Theater: ‘Casino Nonstop’

Hogeschooltoneel

Een jonge Noor met dromen over een freakshow in Casino Nonstop. En drie juwelen op één avond, gemaakt door verse podiumkunstenaars. Verslag van een rijk theaterweekend.

Medium casino nonstop theater utrecht fotograaf roel van berckelaer
Sanne den Hartogh in Casino Nonstop; © Roel van Berckelaer

Hij kruipt bijna in de iets te benauwde lichtcirkel – het spotje houdt hem ook bewust weg uit het centrum van de ruwhouten podiumvloer. Hij heet Max in de vertelling. Hij is Sanne den Hartogh, de toneelspeler. Leep snorretje, streepjesvest, showy bretels, broek met streepjes, hoed, zo’n in de hoogte licht uitstulpend hoofddeksel van een spreekstalmeester in het circus. Bescheiden is hij ook. Fluisterend bijna. Hij is er eigenlijk vooral niet. Hij is hoogstens da gewesen. Licht accent, ja, dat ook. Een beetje dat zangerige Weense jiddelen van variété-artiesten en toneelspelers die na de gruweltijd van het zwartbruine tuig opeens weer opdoken – die Mimen der dreissiger Jahre wieder an die Theaterrampe. En hij heeft meteen een goed verhaal, een mooi verhaal ook, dat we hier niet verklappen, maar neem het van me aan: een simpele maar grandioze openingszet. Hij is er namelijk meteen: ‘Oom’ Max Lefko, joods muzikant en impresario. Van Wenen naar Oslo gevlucht. Waar hij, na die rotoorlog met die Noorse landverrader (hoe heette-ie, Quisling?), gedurende de jaren vijftig zijn ‘Casino Non Stop Show’ creëerde, een legendarische vorm van variété, met comedy, danseressen, acrobaten, wereldmuziek. Zijn jonge Noorse achter-achter-klein-neefje (of hoe noem je zo iemand?) heet Espen Hjort, en die bestaat ook echt, zij het in het heden. Espen leerde de afgelopen vier jaar in Nederland het vak van regisseren. Hij vertelt nu het verhaal van Max Lefko. Casino Nonstop is zijn professionele regiedebuut, bij Theater Utrecht van Thibaud Delpeut, bij wie hij een aantal keren stage liep.

Iets verderop doet Max een aankondiging die niet alleen zeer geestig is, maar die ook iets onthult over wat hij misschien in het variété, in de hele wereld van de show eigenlijk, boven alles zoekt: wonderen. Het fysiek onbestaanbare. ‘Stompjes en vogelbekken die de Marseillaise fluiten uit hun oren’, dat zegt hij er ergens over, en dat is maar één van de talloze korte samenvattingen die hij paraat heeft over zijn droom van show. Hij zoekt wat hij ooit heeft zien optreden, maar wat nu niet meer mag, of niet meer kan, wat ongewenst is geworden, of uit de tijd gevallen, of gewoonweg te beladen. Wat Max uiteindelijk vindt is vooral Ava, zijn showpartner forever. Nou ja, ‘forever’? Dat wil hij graag. Maar dan moet zij ook in zijn wonderen geloven. En dat doet ze niet meer zo. Zij is vooral de Zwoel Zwarte Weduwe van Wenen, en als zij eenmaal optreedt, dan geloof je je ogen niet. Die benen uit die zwarte mantelparasol! Hoe dan ook, als Ava danst, dan is Casino Nonstop pas echt begonnen.

Samuel Beckett is voortdurend in de buurt. Het lichaam kan niet liegen. Twee lichamen dus ook niet

Misschien vermoedt u nu iets met glittergordijnen, oplichtende treden van een showtrap, op afstand bediende spots en een ballet van vijftien cancanmeisjes. Dat is er allemaal niet. Er is dat ruwhouten plankier. En een roetsjrail met veel meer kostuums dan het optredend toneelpersoneel kan bemensen. Want die zijn met hun drieën. Max, dat is dus Sanne den Hartogh. Je ziet de jonge Chaplin en de oude Keaton die in één figuur een lange neus naar elkaar trekken. Hij is hier een soort éénpersoons hogeschool van het toneelspelen, een blij makend wonder om naar te kijken. Ava, dat is Mees Borgman, en zij is een rijk acteerfeest dat overal steeds weer opduikt en bij iedere opkomst nog meer onontkoombaar wordt. Alle andere figuren worden bij elkaar gejongejand door Bram van Kelen. Ik weet oprecht niet of ik hem al eens heb zien spelen, na deze avond vergeet ik hem niet meer. De schrijver Simon Weeda, die u overigens kunt kennen van onder meer Nobody Home en Code010, heeft heel goed naar de verhalen van Espen Hjort geluisterd en er een raadselachtig prachtige taal voor gevonden. Ruben Wijnstok (beeld), Esmée Thomassen en Elke Broeders (kostuums) en Nienke Algra (pruiken en grime) hebben voor Casino Nonstop een vorm bedacht die schittert door een verpletterende eenvoud. We zagen overigens een try-out die nog twee avonden verwijderd bleek van de première. Dat was vooral te merken door het sterke vermoeden dat de toneelspelers gretig graag onder de stolp van hun bedenker en regisseur uit wilden. En dat betekent meestal dat ze er wel zo ongeveer uit zijn. Wonderschone avond.

