Holland Festival: Ryuichi Sakamoto

Hollywood met serieuze bliebjes

De Japanse componist, musicus, performer en acteur Ryuichi Sakamoto, associate artist van het Holland Festival 2021, schrijft al ruim veertig jaar intrigerend ongrijpbare pop-, film- en sfeermuziek.

Ryuichi Sakamoto in de documentaire Coda, 2017. Regie Stephen Nomura Schible © IDFA

De laatste documentaire over leven en werk van Ryuichi Sakamoto heet Coda. Naspel, maar niet helemaal. Wat in een symfonie of een sonate coda heet, de afsluitende maten met de samenvatting of dramatische conclusie van het stuk, brengt soms een onverwachte wending of een nieuw begin, de vlinder uit de pop. Een van Sakamoto’s soloplaten heet trouwens ook al Coda en het titelnummer doet zijn naam eer aan. Echo van, herinnering, een omzien naar, waarnaar blijft mistig – een klinkende wederhelft misschien, of een bindende vorm. Naar het combo dat een soort van jazz van de verweesde synthesizerharmonieën had gemaakt, of het concert dat de afsluitende pianosolo had bevorderd tot cadens. Restmuziek.

In de film staat coda metaforisch voor reservetijd. Het is 2014 en bij Sakamoto is keelkanker geconstateerd. Op het moment van de diagnose zit hij midden in een nieuw solo-album. Na de behandeling besluit hij opnieuw te beginnen. Het grondidee wordt ontkoppeling, het loslaten van wat hem nog aan vorm en idioom, aan muzische reflexen ketent. Zo nieuw is de gedachte niet voor hem. In zijn elektro-akoestische duoprojecten met de Duitse geluidskunstenaar Carsten Nicolai, alias Alva Noto, waait dezelfde wind. Allenige nergensheenpiano, Hollywood met serieuze bliebjes. Sfeer. Maar een ziek mens heeft recht op waardige besluiten.

De Groene Amsterdammer Holland Festival Podcast

Tijdens het Holland Festival 2021 produceert De Groene Amsterdammer een podcast waarin voorstellingen worden uitlicht en makers aan het woord komen. Beluister hier het gesprek tussen Stephan Sanders en Peter Von Rosenthal over de achtergronden van de muzikale ontwikkelingen van Sakamoto.

De nieuwe plaat zal async heten, van asynchronisatie. Sakamoto wil er het verschil tussen gecomponeerde muziek en niet-gecomponeerde klanken opheffen. Hij begint op straat, in de natuur en binnenshuis omgevingsgeluiden op te nemen. Zijn ritselende voetstappen in het gras, het tikken van de regen op het raam, verkeer en vogeltjes of ruisend blad, alles wat leven is. Hij maakt geluidsopnamen van de zwaar gehavende ‘tsunamipiano’, de door de golf van Fukushima meegenomen Yamaha-vleugel die hij in het rampgebied heeft aangetroffen.

Zijn inspiratiebron is de filmregisseur Andrei Tarkovski, bij wie tot zijn verrukking elke voetstap veelbetekenend geluid is. Hij wil dat de muziek ‘op een Tarkovski-soundtrack lijkt’. In 2017 verschijnt de plaat en die is soundtrack op z’n Sakamoto’s, sonische grabbelton voor alle zintuigen. De openingstrack ‘Andata’ is symbolisch. Een lief, conventioneel pianostukje, Einaudi met een vleug hotelbarsentiment, verzuipt in een golf van Procol Harum-achtige orgelklanken en ontraceerbare bijgeluiden. Vanaf dat moment bungelen cultuur en natuur ex aequo in een vacuüm tussen soundscape en realiteit, tussen zeg Brian Eno en musique concrète. Tijd en orde zijn met groot verlof.

Async zit niet alleen maar kwijnend stervensmooi te wezen. Het titelnummer is een industrieel knarsende tokkel- en pizzicato-oorlog, een kleine opstand op de yogamat. In ‘Zure’ komen twee beierende synthesizerakkoorden de verwoeste tsunamipiano tegen. Geconcentreerd welluidend mixt Sakamoto zijn synthetische new age met analoge vogeltjes en voetstappen, geritsel, stromend water. Hier en daar klinken de stemmen uit zijn eigen vroeger. In ‘Fullmoon’ leest Paul Bowles voor uit zijn roman The Sheltering Sky, die Sakamoto in de verfilming van Bertolucci van muziek voorzag. ‘How many more times will you watch the full moon rise? Perhaps 20. And yet it al seems limitless.’ Zanger David Sylvian, een van de grote muzikale partners op zijn pop-cv, draagt een gedicht van Tarkovski’s vader Arseni voor: ‘dreams, reality, death, on wave after wave’. En, je voelde hem aankomen: ‘Life is a wonder of wonders.’ Men wil nog niet dood.

