Hol volume

Het wezen van Donald Judds werk is: bouwen met wat er is, en niets verzinnen.

STEEDS weer duikt Mondriaan in mijn gemijmer op. Daar is ook reden genoeg voor: in de kunst van de twintigste eeuw was zijn abstracte werk zowel helder als peilloos raadselachtig, de maat der dingen geworden. In de jaren twintig gingen de jeugdige Edgar Fernhout en zijn moeder Charley Toorop, in Parijs, altijd ook op bezoek bij haar goede vriend Mondriaan. Oom Piet noemde Fernhout hem. Als hij mij veel later over hun wandelingen vertelde, kwam er alsnog een weemoedige blik in zijn ogen. Fernhouts schilderijen waren eerst realistisch, dromerig van toon en licht van toets. Later waren zijn landschappen abstracter in vormgeving, waarbij die lichte kleurtoetsen nog vluchtiger werden. Dat kwam door de langzaam tastende trefzekerheid die hem in de schilderijen van Mondriaan steeds weer overdonderde. Diens voorbeeld, en misschien de onbereikbaarheid ervan, maakte dat Fernhout, die toch al veel aarzelde, in zijn eigen schilderijen behoedzaam werd. Want kijk naar een schilderij van Mondriaan. Eigenlijk zie je wat erin gebeurt, maar wat dan in je hoofd achterblijft is helemaal niet zo precies. Wat je hebt gezien is iets wonderbaarlijks. In 1974, bijvoorbeeld, had de schilder Arnulf Rainer in Zwitserland een tentoonstelling van Mondriaan gezien. Een vriend vroeghem: heb je het begrepen? Hoezo begrepen, zei Rainer, ik was gegrepen.
Maar hier wil ik het over een werk van Donald Judd hebben en over de visuele werking daarvan. Het is een rustig uitziende constructie van multiplex - egaal van oppervlakte en scherp gezaagd, gefabriceerd dus, zonder sporen van handschrift. Aan de basis meet de vorm 152,4 centimeter in het vierkant. Het is geen kubus want het ding is 91,4 cm hoog. In inches zien de maten er helderder uit: 60 x 60 x 36. Ik denk dat die hoogtemaat overeenkomt met de breedte van in de Amerikaanse houthandel leverbare platen multiplex. Veel zulke beslissingen in Judds oeuvre zijn meestal gewoon praktisch van aard. De bak is ook ongeveer 20 centimeter hoger dan een gemiddelde tafel. Dat maakt verschil uit in hoe wij het volume van de vorm optisch ervaren. Als je in een kamer van enige afstand naar een tafel kijkt, zie je die vooral als oppervlak. Mede door die hoogte werkt het werk van Judd (Untitled, uiteraard) eerst als volume waarvan je, door de manier waarop het met aparte platen multiplex geconstrueerd is, ook direct voelt dat het hol is. De bovenkant van het ding is open, maar als je dichterbij komt om erin te kijken zie je dat er halverwege de hoogte een (ogenschijnlijk valse) vloer in ligt. In de suggestieve ruimte van de bak, met die maten als genoemd, vormt zich zo dus nog een ander, negatief volume dat ondieper is maar ook iets nauwer omdat we van de buitenmaat van het object uiteraard rondom de dikte moeten aftrekken (2,5 cm) van het multiplex.
Judd maakte ook schitterende houtsneden, vaak in liggend rechthoekig formaat, 60 x 80 centimeter bijvoorbeeld en in een enkele kleur. Het motief is een kleinere maar gelijkvormige rechthoek met daar rondom een rand van 10 centimeter. De prent laat dus die rechthoek zien in helder rood, van 40 x 60 centimeter, met de rand blanco - ofwel, in een tweede versie, de rand van 10 centimeter in rood en de rechthoek daarbinnen blanco. Ik herinner aan de houtsneden (die Judd zelf als fundamenteel beschouwde) omdat ze perfect illustreren hoe in zijn werk de vormgeving eigenlijk steeds verloopt binnen wat, in beginsel, als materiaal, kleur en maatvoering is gekozen. De houten bak is er een uit een groep van vergelijkbare constructies in andere formuleringen uitgewerkt.
Op een morgen in zijn werkplaats in Marfa, Texas, werd Judd geïnterviewd door de Duitse tv. Ik zat in de hoek van de ruimte. Op een vraag over het wezen van zijn werk hoorde ik hem antwoorden: ‘Rudi there thinks it is all utopian but for me it is just real.’ Dat is het dus: gewoon werkelijk en concreet, bouwen met wat er is, en niets verzinnen - zoals in zijn optiek niets aan die houten bak verzonnen is. Er was een idee voor vorm natuurlijk, maar verder verliep de vormgeving van Untitled heel concreet, anders dan hoe bijvoorbeeld Compositie XXII door Theo van Doesburg in elkaar gezet was. Het is een statige compositie van rechthoeken, vol van kleur, een arrangement rond okergeel, rood en donkerblauw, door zwart, grijs en wit als het ware geschaduwd. Dit is het soort abstractie, zoals ook van Mondriaan en anderen, dat voor mij iets utopisch heeft - het waren immers verbeeldingen van de nieuwe, betere wereld.
Maar kijk nog eens, nadat we Judd hebben gezien. Het prachtige schilderij ontwijkt, anders dan Judd, elke finale definitie. Het is net niet vierkant maar lijkt het. Geen van de kleurvormen is vierkant, maar het neigt er wel toe. Het is in al zijn verfijningen en chromatische poëzie, mooi als die zijn, toch een artistiek schilderij. Het reikt naar het geheimzinnig onzichtbare - en ondanks de hechte rechthoekigheid zweeft het toch. Bij nader inzien is Mondriaan een ander verhaal: toch preciezer en hardnekkiger, meer dan Van Doesburg. Nooit is een Mondriaan een mooie inval.