We zijn bij een andere debutantenparade, in de Haarlemse Toneelschuur. Waar beginnende performancekunstenaars, net afgestudeerd van de kunstvakopleidingen, laten zien met welk werk ze trots van school gingen. Ze nemen het werk, ieder een half uur, mee naar negentien zalen en podia, daartoe in staat gesteld door wat fondsen en ondersteuners, geproduceerd door Rudolphi Producties. Romano Haynes, zwart kind van twee culturen, Kaapverdisch en Surinaams, dichter, spoken word artist, toneelspeler, heeft ons uitgenodigd om met hem op het podium plaats te nemen. In een cirkel van voetlichten ligt hij op een eiland van tuinaarde. We horen eerst een bandopname van een vrouw (zijn moeder?) die gillend van de lach vertelt dat ze al zes maanden zwanger was en ze wist van niks en niemand kon het zien. Meteen als Romano begint te spreken bindt hij ons aan zijn aanwezigheid. Hij heeft een dwingende manier van vertellen. Over slordig rondgestrooid zaad van onverantwoord onverantwoordelijke mannen. Een wildebras (zijn vader?) zuipt en morst een halve liter jenever en hij morst ook een hoop woedende woorden. Bijna in trance brengt Haynes vervolgens een ode aan zijn moeder, die een hoop moest verduren, maar die tenminste de moed kan opbrengen om net zo trots op haar kind te zijn als hij is op haar. Yorlenie Delgado Faria ‘omsingelt’ ons en hem ondertussen met hallucinerende en indringende zang. Het is alles te mooi om waar te zijn. En waar is het. Want waarachtig. En mooi trouwens ook.

Medium het debuut 2017 rudolphi producties the place to be 0514 jochemjurgens
Hidde Aans-Verkade en Koen van der Heijden in The Place to Be, Het Debuut © Jochem Jurgens

In het middendeel van de avond wordt het podium letterlijk bezet gehouden door twee rappende performers die rondom een officiële katheder een verbale battle doen, slechts onderbroken door een moderne variant van wat in mijn kindertijd nog ‘klappertjespistool’ heette – ze schieten elkaar letterlijk af, waarna de ander de strijdbijl der welsprekendheid terug oppakt. Nick Livramento Silva en Joey Schrauwen doen dat behendig, met een hoop speelplezier en een forse dosis blufpoker. Ze nemen de situatie as it is, inclusief de eigenaardigheden van hun publiek, zowel uiterlijk als in de reacties, op basis van een kreupel raprijm, as they speak volledig op in hun performance. Het is allemaal enorm charmant maar ook een tikje much ado about little. Dat de act over verbale censuur respectievelijk zelfcensuur zou gaan, zoals de folder vertelt, is overdreven en eigenlijk kullekoek. Grappig is het vooral omdat Nick & Joey handige standwerkers willen zijn die op de markt van brood en spelen hun welbespraaktheid te koop aanbieden.

De openingsact van deze avond, die overigens alles tezamen Het Debuut heet, heb ik al een paar keer eerder gezien. En ik kan er geen genoeg van krijgen. Ze is tekstloos, ze heet The Place to Be en ze is van Koen van der Heijden & Hidde Aans-Verkade, twee afstudeerders van de mimeopleiding in Amsterdam. De artistiek leider van die school, Loes van der Pligt, heeft erbij gezeten en het beste uit de spelers gehaald. Er staat een trapachtige constructie van enkele platforms. Koen ligt bij aanvang in de houding van een opgekrulde embryo op de vloer, vlak voor de eerste rij publiek. Hidde sjouwt zijn bepaald niet meegevende lijf naar de bovenste verdieping. Koen spring er weer af, gaat liggen, en het sjouwen begint opnieuw. Sisyfus, de overmoedige koningszoon uit het klassieke Korinthe, had er nog een hele sjouw aan, maar die werd dan ook opgezadeld met een blok marmer. Zo zwaar is het tengere lijf van Koen voor Hidde zeker niet. Maar het blijft een hele klus. Geleidelijk gaat de beproeving van de een over in een sjouw voor de ander. Sjouwen wordt gooien. Naar beneden hobbelen wordt vallen. Ruw wordt teder. Haat wordt omarming. Er is een zwellend en afnemend geluid (soundscape: George Dhauw). Er wordt getoverd met licht (Paul Bruinsma). The Place to Be verveelt echt nooit. Die twee jongens creëren een kosmos van een eeuwigheid aan lichaamspoëzie, die in de werkelijkheid van een theateravond slechts een half uur gaans is. Samuel Beckett is voortdurend in de buurt. Het lichaam kan niet liegen. Twee lichamen dus ook niet. De werking van die ijzeren theaterwet is, zoals altijd, betoverend prachtig.


Casino Nonstop door Theater Utrecht, t/m 8 november in het hele land

Het Debuut door Rudolphi Producties, t/m 2 november in het hele land