Witte raaf tussen de klankschappen is ‘Solari’, een synthesizerkoraal met vage Bach-echo’s. In de documentaire zie je hoe het is ontstaan. In Tarkovski’s sciencefictionklassieker Solaris van 1972 klinkt Bachs koraalvoorspel Ich ruf’ zu dir, Herr Jesu Christ BWV 639. Ongelooflijk melancholieke muziek, zegt Sakamoto, die het thuis in New York mooi teder op zijn Steinway speelt. Zoiets wilde hij ook, zijn eigen koraal, met zo’n zwevende stem op een vloeiend polyfone onderstroom, als een zwaan op sterk water. ‘Solari’ werd geen echt koraal. Maar een melancholie die hier geen toelichting behoeft heeft hij perfect gevangen in een aura van oneindigheid.

Daarom werken filmregisseurs zo graag met hem en dankzij hen is zijn muziek bekend bij wie de meester niet van naam kent. Van zijn filmpartituren voor Nagisa Oshima’s Merry Christmas Mr. Lawrence (1983, met David Bowie én Sakamoto in de hoofdrol), de tussen hem en David Byrne verdeelde soundtrack voor Bertolucci’s The Last Emperor (1987), of The Revenant van Alejandro González Iñárritu (2015). Hij was trouwens te huur voor alle klankopdrachten. In 1992 schreef hij de muziek, geen slechte trouwens, voor de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Barcelona. Voor Nokia maakte hij ringtones. Sakamoto is zoals het uitkomt popmuzikant, geluidskunstenaar, performer en jazzpianist, getuige chill klinkende albums met de fabuleuze Braziliaanse zangeres Paula Morelenbaum en haar echtgenoot, cellist Jacques. In de pop trok hij de avonturiers en ambitieuze grensverleggers aan. In dat mooie niemandsland tussen Oost en West, populaire en hogere cultuur werkte hij samen met Sylvian en Thomas Dolby, Iggy Pop en David Byrne.

Cage, Warhol, Stravinsky en vooral Debussy zijn het meubilair van Sakamoto’s wereldbeeld

Wat Sakamoto van zijn medekruisbestuivers onderscheidt zijn de ambitus en de reactiesnelheid van zijn transculturele dna. Weinig afgestudeerde componisten van zijn lichting, jaargang 1952, zullen hun loopbaan zijn begonnen in de popmuziek.

Mijn generatie leerde hem kennen van het Yellow Magic Orchestra, kortaf ymo. Dat Japanse synthesizergroepje zou vanaf 1978 midden in het punk- en new wave-tijdperk een belangrijke en invloedrijke verbindende schakel worden tussen de klassieke synthesizertaal van het Duitse Kraftwerk en de technopop van Depeche Mode, Human League, Orchestral Manoeuvres in the Dark of Ultravox.

ymo was een leuk, bevrijdend bandje. Naast de postpuberdoem van Bauhaus en van Joy Division wees het de blije uitweg voor de kinderlijke utopisten van die tijd, jongens en meisjes die mooie geluidjes maakten met te gekke apparaten. ‘Computer Game’, dat in Engeland en de Verenigde Staten een groot publiek bereikte, is te slim voor een hit. Een oriëntaalse, met lisztiaans pianoklatergoud verluchtigde disco-instrumental, cover van Martin Denny’s ‘Firecracker’ uit 1959; geheimzinnig bekoorlijk in zijn paradoxale oppervlakkigheid, in hoe het westerse clichés over het Oosten uitvergroot en met een hoffelijke glimlach persifleert zonder zichzelf de les te lezen, knap. ymo was zijn tijd vooruit en met een echte drummer en bassist vitaler dan het cerebrale Kraftwerk. Hiphop en techno zouden hun voordeel doen met het opbouwwerk van Sakamoto en de zijnen.

Technologisch was Sakamoto altijd voorhoede. In 1980 was ymo een van de eerste gebruikers van de drumcomputer Roland TR-808. Het Sakamoto-album Illustrated Musical Encyclopedia of Ongaku Zukan ontstond op de Fairlight-synthesizer, een magische machine met een beeldscherm waarop je met een lichtpen golven tekende, die het instrument in klank vertaalde. Aan de hoes te zien en aan de sound te horen was Sakamoto zelf het techno-stadium toen al voorbij. Hij speelt met stijlen als een held met vuur. ‘Etude’ is een studie in dansmodi van ballroom en funk tot reggae en ska, slim en aalglad, theatraal gepersonaliseerde ultramuzak. Op de albumcover poseert hij als een chique barpianist aan de vleugel.

