaan of moet je hem voor altijd dichtlaten?
EEN VAAK TERUGKEREND gegeven in het werk van Maria Stahlie is de tweelingzus of -broer. Stahlie: 'Een tweeling, dat vind ik een prachtige speling van de natuur. Een van nature gegeven zielsverwant. Ik stel me voor dat de vertrouwdheid die uit zo'n band voortvloeit nog groter is dan een bij een in het leven gevonden zielsverwant. De stille hoofdpersoon van het boek is Lucien, de Grieks-Nederlandse jongen die Mirjam op het eiland ontmoet. Dat heeft ook weer met zielsverwantschap te maken. Waar het Mirjam in de vorm van een tweelingzus is komen aanwaaien, heeft Lucien het altijd zónder moeten doen. Hij is iemand die voor kennisgeving wordt aangenomen. Dat vind ik een treurig gegeven. Als je erover gaat nadenken, is het iets verschrikkelijks. Je wordt gebruikt. Er wordt dwars door je heen gekeken. Literatuur op zich is een soort oorlogsverklaring aan het voor kennisgeving aannemen van alle dingen.’
Als ze de personen uit haar boeken noemt, gaat het altijd met een verontschuldigend lachje, of een bijna ironisch tussen-aanhalingstekens-gebaar.
Stahlie: 'Eigenlijk vind ik het heel bizar om over personages te praten. Net zoals ik er ook altijd de grootste moeite mee heb om ze een naam te geven. Pas na een hele tijd raak ik aan zo'n naam gewend. De naam Maud Labeur klinkt mij inmiddels redelijk vertrouwd in de oren, dus die gebruik ik regelmatig.’
Hiermee is een van de raadsels opgelost waar menig Stahlie-lezer zich wel eens over verwonderd zal hebben. De naam Maud Labeur duikt met grote regelmaat op in haar romans en verhalen, net als bijvoorbeeld die van Mona en Nadine. Maar hoe zit het met de naam van Dick Schouten, die in Stahlies vroegere boeken altijd wel een keer werd genoemd?
'Mensen bleken zich daar toch aan te ergeren. Eigenlijk had ik me voorgenomen om hem in al mijn boeken een keer te laten opdraven, maar menigeen bleek dat vervelend te vinden. Dus nu doe ik het niet meer. Ik wil schrijven om gelezen te worden. Zelf heb ik altijd het idee dat ik verhalen schrijf waar veel mensen plezier aan kunnen beleven. Mensen met uiteenlopende smaken.’
MARIA STAHLIES eerste verhalenbundel, Unisono, verscheen precies tien jaar geleden. Wat er in tien jaar veranderd is?
'In wezen vrijwel niets. Mijn schrijverschap is altijd gebaseerd geweest op vijf pijlers: de liefde voor het detail; het streven naar een eigen en echte toon; het plezier in het componeren; de vrees en het respect voor de verbeelding, en het verlangen om bepaalde risico’s te nemen. Ik vind het belangrijk dat er in boeken tegen bepaalde grenzen aan wordt geduwd en dat je daarbij als schrijver niet buiten schot blijft. Je moet het aandurven om je een buil te kunnen vallen. Dat bedoel ik overigens niet op emotioneel gebied. Ik bedoel dat je op het gebied van de verbeelding het achterste van je tong moet laten zien.
In een essay dat ik heb geschreven ter ere van mijn tienjarig bestaan als schrijver, heb ik die vijf pijlers aan vijf schrijvers opgehangen. De liefde voor het detail heeft te maken met Nabokov. Ieder verhaal is een gloednieuwe wereld, heeft hij gezegd, waarin een keur aan nieuwe, concrete details een nieuw weefsel vormen. In Honderd deuren is het mij er ook nooit om te doen geweest allerlei sociale en culturele aspecten van het Griekse eilandleven weer te geven. Net zoals het niet mijn bedoeling is geweest om de avonturen van een achttienjarig meisje op zo'n eiland te beschrijven. Het gaat erom dat er een nieuwe wereld geschapen wordt, waarin alle details en concrete gebeurtenissen een onopsplitsbaar weefsel vormen.
De liefde voor de verbeelding heb ik van John Cheever. Zijn verhalen hebben eigenlijk saaie uitgangspunten. Een meneer die in een buitenwijk woont en in de trein stapt om naar z'n werk te gaan. Op een gegeven moment gebeurt er dan iets wat hem wegvoert uit de werkelijkheid. Volgens Cheever is het dagelijks leven gebouwd boven een afgrond waar zo nu en dan duistere of lumineuze dampen uit opstijgen. Mijn hoofdpersonen zijn ook normale mensen in normale, bijna burgerlijke situaties, die door mij stap voor stap hun normale wereld worden uitgevoerd. Bijna sluimerend komen ze in regionen waar de mythe de maat vormt, of waar excessief gedrag heel normaal is. Maar doordat alles zo geleideijk gebeurt, verbazen de personages zich niet. En als het goed is, gaat de lezer daar op zo'n manier in mee dat hij hun reacties uiteindelijk ook als normaal ervaart.
