Hollandiaan

In zijn Kleine encyclopedie schetst Hermen Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week: Hollandiaan. ‘Immigrant’, ‘buitenlander’, ‘allochtoon’; we zoeken het aan de verkeerde kant.

In Amerika worden rechtszaken gevoerd over het gebruik van het N-word. Wie het woordje nigger in de mond neemt, kan een fikse douw verwachten. Nederland en België blijven niet achter: bij ons moet het A-woord op z’n tellen passen. In 2012 riep de Belgische minister van Gelijke Kansen de media op om het vermaledijde ‘allochtoon’ voortaan te mijden.

Is allochtoon dan even beledigend als nigger? Geenszins, het betekent simpelweg ‘afkomstig uit een ander land’. In 1971 werd het officieel ingevoerd op voorstel van de alom geachte sociologe Hilda Verwey-Jonker, ter vervanging van het tot dan toe gebruikelijke ‘immigrant’. Dat het nu is afgezakt tot het affreuze A-woord zal te maken hebben met de toegenomen gevoeligheid voor alles wat verwijst naar vreemd of anders zijn.

Het zal je maar gebeuren dat je als begrip wordt geronseld voor het aanduiden van de inwoners van Nederland met een niet-westerse achtergrond. Het afbreukrisico is enorm: na een paar jaar val je geheid in je eigen mes en word je als bij nader inzien stigmatiserend weggezuiverd. Ook pleonastische lijmpogingen als ‘van allochtone afkomst’ kunnen het begrip niet redden van de mestvaalt van de geschiedenis.

Een allochtoon is volgens de ambtelijke definitie iemand van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren. Voor de grotere groep van mensen met een niet-westerse achtergrond is het begrip dus evenmin bruikbaar als ‘gastarbeider’, ‘rijksgenoot’ of ‘immigrant’. ‘Buitenlander’ biedt al evenmin soelaas, want veel allochtonen hebben een Nederlands paspoort. ‘Minderheid’ heeft een beklagenswaardige klank, om maar te zwijgen van ‘medelander’, volgens de Duitse neerlandicus Bernd Müller een combinatie van ‘medelijden’ en ‘minderlander’. Een medelander is iemand voor wie je opstaat in de tram.

Dat we ons verloren hebben in deze vruchteloze speurtocht heeft een simpele oorzaak: we zoeken het aan de verkeerde kant. Toen de eerste niet-westerse immigranten binnendruppelden, lag het voor de hand hen aan te duiden aan de hand van de eigenschappen waarmee ze zich onderscheidden van de gevestigde Nederlanders. Maar een halve eeuw, een reeks zeer uiteenlopende immigratiegolven en een paar generaties later is de groepering waar we het over hebben veel te groot en te gevarieerd geworden om onder één noemer te brengen.

Willen we niet steeds opnieuw verzanden in politieke correctheid en taalgekissebis, dan zullen we het over de andere boeg moeten gooien: niet naar een woord zoeken voor de nieuwkomers, maar voor de gevestigden. Die zijn in hun botte blonde boereneenvoud gemakkelijker onder een verzamelbegrip te scharen dan die exotische mix van nieuwe landgenoten.

Aan het woord ‘Nederlander’ hebben we dan weinig, omdat veel nieuwkomers de Nederlandse nationaliteit hebben. Kan het begrip ‘Hollander’ ons dan uit de brand helpen? Dat houdt immers geen nationaliteit in, maar een bepaalde culturele achtergrond. De reeds aanwezige Nederlanders onderscheiden zich van de nieuwelingen door hun uit de klei getrokken ‘Hollandse’ manier van doen. Je zou dan Indische, Surinaamse, Marokkaanse en Hollandse Nederlanders krijgen.

Maar daarmee lossen we de zaak ook niet op, want niets belet nieuwkomers om die Hollandse cultuur over te nemen. Of zelfs te overtreffen. Indische Nederlanders, immigranten van gemengd Nederlands-Indonesische afkomst die in de jaren vijftig in ons land aankwamen, hadden in de kolonie al geleerd Hollandser dan Hollands te zijn. Ze spraken een mooi, zorgvuldig gearticuleerd Nederlands. De ‘Indische meneer’, die op kantoor uitblonk in Hollandse deugden als bescheidenheid, toewijding en loyaliteit, werd een begrip.

Binnen Indische families bleek een soort gezelligheid te bestaan waaraan men in het land van najaarsstorm en erwtensoep niet kon tippen. Trouwens, aan Indische erwtensoep kan menige Hollandse huismoeder nog een puntje zuigen.

Een recent voorbeeld van zulk ‘verworven’ Hollanderschap is schrijver Özcan Akyol, opgegroeid in een Turks gastarbeidersgezin, die geen gelegenheid voorbij laat gaan om zichzelf, sprekend met een Deventer tongval, te presenteren als een typisch boertje van buut’n. Willen we blijven zoeken naar een onderscheidend koepelbegrip voor de gevestigde bewoners van de Lage Landen, dan is behalve een Hollandse manier van doen dus nog iets anders nodig: een Hollandse afkomst.

Waar halen we een goede aanduiding voor deze groep vandaan? Uit Rotterdam. Daar heb je in het Oude Noorden een bruin café dat luistert naar de perfecte naam voor de Hollandse inboorling: ‘Hollandiaan’. Het café is genoemd naar de voetbalclub voor medewerkers van de Hollandsche Fabriek van Melkproducten Hollandia in Vlaardingen, sinds 1972 onderdeel van Nestlé. Een Hollandiaan is dus van oorsprong een Hollandia-supporter.

En klaar! Voortaan spreken we simpelweg van Hollandianen en niet-Hollandianen. Daarmee verlossen we meteen PVV-Kamerlid Martin Bosma van een knellend probleem. In zijn pas verschenen boek Minderheid in eigen land waarschuwt hij voor een toekomst waarin de islamieten de ‘oorspronkelijke Nederlanders’ getalsmatig overvleugelen. Maar hoe die oorspronkelijke Nederlanders aan te duiden? ‘We hebben daar helaas nog helemaal geen term voor’, aldus Bosma.

Nu dus wel, graag gedaan. De verhalen van de PVV zijn Hollandianen-verhalen.