Hoofdcommentaar

Hollandse mist

Of je nu minister, wetenschappelijk medewerker of raadslid bent, binnen de PvdA ligt het innemen van een eigen standpunt over integratie moeizaam. Wie een afwijkende boodschap brengt, wordt intern de mond gesnoerd of afgeserveerd. Hier schuilt een structureel ideologisch gezwalk over ‘de partijlijn’ achter. Dat is niet exclusief voor de sociaal-democraten. Héél politiek Den Haag zoekt struikelend en stotterend naar een rechtvaardig en werkbaar integratiebeleid.Waarom lukt dat niet? Omdat de toon de inhoud domineert. Zelfs over wat ‘succesvolle integratie’ is – het doel van beleid – wordt nog geruzied. Het debat over de multiculturele samenleving is een schijnheilige discussie over een rechtse of linkse aanpak waardoor over de werkelijkheid een dikke mist blijft hangen.
Dat er een discrepantie is tussen de toon en het beleid wordt bevestigd door de uitkomst van een internationaal vergelijkend onderzoek. Vorig jaar onderzocht de Migration Policy Group in Brussel samen met de British Council (een organisatie die zich inzet voor interculturele dialoog) het integratiebeleid in 27 Europese landen en Canada. Op de Migrant Integration on Policy Index, die de rechtspositie meet van migranten, staat Nederland na Zweden en België op de derde plaats.
Nederland is in de afgelopen jaren niet gezakt naar een plaats tussen landen met een onverschillige houding of een schimmig beleid jegens buitenlanders. Dat strookt niet met het veelgehoorde geluid dat Nederland van een tolerant gidsland is veranderd in een xenofoob, naar binnen gekeerd landje dat migranten tot tweederangs burgers reduceert. Mensen die dat beweren, zoals de auteurs van het boek Het bange Nederland: Pleidooi voor een open samenleving, gaan voorbij aan de feiten. Het getuigt van morele superioriteit om te roepen dat ‘Nederland hardhandig de luiken heeft dichtgegooid’. Nee, zij zijn natuurlijk niet bang, maar altijd ‘die anderen’. Of ze bedoelen Wilders, maar dat geeft hem te veel eer.
Socioloog Ruud Koopmans constateerde in NRC Handelsblad dat de verharde toon in het debat nauwelijks invloed heeft gehad op het lopende migrantenbeleid. Ondanks vijf jaar rechtse ministers en een linkse bewindsvrouw op Integratie is de multiculturele aanpak nog steeds toonaangevend. Koopmans noemt dat ‘padafhankelijkheid’: een eenmaal in gang gezette beleidstrein is moeilijk op een ander spoor te brengen: ‘De Nederlandse integratiesector omvat een breed veld van allochtone zelforganisaties, integratiespecialisten, multiculturele advies- en onderzoeksbureaus, diversiteitdeskundigen en migratie- en integratieonderzoeksinstituten die uit een moeilijk ontwarbare combinatie van gewoonte, overtuiging en eigenbelang ertoe bijdragen dat het beleid en de bijbehorende geldstromen in stand blijven.’
Deze ‘bedrijfstak’, geworteld in de zuilentraditie, is nauwelijks te veranderen. Ook als aantoonbaar blijkt dat dit sjabloon niet altijd goed uitpakt voor migranten, die immers etnisch en religieus net zo van elkaar verschillen als katholieken, protestanten, socialisten en liberalen dat deden.
Tegelijk is juist die scherpere toon in het openbare debat een reactie op verregaande tolerantie ten aanzien van minderheden. Nederland komt binnen Europa formeel, wettelijk het meest tegemoet aan de culturele, religieuze etnische eigenheid van minderheden. Dat is bij moslims het meest concreet, bijvoorbeeld met betrekking tot ‘halal’ slachten, aparte zwemlessen voor meisjes, maagdenvlieshersteloperaties en het dragen van hoofddoeken in openbare functies.
Deze multiculturele houding van officiële zijde voedt het gevoel dat er sprake is van doorgeschoten tolerantie. En dat zet de verkeerde toon. Het gevolg daarvan is dat positieve ontwikkelingen onderbelicht blijven en de negatieve kanten van de multiculturele samenleving morsig worden aangepakt.
Als bijvoorbeeld de onderwijsinspectie concludeert dat de kwaliteit van het onderwijs op de helft van de 43 islamitische scholen zwak tot zeer zwak is en bovendien 86 procent van de scholen fraudeert met overheidsgeld – reisjes naar Mekka in plaats van leermiddelen inkopen – dan is maar één reactie mogelijk: aanpakken. Met meegaand wegpraten – zoals: het is naïviteit van de schoolbesturen – neem je moslims niet serieus. En erger: je laat hun kinderen stikken.
Dat ondermijnt bovendien gunstige trends. De overheid moet liberale geluiden binnen de islam faciliteren en niet meedeinen met dwingende eisen, veelal intolerant en discriminerend van aard, van orthodoxe moslims. Of steun geven aan de eerste generatie afgestudeerde allochtonen met bijvoorbeeld een promotieplek, of aan een automonteur door het bieden van een goede stage. Dat werkt alleen als prestaties ook voortkomen uit motivatie. Zelfrespect is iets anders dan extern opgelegd respect.
Waarom blijft het hele debat toch draaien in cirkels? Wie herinnert zich nog het eindrapport Bruggen bouwen uit 2002 van de onderzoekscommissie Integratiebeleid onder leiding van Stef Blok? Volgens de commissie is de overheid pas in de jaren tachtig begonnen met een beleid gericht op de emancipatie en participatie van allochtonen. Desondanks heeft dit beleid tot weinig geleid. Het gedeeltelijk slagen van de integratie is vooral aan de allochtonen zélf te danken. De commissie adviseerde dat er een eind moet komen aan zwarte scholen en dat er in de grote steden meer betaalbare huur- en koopwoningen dienen te komen, zodat de middenklasse niet ‘vlucht’ naar randgemeenten.
Het instellen van een minister van Wonen, Werken en Integratie was dus een goed idee. Maar verwacht niet te veel van de sturende werking van overheidsbeleid. En nu maar hopen dat deze minister uit de dikke mist kruipt en staat voor échte openheid.