House raakt geaccepteerd

Holle house

De housekunst heeft de laatste twee jaar de weg naar het officiële kunstcircuit gevonden. Micha Klein, Daniëlle Kwaaitaal, R.E.L. en Gerald van der Kaap doen goede zaken. Nu de housekunst eindelijk is geaccepteerd dringt de vraag zich op wat de (nog) niet gevestigde kunstorde uitspookt. Waar zijn hun geheime podia en illegale feestjes? Waar zijn kortom de kunstenaars van de 21ste eeuw?

HOUSEPARTY’S ZIJN niet alleen onlosmakelijk verbonden met de discjockeys, die de platen draaien, maar ook met de kunstenaars, die de bewegende beelden mengen die op grote schermen worden afgespeeld, en die de flyers ontwerpen. Deze housekunst werd op de valreep van het vorige millennium eindelijk gewaardeerd als volwassen kunstvorm. Het werk van Micha Klein vond zijn weg naar het Stedelijk Museum en kreeg een overzichtstentoonstelling in Groningen. In Nieuwe Revu en Volkskrant Magazine verschenen artikelen over de kunstwereld rond Klein en zijn geliefde Aafke Reijenga, die een bohémienbestaan vieren dat doet denken aan Sartre en De Beauvoir.


Anderhalf jaar geleden was in de Kunsthal in Rotterdam zelfs een overzichtstentoonstelling van tien jaar house. Uit kleine boxen klonk zachte housemuziek en in vitrines lagen flyers en T-shirts. Voor velen symboliseerde dat het definitieve failliet van de house. Nu ook de oudere redacteuren van Nieuwe Revu en de belegen museumdirecteuren wel eens een pilletje hebben laten zakken en het idioom en de beeldtaal van deze jeugdbeweging begrijpen, lijkt het tijd voor iets nieuws.



‘IK WIL WEL weer eens verrast worden,’ zegt ook Daniël ‘Dadara’ Rozenberg (30), de eerste echte housekunstenaar van Nederland. In zijn atelier aan de Hemonystraat in Amsterdam is hij dagelijks aan het werk. Het plafond is beschilderd met wolkjes en tegen de muur staan grote doeken met taferelen uit de wonderlijke fantasiewereld van Dadaland, waarin een aardbol zich met een enorm pistool naar gene zijde van het bestaan helpt en waarin zwaarbewapende fantasiedieren van planeet naar planeet zweven in wonderlijke ruimtescheepjes.


Housekunstenaar voelt Dadara zich allang niet meer. Hij is pas dertig, maar hij spreekt als een oude man, die terugkijkt. ‘Vroeger was de house menselijker, nu is het kil en afstandelijk geworden. Als je tegenwoordig een flyer ziet, is het net een hifi-folder.’ Flyers transformeerden de laatste jaren van waardevolle schatkaartjes tot nutteloze wegwerpartikelen, die de dansvloer bedekken. Voor fantasierijke decors kwamen beeldprojecties van veejays in de plaats. ‘Heftige decors en thema’s verdwijnen. Het is makkelijker om een beamer op te hangen. Je zet gewoon een heel heftige videotape op, dat werkt ook.’


De term house is uitgehold, meent Dadara: ‘Vroeger was house één ding, nu is er trance, gabber, speedgarage, en ook de Kalverstraat is house. Als je van house houdt, zegt dat niks over jou als persoon, net zoals het niks zegt dat je een auto hebt. Het gaat erom wat voor auto je hebt.’ Speedgarage is de Mercedes en gabber is de Opel van de housemuziek. Voor ieder karakter bestaat er een soort house, maar het fight for your right to party-gevoel is allang verdwenen.


Was een houseparty ooit een vrijplaats voor een nieuwe generatie kunstenaars, anno 2000 komen er mensen die maandag weer gewoon naar hun werk moeten. Gerald van der Kaap laat zijn veejaykunsten zien in Ahoy, bij Heineken Nightlife. Kantoorklerken tikken beschaafd de housebeat mee. Als Micha Klein in januari 1998 in een interview in NRC Handelsblad vertelt dat veejays op de Kunstrai in Amsterdam een kleine rel veroorzaakten door met schaars geklede danseressen en pompende housemuziek een presentatie te geven, toont dat aan dat de gevestigde kunstwereld nog stoffiger is dan een bedrijfsfeest van Philips, waar al langer housemuziek klonk.



