Holocaust

Greenpeace

Greenpeace wordt (in De Groene Amsterdammer van 13 december) een multinational genoemd die zichzelf nodig opnieuw moet uitvinden. Natuurlijk zijn we continu bezig met wat de beste strategie is en lukt lang niet alles wat we doen. Maar ons ineffectief noemen gaat te ver. Recent nog beloofde Levi’s te stoppen met het lozen van gifstoffen bij de spijkerbroeken­productie, na acties van Greenpeace. Net als Zara, Mango en Esprit kort daarvoor deden.

Dat is geen uitzondering. Door onderzoek, lobby en actie weet Greenpeace regelmatig wereldwijde successen te halen voor het milieu. Sinds de jaren zeventig zijn onze campagnes steeds inventiever en spectaculairder geworden. Zo wisten we met een deltavlieger op een Franse kerncentrale te landen om aan te tonen dat de beveiliging niet deugt en lieten we met gasflessen onder het water­oppervlak de Hofvijver branden als het regenwoud. Daarnaast krijgt Greenpeace veel lof voor het creatief gebruik van sociale media en effectieve ‘brand jamming’, zoals de filmpjes over Barbie vanwege de vernietiging van oerbos voor de verpakking.

De analyse dat het Greenpeace aan vernieuwing ontbreekt, is tekenend voor de toon van het stuk in De Groene. De geschiedschrijving lijkt neutraal, maar het verhaal leunt op kritiek. Positieve verhalen over de effectiviteit van Greenpeace staan er niet in en de groei van de organisatie wordt beschreven alsof die slecht is. Critici krijgen de ruimte. Zo mag Jaffe Vink nog eens vertellen dat Greenpeace overdreef door het afval van de Probo Koala giftig te noemen. Het stuk vermeldt niet dat de ‘bijtende en stinkende substantie’ door oliebedrijf Trafigura zelf als ‘toxic caustic’ werd omschreven. Het Nederlands Forensisch Instituut noemde het ‘zeer gevaarlijk afval’; de rechter bevestigde deze analyse bij de veroordeling van Trafigura. Overdrijft Greenpeace dan door het afval giftig te noemen?

Boris van der Ham stelt dat Greenpeace onvoldoende in Den Haag is. Onvermeld blijft hoe juist onze stevige campagnes – bestaande uit lobby én acties – leidden tot betere regelgeving en bijvoorbeeld het afblazen van Borssele II. Met onze acties creëren we maatschappelijk en politiek debat over belangrijke milieuproblemen, zoals klimaatverandering of overbevissing.

De professionalisering en internationalisering van Greenpeace zijn broodnodig om grote, wereldwijde milieuproblemen aan te pakken, zeker in relatie tot machtige bedrijven zoals Shell. Samen met onze vele donateurs, online-supporters en vrijwilligers behalen we concrete successen. Greenpeace blijft gepassioneerd voor de bescherming van onze aarde. Voor levende oceanen, behoud van oerwouden, duurzame landbouw, geen gif en investeren in schone energiebronnen.

Laura Westendorp,

Greenpeace persvoorlichting

In hun essay over nivellering in de geschiedschrijving (in De Groene Amsterdammer van 13 december) schrijven Eveline Gans en Remco Ensel dat Bart van der Booms boek ‘Wij weten niets van hun lot’ past ‘in een al langer bestaand landschap van nivellering’ van verschillen tussen daders, omstanders en slachtoffers, getoonzet door Chris van der Heijdens Grijs verleden. Zij adstrueren dit landschap met voorbeelden (latere boeken van Van der Heijden, pogingen tot ‘verzoening’, het Waffen-SS’er-gedicht, et cetera), die ik overigens evenals de schrijvers uiterst kwalijk vind.

Maar zij slaan de plank volkomen mis als zij het boek van Van der Boom in deze trend van nivellering menen onder te kunnen brengen. Over Grijs verleden schrijft Van der Boom: ‘Het gedrag van de Nederlander in bezettingstijd was een compromis (…) tussen verontwaardiging over onrecht, hoop dat het snel voorbij zou zijn, een verlammend gevoel van machteloosheid, aangewakkerd door een grote angst voor straf. Van der Heijden noemt dat compromis simpelweg grijs (…). Daardoor blijft in zijn weergave onzichtbaar, dat haat jegens de bezetter en zijn program kon samengaan met gehoorzaamheid; dat accomodatie iets anders is dan onverschilligheid, laat staan instemming’ (‘Wij weten niets van hun lot’, blz. 386).

Het boek bevat menige passage waaruit juist een anti-nivelleringstendens spreekt.

‘Hoewel niet-Joden geenszins onverschillig stonden tegen het onrecht de joden aangedaan, waren de deportaties voor hen niet levensbedreigend. De inschatting van Polen was voor hen ook geen kwestie van praktisch belang, anders dan voor de Joden. Die moesten immers op basis van die inschatting handelen: onder­duiken of niet? Waar bij niet-Joden altijd de verdenking blijft hangen dat het hele onderwerp hen niet interesseerde, is dat bij Joden uitgesloten’ (blz. 314).

Overigens noemt Van der Boom onwetendheid over het lot van de joden ‘geen afdoende verklaring voor het gedrag van de Nederlander in bezettingstijd, maar ze is wel een noodzakelijke verklaring. Wie haar weglaat, moet de betrokkenen vrij extreme sentimenten toedichten: suïcidale berusting, vergaand zelfbedrog (van de kant van de joden – jb), door en door cynisch egoïsme, koele onverschilligheid, laakbare lafheid en zelfs een voorheen slapend maar op het fatale moment ontwakend antisemitisme (van de kant van de omstanders – jb)’ (blz. 415/6).

Jan Blok, Bergen (NH)

Voor een reactie van Bart van der Boom op het essay, zie groene.nl