Hollywood en de holocaust

Billy Wilder met acteur/regiseur Erich von Stroheim als de Duitse veldmaarschalk Erwin Rommel op de set van Five Graves to Cairo, ca. 1943 © John Kobal Foundation / Getty Images

Na zijn geëngageerde grote familieroman Klein Engeland (2018) rond de Brexit-strubbelingen en de Britse eilandmentaliteit heeft Jonathan Coe zijn terugkerende Rotters Club-personages voorlopig verlaten. In Meneer Wilder en ik richt hij zich op Hollywood en de holocaust in de persoon van zesvoudig Oscarwinnaar Billy Wilder (1906-2002), maker van filmklassiekers en kaskrakers als The Lost Weekend, Sunset Boulevard, Some Like It Hot en Irma la Douce. Coe concentreert zich op een veel minder bekende film van Wilder, Fedora (1978), als de meesterregisseur volgens Hollywood-geldschieters op zijn retour is en moordende concurrentie ondervindt van aanstormend talent als Steven Spielberg.

Vertelstap voor vertelstap maakt Coe duidelijk waarom hij ervoor heeft gekozen de draaidagen te volgen van Fedora, op een paar Griekse eilanden, München en Parijs in 1977. Fedora is niet alleen een sterk getinte Europese film, de plot weerspiegelt ook de situatie waarin Wilder toen verkeerde. Een filmdiva op leeftijd lijkt de eeuwige jeugd te hebben en blijft er dankzij plastische chirurgie jong uitzien, tot er een operatie mislukt en de actrice zich terugtrekt op een Grieks eiland. Er volgt een persoonsverwisseling: haar dochter Antonia neemt de rollen van haar moeder over, maar ook zij loopt vast in het leven, met dramatische gevolgen. Billy herkende zich in de oude vrouw die eeuwig jong wenste te zijn en in wezen slachtoffer was van Hollywood-terreur: ‘het besef dat niemand nog wilde hebben wat wij (de scenarist en hij – gb) te bieden hadden’.

De kern van Coe’s roman, zeer effectief weergegeven als een filmscenario met een voice-over, weerspiegelt de hoogte- en dieptepunten in de levensloop van Billy Wilder tussen 1933 en 1945. Daaromheen wikkelt Coe het al te magere, zeer schetsmatige plotje. Een in Londen wonende filmcomponiste, de in Athene opgroeiende Calista (Engelse moeder, Sloveense vader), kijkt op latere leeftijd in Londen terug op haar toevallige ontmoeting met Wilder in 1976 in Los Angeles. Uit die ontmoeting vloeit haar betrokkenheid voort bij het draaien van de filmscènes.

‘Als er geen holocaust is geweest, waar is mijn moeder dan?’

Het probleem met deze Calista, de ik-verteller, is haar aanvankelijke onnozelheid en terughoudendheid wat mannen aangaat, waardoor Meneer Wilder en ik grotendeels stug, koel en afstandelijk blijft en narratieve dynamiek ontbeert. Calista heeft een meisjestweeling, Francesca en Ariane. Aan het begin van de roman vertrekt Ariane naar Sydney om daar met een beurs aan het conservatorium te studeren. Francesca tobt met een ongewenste zwangerschap en wil ook studeren. Aan het slot wordt er wat die zwangerschap betreft snel een knoop doorgehakt omdat de moeder opeens beseft naar het voorbeeld van háár moeder een empathische rol te moeten spelen.

Blijft over het hart van de roman gepresenteerd als draaiboek. Als de filmcrew met de jonge Calista in München neerstrijkt en aan een feestelijke dis zit, ontpopt een jonge Duitser zich, op basis van ‘Amerikaans wetenschappelijk onderzoek’, als een halve holocaust-ontkenner. Na zijn opmerking dat het aantal doden overdreven is, krijgt de roman een vertelinjectie. Het antwoord van Wilder, in de vorm van een voice-over in een filmscenario, is hoogstpersoonlijk en autobiografisch. Als jood opgegroeid in het Habsburgse Wenen en in 1933 uit Berlijn naar Parijs en Los Angeles gevlucht, bouwt hij een carrière op als scriptschrijver en regisseur. In 1945 krijgt hij opdracht van de Amerikaanse regering om uit de opgenomen filmbeelden van de bevrijde concentratiekampen een voorlichtingsfilm te maken. Dagenlang bekijkt hij ondraaglijke beelden. Waarom? ‘Ik zoek mijn moeder.’ Die had hij in 1933 in Wenen achtergelaten, net als zijn stiefvader en grootmoeder. Zij kwamen allen om in verschillende kampen.

De jonge holocaust-ontkenner voegt hij deze woorden toe: ‘Als er geen holocaust is geweest, waar is mijn moeder dan?’ Waarna de Duitser zwijgend afdruipt.

Death Mills (1946) heet die documentaire van twintig minuten, te zien op YouTube. ‘Kolonel’ Wilder wilde dat alle Duitsers die in 1945 in de bioscoop zouden zien. Helaas kreeg hij niet zijn zin. Wel speelde hij een bescheiden rol bij de zuivering van de Duitse filmindustrie, zich afvragend waar in 1945 toch al die Duitsers waren gebleven die zo fanatiek achter Hitler hadden aangelopen. Waren ze dat opeens ‘vergeten’? Hadden ze het echt niet geweten? Een vroegere Berlijnse collega van hem, al ver voor de oorlog nazi, vraagt aan Wilder of hij toestemming kan krijgen de rol van Jezus Christus te spelen in een film. Wilder geeft die toestemming, onder één voorwaarde: bij de kruisiging moeten er echte spijkers door zijn handen worden geslagen…

Het documentaire-element van Meneer Wilder en ik is de ruggengraat van de vertelling. De verpakking – de nogal onnozele wederwaardigheden van de ik-verteller Calista – kan de lezer weggooien. Billy Wilder was de man die de hele wereld aankon als cineast. Hij was een overlever. Zijn belangrijkste films gingen over mensen die worstelden en overleefden. Maar de geldwolven van Hollywood ‘overleefde’ hij niet. Toen hij halverwege de jaren tachtig, Wilder was toen al tachtig jaar, de filmrechten van het boek Schindler’s Ark wilde verwerven, lukte dat niet. In 1993 kwam de film uit, gemaakt door… Steven Spielberg. Wilder gaf grif toe dat ook cineasten die de Tweede Wereldoorlog niet hadden meegemaakt een aangrijpende film konden maken over de jodenvervolging. Jonathan Coe weet dat Hollywood-filmfeit wél effectief te verwerken in zijn half gelukte Meneer Wilder en ik.