In 1985 is Sakamoto onderwerp van de documentaire TokyoMelody van de Franse filmmaakster en fotografe Elisabeth Lennard. Hij is een bloedserieuze jongen met oververzorgd new wave-haar en even gecoiffeerde ideeën. Hij spreekt met afschuw over het hokjesdenken in afgebakende genres en wijst terecht op het gezagsverlies van de mainstream-cultuur die het in stand had willen houden. Hij ziet waarden kantelen en de technologie, dus ook in de muziek, steeds meer haar eigen koers bepalen. Daar moet hij uit ervaring spreken. Die Fairlights en die drumcomputers kunnen meer dan jij; ze bespelen jou evenzeer als andersom.

Dan stelt hij lineariteit in de muziek ter discussie, het idee van de vorm als logisch continuüm. Zo hoef je als maker je ideeën niet te knevelen. Hij kan, zegt hij, zijn vondsten in elke volgorde afspelen. Heel precies drukt hij zich niet uit, maar je begrijpt wat hij bedoelt. In een wereld die zo alle talen kent wordt muziek wat voor het grijpen ligt en alles wat je maakt collage. En omdat je alles al eens hebt gehoord, hoef je de brokken niet met een verklarende grammatica van oorzaak en gevolg meer aan elkaar te lijmen. Lineair van A naar B horen we toch niet meer in het akoestische bombardement dat de buitenwereld is geworden.

Hij noemt zijn inspiratiebronnen. Ze zijn de helden van alle jongeren met grensverleggende pretenties. John Cage, Andy Warhol en Marcel Duchamp, Ravel, Stravinsky, Henri Dutilleux en Olivier Messiaen. Ze zijn het meubilair van zijn wereldbeeld. De anarchie, het moderne, de readymades, de vloeibare Fransen. En David Bowie. Maar boven allen troont voor Sakamoto Debussy. Om zijn variëteit, zegt hij, zijn complexiteit met weinig middelen. Debussy is de reden waarom hij na Bach, Mozart en Beethoven als pianokind de bijna hele negentiende eeuw maar oversloeg. Een van zijn favoriete Debussy’s is het tweede deel van La Mer, om een heel specifieke reden: alles stroomt in elke noot en elke harmonie. Die liefde is echt. In de documentaire zie je ymo de instrumental ‘Tong Poo’ spelen. Sakamoto staat er in een übercoole new wave-outfit tussen een batterij synthesizers strak voor zich uit te kijken. Daarna zien we hem, in studieuze vrijetijdstrui, hetzelfde stuk thuis vierhandig op de vleugel spelen met zijn vrouw Akiko Yano. Opeens hoor je de wortels van de taal. De akkoorden zijn jazzy, maar de harmonieën en het melos Frans.

Wacht even: is hij nu wel of geen popmuzikant? Juist wel, in de manier waarop hij zijn historische contactpunten benut en populariseert. ‘Ik ging van hedendaags naar popmuziek omdat ik direct contact met een massapubliek wilde.’ Natuurlijk was het een onhoudbare positie voor een man als hij. Maar zijn houding bleef die van een aan geen enkele doctrine schatplichtige vrije jongen. ‘There’s no should or must for artists.’ Daarom bleef async toch verhulde popmuziek. Sakamoto hield en houdt te veel van mooi. Hij bleef te zeer die klankverliefde pleaser om het oor te kwetsen. Het verschil tussen de ymo-nerd en de koralenman van zijn reservetijd is niet heel groot.

Nu is hij weer ziek, weer kanker. De ontroerend aardige Sakamoto blijft er trots, hoffelijk, zachtmoedig bij. Op YouTube is zijn nieuwe klankschappencyclus Incomplete vrij toegankelijk gemaakt voor iedereen die in barre tijden wel wat schoonheid kan gebruiken. Heel Erg Ambient. ‘Flux 1’, een soundscape van elf minuten met Alva Noto, had zo op Low of Heroes van held Bowie kunnen landen. Maar zo zacht, zo lief, zo weerloos. Ja, heile Welt. Mag het in barre tijden nu, heel even, zonder voorbehoud?


Voor de complete programmering van Ryuichi Sakamoto zie hollandfestival.nl