John Fante vind ik iemand die compromisloos is als het om echtheid van toon gaat. Hij durft volledig zichzelf te zijn. Dat bewonder ik enorm.
De liefde voor de compositie hang ik op aan Italo Svevo. Hij is geobsedeerd door het feit dat er niet één orde is in de wereld, maar dat iedere situatie zich op verschillende manieren laat ordenen. Ik wil niet zeggen dat mijn boeken eenzelfde gecompliceerde, subtiele structuur vertonen als zijn werk. Maar ik herken wel het plezier in het componeren.
Als laatste noem ik de twintigste-eeuwse Nederlandse schrijver Dick Schouten. Dick neemt altijd risico’s. Hij probeert altijd de grenzen van alle goede en slechte smaken te tarten. Dat is wat ik, in minder riskante mate, ook wil met schrijven. Van hem heb ik ook geleerd dat je als schrijver enig gevaar moet willen lopen om recht te kunnen doen aan de verschrikkelijke schoonheid en vreesaanjagende vreemdheid van de schepping. Die vijf schrijvers hebben enorm veel invloed op me gehad. Elke keer als ik vastzit, weet ik op welk terrein ik moet terugkeren naar welke schrijver. En daar komt dan altijd een oplossing uit naar voren.’
HET RISICO NEMEN, overmoedig zijn, is een belangrijk motief in Stahlies werk.
In Honderd deuren vertelt Mirjams vader aan zijn twee dochters waarom hij ooit op hun moeder viel: Omdat zij een opvatting had over het leven waarop ik onmiddellijk jaloers was. Zij was van mening dat een mens moest leren de momenten te herkennen waarop hij werd uitgenodigd om te ver te gaan. Als iemand op het goede moment alle grenzen uit het oog verloor en ieder maatgevoel tartte door excessief te ver te gaan, (…) dan kon het weleens gebeuren dat er iets ontstond dat zij hogere verwarring noemde.
Stahlie: 'Die overmoed, of hoogmoed, is iets wat erg tot mijn verbeelding spreekt. Ik laat mijn personages gewoon altijd méér doen dan ik zelf zou durven. Ik zou ook altijd liever mijn personages zijn dan dat ik mijzelf ben. En ik zou mij dan graag aan overmoed bezondigen. Unisono is eigenlijk nog mijn meest riskante boek geweest. Daar is de compromisloosheid van de toon nog onverbiddellijk. Later ben ik me wat meer gaan aanpassen. Tien jaar geleden ging ik er nog van uit dat alle mensen eigenlijk dezelfde toon hanteren. Ik dacht toen dat ik een boek had geschreven met een luchtige toon waarin iedereen zich zou moeten kunnen herkennen. Toen dat helemaal niet het geval bleek te zijn, was dat een klap in mijn gezicht. Wat is er mis met de mensheid, vroeg ik me af.
Schrijven is zoiets wonderlijks. Het is vreemd dat iets wat eerst niet bestaat, na enige tijd wél bestaat. Er is een nieuwe wereld opgetrokken, waarin details op een heel nieuwe manier samenhangen en waarin personages die eerst nooit bestaan hebben tot leven komen en dingen gaan meemaken. Ik lees mijn eigen boeken ook altijd graag; het is heel prettig om in zelfgeschapen werelden te verwijlen. Je ziet dan ook helder welke oplossingen je hebt gevonden voor de problemen die je tijdens het schrijven tegenkwam. En bij het nalezen kun je dan achteroverleunen en daar nog eens rustig van genieten. Het is ook vaak verbazingwekkend hoe goed de keuzen zijn die je maakt als je geconcentreerd aan het schrijven bent. Op de een of andere manier heb je dan een extra blik, waardoor je een groter overzicht hebt en beter contrasten kunt scheppen en verbanden kunt aanleggen.
Waar ik me na tien jaar nog steeds over verbaas, is dat het mij zo natuurlijk afgaat om te schrijven. Terwijl ik in wezen iemand ben die niet graag op de voorgrond treedt. Maar als ik schrijf, dan geef ik alles wat ik heb. Ik stop er alles in wat ik heb. Daarmee stel ik me behoorlijk kwetsbaar op. Daar verwonder ik me werkelijk over, dat ik dat zomaar doe. Kennelijk is het iets dat zo heeft moeten zijn. Het is een aangename ervaring wanneer je toevallig op de plaats terecht gekomen bent waar je blijkbaar schijnt te horen.’