Bennie Roeters, De verstopte stad

Hollandse helderheid

Bennie Roeters

De verstopte stad

Querido, 230 blz., € 14,95

Verhalen en romans over nadrukkelijk «gewone» mensen neigen nogal eens te verzanden in ofwel naturalistische zwaarmoedigheid of opzichtige satire. Slechts weinigen lukt het over het gesukkel van alledag te schrijven zonder te vervallen in deprimerend realisme of lege ironie. Enkele van de mooiste verhalen van Vonne van der Meer spelen zich af in nieuwbouwwijken waar de muren dun zijn en de fantasieën van de buurtbewoners groot. Het geestige, compacte proza waarin Marijke Höweler in Van geluk gesproken het menselijk verkeer op een Amsterdamse trapwoning vangt, is onovertroffen. Mensje van Keulen werkt zowel in haar romans als in haar verhalen Hollandse huiskamertreurigheid op tot surrealistisch drama. Deze schrijvers slagen er ieder op hun eigen manier in kleine lieden en dagelijkse tobberijen te laten klinken zonder dat het meteen naar bloemkool begint te ruiken of naar natte jassen.

Met het eerste hoofdstuk van De verstopte stad zet Bennie Roeters wat dat betreft de lezer meteen op scherp. Wat is dit? Een pastiche op het type treurige-vrouwenroman dat in de jaren zeventig van de vorige eeuw zo in zwang raakte? Alle ingrediënten zijn aan wezig: een vrouw alleen, in kamerjas, twijfelend over zichzelf, en over de overspelige buurman, glas witte wijn in de hand. Alleen de computer is nieuwerwets. Dat de delete-toets «vuil en vet» is, doet echter meteen wel weer Hannes Meinkema-vertrouwd aan.

Vanaf het tweede hoofdstuk gaan echter de sluizen open. Of preciezer gezegd: het blikveld verbreedt zich, in scherp gesneden scènes zwenkt een denkbeeldige camera van hier naar daar, van hemelse luchten naar ondergrondse buizen, van keuken naar slaapkamer, en van de vrouw in de kamerjas naar haar buren. Al zwenkend maken we kennis met een aantal inwoners van Lelystad, ingeklemd tussen woonerf, stadhuis, postkantoor en Blokker. Die natuurlijk niet gelukkig zijn.

«Twin Peaks in de polder» noemt de uitgever deze «eerste Nederlandse roman over Lelystad» in het begeleidende persbericht, en dat is het ook wel een beetje. Het pleit voor Roeters’ heldere stijl en aanpak dat ik zonder veel moeite zijn personages kan recapituleren, zonder dat ik het idee heb een rariteiten kabinet voorgeschoteld te hebben gekregen. Zo is daar allereerst Hera, mollige veertigster met «dorre» schoot, vervuld van vage verlangens, viltkunstenares bovendien. En Nikki, haar anorectische buurvrouw met hysterische aanleg, die haar man ervan verdenkt iets voor haar geheim te houden. Pokdalige puber Walter met kippenborst, die in de rondborstige en uitgekotste Tuula een zielsverwant denkt te hebben gevonden. Walters moeder Carla, doorgedraaid en eenzaam, en zich prostituerend voor de eerste de beste gemeenteambtenaar in de hoop op een andere woning. De gemeenteambtenaar die Flip, de man van Nikki, zwijggeld betaalt voor een falende riolering. Dezelfde gemeente ambtenaar die voortijdig klaarkomt als hij een jongen oppikt van straat. Of was dat de postbode? Veel maakt dat niet uit. Het idee is: kleine lieden in een kleine stad, vol van groot leed, gekonkel en gemier.

In de soepele schrijfstijl, de vloeiende perspectiefwisseling en de adequate dialogen verraadt zich de ervaren scenario- en toneelschrijver die Roeters blijkens de achterflap is. Ook bevat het boek net een paar eigenaardigheden die het doen uitstijgen boven Hollandse doorzontreurigheid. De wolken pakken zich samen, onder de grond raakt de boel akelig verstopt en er draaft een killerdog rond, opgefokt en uiterst bloeddorstig. In het inzoomen op onderaards gekrioel en geborrel lijkt Roeters inderdaad tamelijk letterlijk geïnspireerd door de films van David Lynch. Zoals misschien ook Tuula’s naam een tribute is aan het personage dat zo weergaloos door Laura Dern wordt vertolkt in Wild at Heart, Lula.

Is eenmaal de associatie gelegd, dan is echter ook — net zoals dat het geval was met Herman Koch, die in zijn laatste roman Odessa Star nadrukkelijk verwijst naar de film Reservoir Dogs van Quentin Tarantino — sneller onder woorden te brengen wat je mist: humor, verrassing en ranzigheid. Roeters’ stedelingen zijn ongelukkig volgens de lijnen der voorspelbaarheid. Ze hebben puistjes, sproeten, vetrollen en een blindengeleidehond. Natuurlijk is het werk van de viltkunstenares belachelijk en lelijk, en even natuurlijk gaat ze in gekleurde lappen gekleed. De killerdog verdwijnt niet ergens in het duister, maar komt steeds keurig dreigend weer ergens om de hoek verschijnen. Alle verhaallijntjes worden telkens netjes overgenomen in de volgende scènes. En dan miezert het ook nog eens, daar op het woonerf.

«This whole world’s wild at heart and weird on top», schreit Lula op het hoogtepunt van Wild at Heart ten hemel, die bloedrood gekleurd is. Roeters trapte niet in de val van het naturalisme en ook niet in die van de ironie, maar wel in die van de braafheid. Verontrustend wild at heart en weird on top is zijn Lelystad dan ook niet geworden.