DE REVOLUTIE IS voorbij. De Lenins van de house zijn verdwenen. Iemand als Pieter Hoovers, de oprichter van Outland en stichter van Chemistry die veel talenten een kans gaf, leeft in ballingschap op Thailand, op de vlucht geslagen voor schuldeisers. De kleine houseplatenlabels zijn groot geworden of verdwenen. De Chemistry en het boekingskantoor Barkers zijn inmiddels goed georganiseerde miljoenenbedrijven. ‘Het is een afgeschermde wereld. Al jaren draaien overal dezelfde deejays, en al jaren zie je dezelfde kunstenaars,’ zegt Dadara.


De kunstenaar vindt het niet erg. Hij waardeert het werk van Micha Klein c.s. en beweegt zich nog vaak in de kringen van galerie Torch en de Chemistry, voor de gezelligheid, omdat hij de mensen kent. De rest vindt hij niet meer inspirerend. Hij vraagt zich daarom af wat de jonge kunstenaars nu doen, de jongens en meisjes van twintig.


Toen Dadara zelf zo oud was pendelde hij van kunstacademie naar kunstacademie en zocht als iedere jonge artiest het juiste podium om zijn werk te laten zien. Maar de kunstwereld was, evenals de huidige housekliek, een afgeschermde wereld. Dadara: ‘Galeriehouders waren niet geïnteresseerd in het werk van een onbekende. Ik moest andere manieren vinden om mijn werk tentoon te stellen.’ Dadara keek in de tussentijd zijn ogen uit op de eerste housefeesten. Dit waren niet de mensen die je in de disco’s tegenkwam. Niet de mensen die maandag weer naar hun werk gingen, maar een heel nieuw publiek.


De flyers, die vertelden waar en wanneer de feesten plaatsvonden, waren in die begintijd echter nog weinig origineel, getooid met fractals en gejatte plaatjes. Dadara besefte dat de house een eigen grafische stijl ontbeerde. Hij bood zich aan bij de organisatoren van de houseparty’s, en kreeg de kans om aan het werk te gaan. De housebeweging maakte het podium vrij voor jongens als Dadara.


‘Op basis van één flyer was ik onmiddellijk een beroemdheid in de housewereld,’ memoreert hij. Hij werd wereldwijd gevraagd om flyers te maken en het toonaangevende Duitse blad Wiener riep hem pardoes uit tot ‘König der Flyer’. Wiener biedt haar abonnees eens in de paar jaar een kunstkalender aan. In 1989 met werk van Andy Warhol, in 1991 met werk van Keith Haring en in 1994 met kunst van Dadara, die dan pas 25 jaar is. Vanaf dat moment speelde zich een kleine mediagolf rond de Amsterdamse kunstenaar af. Het Nederlandse journaille melde vol trots dat de opvolger van Keith Haring, de beroemde metrokunstenaar uit New York, een onbekende Nederlander was.



Voor de uitgaanders in de grote steden was Dadara echter al jaren geen onbekende meer. Hij was een van de mensen die de housemuziek een gezicht gaven. Zijn flyers werden gekoesterd door feestgangers. Eerst waren ze de dragers van belangrijke informatie over locaties van housefeesten en fungeerden ze tevens als toegangsbewijs, later werden het collector’s items. Oude Dadara-flyers brengen tegenwoordig wel zeshonderd gulden op.


Dadara’s werk werd tot halverwege de jaren negentig door de vaderlandse pers genegeerd. ‘Ik had een fanclub, maar in de media verscheen nooit iets over mij. Het heeft twee jaar geduurd voordat ik in een krant kwam. Nu ik heel weinig housecultuur zie, holt iedereen erachteraan,’ bromt Dadara. ‘Nu is iedereen wakker. Ook de hoofdredacteuren van de weekbladen begrijpen waar het om draait.’



