Holland Festival: Schubert, Goerne, Kentridge

Fremd bin ich eingezogen,/ Fremd zieh’ich wieder aus. Afgelopen woensdag- en donderdagavond vertolkte Matthias Goerne in het Muziekgebouw aan ’t IJ Schuberts Winterreise. Het ging in deze uitvoering niet alleen om de indrukwekkende muziek maar ook om video’s van William Kentridge. De recensies hadden me extra nieuwsgierig gemaakt.

Een zinloze exercitie, zoals Erik Voermans in Het Parool schreef? Of een perfect geheel, zoals Mischa Spel schreef in de NRC?

We waren na afloop allemaal zwaar onder de indruk. De ongehoord melancholieke gedichten van Wilhelm Müller, eenvoudige, glasheldere, directe en toch raadselachtige teksten - ze zijn als ik het zo mag zeggen een beetje saai om te lezen. Maar zelf beschouwde hij ze als half-af. Ze bestonden naar zijn idee pas echt als de adem van de muziek er doorheen zou gaan. Schubert was tijdens het componeren somber en uitgeput. Hij verwachtte terecht dat het resultaat huiveringwekkend zou zijn. En het is niet overdreven als Erik Voermans Winterreise een tijdloos meesterwerk noemt.

En dan uitgevoerd door Goerne! De prachtige stem, die bijna zonder dat je het merkt van zacht naar luid schakelt, en weer terug. Mischa Spel spreekt van een extreem subtiele voordracht. Goerne gaat volledig op in het werk. Een hand aan de vleugel, het lichaam voorovergebogen boven de snaren alsof hij zelf uitgeput is, en dan voorzichtig een paar stappen van de vleugel weg, de blik gericht op een wegvliegende kraai uit de tekst. Daar blijft niemand ongevoelig voor. Het is bijna acteren wat hij doet, maar hij doet dat ingehouden, volmaakt niet-aanstellerig.

Toen het optreden donderdag mooi op gang was gekomen, onderbrak hij het midden in een van de liederen. De piano stopte, de film stopte, en de zanger wees naar een plaats op het eerste balkon. Hij zei dat daar iemand zat te fotograferen en dat dat hem stoorde in zijn concentratie. Met een meesterlijk en vanzelfsprekend gezag bleef Goerne wijzen. Hij riep een aantal keren: ‘Go!’ En toen de, hoe zal ik het noemen, amateurfotografe de zaal inderdaad had verlaten, begon de zanger opnieuw aan het lied dat hij had onderbroken. En goddank, binnen de kortste keren was hij weer geconcentreerd, en gaf hij zich weer volledig. Een schokkende gebeurtenis, meesterlijk opgelost.

Kentridge heeft de hele liederencyclus van bewegend beeld voorzien. Animatiefilms van houtskooltekeningen, gefilmde schaduwen van uitgeknipte figuren, historische films. De beelden worden geprojecteerd op een wand die volgeplakt is met kranten en stukken papier. Hier en daar verwijzen de beelden rechtstreeks naar de tekst, maar meestal niet. Dan zie je een boom, iemand die zich staat te scheren, beelden van Zuid-Afrika, zelfs van soldaten in de Eerste Wereldoorlog.

'Telkens was het gevonden beeld sterker dan het bedachte.’

Kentridge: ‘Vanaf de start van het Winterreise-project was het duidelijk dat het onmogelijk zou zijn om de liederen te benaderen alsof je ze voor de eerste keer hoorde. Je kunt dat willen, maar het is onmogelijk. Er zitten teksten, zinnen, beelden in ons die je niet kunt tegenhouden en die naar buiten rennen om de muziek te ontmoeten.’

Kentridge verwerkt in zijn films ook de herinnering aan zijn kennismaking met deze muziek: ‘Johannesburg, zondagmiddag na de lunch. Het krassen van de naald op de plaat. De ingehouden adem voor het begin van de muziek. Mijn vader, liggend op de sofa, de tekst van de hoes lezend, een te dik kussen onder zijn hoofd. Het geel-zwarte label van Deutsche Grammophon Gesellschaft.’

Je hebt zijn beelden niet nodig, en ik kan me wel voorstellen dat ze sommige mensen storen. Goerne zelf eist al zo’n aandacht en concentratie dat de filmbeelden overbodig lijken. Toch voegen ze naar mijn gevoel belangrijke dingen toe. Soms ben je geneigd je ogen even te sluiten om de muziek nog beter te horen, maar dat doe je niet omdat je dan de beelden mist. De beelden leveren geen illustratie van de teksten. Ze hebben de abstractie van schetsen. En doordat de films soms in hoog tempo van alles in beeld brengen, word je niet verleid ze te interpreteren. Ze werken net zo direct als de muziek.

Een groot deel van zijn materiaal heeft hij zelfs niet voor Winterreise gemaakt, maar voor andere muziek. Het ging, zoals hijzelf zegt, om ‘beelden die in dienst van een ander idee waren ontworpen, maar die toch een of andere verbinding met het lied suggereerden, of daarop uitkwamen. De instabiliteit van een omtrek die óf een telefoon, óf een vrouw voorstelde, naast de instabiliteit van de emotie in Die Wetterfahne.’

Toen Kentridge aan het werk begon, dacht hij dat hij een poort moest tekenen, en sneeuw, en een windwijzer. Maar omdat dat niet werkte, zocht hij naar beelden die hij had gemaakt zonder aan de Winterreise te denken. De ponsgaten van een pianolarol uit een andere film kon hij nu gebruiken om een zacht neerdalende sneeuw mee te projecteren. Snel omgeslagen bladzijden van een boek vielen nu samen met de snelheid van de vingers van de pianist. Hij zegt: ‘Telkens was het gevonden beeld sterker dan het bedachte.’ Dat is een conclusie om aan te denken als je aan het werk bent.