Hollands onvermogen

WILLEM BILDERDIJK, JOHANNES KINKER EN PAULUS VAN HEMERT
ALS VAN HOOGER BESTEMMING EN AART
Samengesteld en ingeleid door Christophe Madelein en Jürgen Pieters, met een nawoord van Piet Gerbrandy
Historische Uitgeverij, 215 blz., € 24,95

Wie bij de namen van Willem Bilderdijk en Johannes Kinker vooral denkt aan twee uitermate prozaïsche straten in Amsterdam Oud-West zal misschien niet onmiddellijk associaties hebben met het ‘sublieme’ of het ‘verhevene’. Nu kan men daar, ‘verregend op een miezerige morgen’, net als in die beroemde straat in Oost, best ‘domweg gelukkig’ zijn. Maar de kans op een overweldigende natuurbeleving of, zoals Piet Gerbrandy het noemt, een ‘gemengde ervaring van ontzetting, schoonheid, opluchting en spirituele luciditeit’, is natuurlijk niet bijster groot.
Nu kan men zich sowieso afvragen of een begrip als het ‘sublieme’ wel bij Nederland past. Toen de Britse criticus en dichter Robert Southy het lange gedicht The Ancient Mariner van Coleridge typeerde als ‘a Dutch attempt at German sublimity’ was dat immers niet als compliment bedoeld. En ook een Duitse dichter als Schiller dacht, in zijn essay Über das Erhabene, bij een sublieme ervaring eerder aan de Etna of de wilde watervallen en mysterieus omnevelde bergen van Schotland dan aan het schnurgerechten Holland, waar men slechts de ‘zure overwinning van het geduld’ in de strijd tegen het water kan bewonderen.
Dit neemt niet weg dat in hun tijd beroemde Nederlandse literatoren als Bilderdijk (1756-1831) en Kinker (1764-1845), en hun iets minder vermaarde collega Paulus van Hemert (1756-1825) uitgebreide beschouwingen over het sublieme hebben geschreven. Vreemd is dat niet, aangezien dit begrip vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw een grote rol speelde in het internationale filosofische discours.
Nu was het begrip al oud en verwezen auteurs vaak naar het uit de eerste eeuw stammende Griekse traktaat Peri hupsous (‘Over de verhevenheid’), dat per abuis werd toegeschreven aan ene Cassius Longinus en dat in de zestiende eeuw voor het eerst werd uitgegeven. Populair werd het door toedoen van de Franse classicist Boileau, die het vooral zag als een retorisch effect waardoor de lezer even boven zijn alledaagse bevattingsvermogen werd uitgetild.
Vaak werd het sublieme gezien als de overtreffende trap van het schone, terwijl men aannam dat er een rechtstreeks verband bestond tussen het schone en het goede. Harmonie, symmetrie, orde, regelmaat – dat waren kenmerken van het schone, het goede en het ware. In de loop van de achttiende eeuw werd er echter een onderscheid gemaakt tussen het schone en het sublieme. Het was Edmund Burke, in zijn A Philosophical Enquiry into the Origin of our Ideas of the Sublime and Beautiful (1757), die dit het meest rigoureus deed. Het sublieme was iets fundamenteel anders dan het schone. Het was iets dat ons intimideert, bedreigt, ontzag inboezemt én verrukt. Het was een ‘delightful horror’, een prettige huiver zoals men die ervaart wanneer men vanaf een veilige duintop een ziedende storm op zee gadeslaat. Het was het besef van direct gevaar en sterfelijkheid, plus de opluchting dat men ongedeerd blijft.
Via Moses Mendelssohn had Burke’s visie invloed op Kant, die in zijn Kritik der Urteilskraft een absoluut onderscheid maakt tussen das Schöne en das Erhabene. Het laatste komt volgens hem voort uit het besef dat een bepaald verschijnsel zo groot is dat onze verbeelding zich er geen beeld van kan vormen, of uit een confrontatie met een kracht die overweldigend en angstaanjagend is. In beide gevallen gaat het om de ultieme grenservaring.
Hoewel zowel Van Hemert als Kinker aanhanger van Kant was, hadden zij juist waar het ging om het sublieme kritiek op de grote meester. Net als iemand als Schiller grepen zij weer terug op de notie van het sublieme als overtreffende trap van het schone, en benadrukten zij de ethische dimensie ervan. Het is in de confrontatie met het sublieme, met het overweldigende en bedreigende, dat de mens zijn hogere bestemming leert kennen. Voor een diep christelijk denker en een anti-Verlichter als Willem Bilderdijk was Kant het vleesgeworden Kwaad. Niet het verstand leidde tot de waarheid, enkel het gevoel. En het gevoel is bij niemand zo goed ontwikkeld als bij de dichter. Vandaar dat zijn tekst over het sublieme geen theoretisch vertoog is, maar evenals zijn poëzie ‘eene bloote uitstorting van het getroffen gevoel’.
Kenmerkend voor deze drie Nederlandse teksten is dat ze het sublieme moraliseren, en dat ze niet in staat zijn het sublieme en het schone los van elkaar te denken. Het lijkt wel of het Nederlandse landschap en de mede hierdoor gevormde ‘volksaard’ toch niet gebouwd zijn op sublieme ervaringen in de burkeaanse of kantiaanse zin van het woord. Als het sublieme ‘de sensatie [is] van onmacht het onrepresenteerbare te representeren’, zoals Piet Gerbrandy in zijn nawoord schrijft, dan is het inderdaad iets waar veel Nederlanders niet mee uit de voeten kunnen. Alles moet toch uitgetekend, benoemd, geëtiketteerd, gearchiveerd en beheerst kunnen worden?