DE TIJDEN ZIJN veranderd. De week- en dagbladen struikelen over elkaar heen om nieuwe trends in kaart te brengen. Nu zijn het echter de jonge rebellerende kunstenaars die niet meewerken. Hebben de jonge Dadara’s zich verstopt, of krijgen ze geen kans? ‘Ze zijn er helemaal niet,’ zegt Wim Pijbens van de Kunsthal in Rotterdam. ‘De jonge kunstenaars van tegenwoordig zijn verwend. Ze zijn materialistisch, hebben een gsm’tje, hebben een grafisch bureautje, ontwerpen homepages op internet en gaan liever een weekendje naar New York dan naar een illegaal feest, waar ze koude voeten krijgen.’


‘Kunstenaars zijn de laatste jaren inderdaad veel ondernemender geworden,’ zegt Bert Dijkstra van het Rotterdamse Shop Around, een bemiddelingsbureau dat altijd op zoek is naar grafisch vormgevers en illustratoren die nog onbekend zijn en op een achterkamertje de mooiste dingen maken. ‘Kijk naar de vormgevers van DC Rotterdam. Die jongens zitten nog op de kunstacademie en geven nu al vorm aan het tijdschrift Basic Groove, een van de belangrijkste muziektijdschriften.’


De jonge creatieven van nu hebben al een eigen bedrijfje als ze nog op school zitten. Tijd om te feesten is er niet, laat staan om een nieuwe kunstrevolutie te beginnen. Dijkstra: ‘Ze denken ook niet in termen als: ik ben house, of ik ben hip hop, zoals wij vroeger. Als je bij jongeren thuis komt, dan staan er allerlei soorten muziek door elkaar. Kijk naar Mister Fever, een jongen van 22 jaar die voor ons werkt. Hij is drummer in de punkband NRA, maar hij heeft juist een cd-hoesje gemaakt voor de Venga Boys. En geloof me, dat is heel iets anders.’


Of neem Mike Redman (21). De Rotterdamse kunstenaar maakt special effects voor films, is discjockey, organiseert feesten en drumt in een metalband: ‘Vanavond heb ik een feest, ik heb een gsm, de zaken gaan goed. Ik maak poppen voor musea, er is net een nieuwe cd van me uit, en ik ga inderdaad binnenkort naar New York.’


Als er al een nieuwe beweging aan te wijzen is, dan is het dus die van de eclectische kleine kunstondernemers. Grafisch vormgevers, die zelf de foto’s maken, teksten schrijven en dealtjes met drukkers maken. ‘En niks voor niks tegenwoordig. Vroeger was het al genoeg beloning als je een gedrukt exemplaar van je werk kreeg. Tegenwoordig willen mensen geld zien,’ zegt Bert Dijkstra.


Zou het echt zo zijn dat jonge kunstenaars liever geld verdienen dan de romantiek en het avontuur te zoeken van een nieuwe beweging, met een nieuw geluid? Het is moeilijk te geloven. Wellicht dat we, net als de Revu-redacteuren van tien jaar geleden, de uitingsvormen van de nieuwe Dadara’s nog niet begrijpen. De tijd zal leren welke geniale vernieuwers we op dit moment over het hoofd zien.



IN AFWACHTING VAN de nieuwe revolutie werkt de oude Dadara rustig door aan zijn levenswerk. Volgend jaar komt er weer een expositie in galerie Reflex, en hij doet de vormgeving van de huidige Greenpeace-campagne. Op een bouwterrein ergens in Amsterdam verrijst het zeven meter hoge Greyman Statue of No Liberty. Ten slotte is hij in bespreking met een grote Amerikaanse filmmaatschappij, over het maken van cartoons. Dadara: ‘Ik hoef nog niet zo nodig in een museum. Als ik een jaar of vijftig ben wel, met een mooie overzichtstentoonstelling, waar ik dan met een pijp in mijn mond doorheen loop.’