Holocaust

‘Strafrecht is geen effectief middel om onjuiste en smakeloze opvattingen te bestrijden. Tegen domheid kun je met strafrecht weinig bereiken.’ Dit zinnetje, dat door minister van Justitie Winnie Sorgdrager tijdens een symposium over de holocaust is uitgesproken, zal een revolutionaire mijlpaal worden in de geschiedenis van het Nederlands strafrecht.

Oorspronkelijk moeten de woorden van de minister opgevat worden als onderbouwing voor haar weigering om ‘revisionisten’ of 'negationisten’ in het kader van een nieuwe speciale wet voor de rechtbank te slepen. 'Revisionisten’ zijn mensen van extreem-rechtse signatuur die in woorden en geschriften beweren dat volgens eigen wetenschappelijke observaties de uitroeiing van de joden nooit heeft plaatsgevonden en dat het bestaan van de gaskamers niet meer is dan een grappig fabeltje. Volgens Sorgdrager zijn die mensen alleen maar 'dom’ en hun 'onjuiste en smakeloze opvattingen’ behoeven niet door de rechter te worden gesanctioneerd. (De bestaande wet kan overigens al dienen om holocaustontkenners te veroordelen.)
In het verlengde van deze stelling zou je dus kunnen denken dat er voortaan geen strafrechtelijk taboe meer rust op de meeste smakeloze en onjuiste denkbeelden. Je zou bijvoorbeeld, zonder een enkel risico te lopen, kunnen poneren dat volgens je eigen wetenschappelijke onderzoekje het zwarte ras duidelijk inferieur is aan het witte, of dat het genetisch bewezen is dat Turken en Marokkanen geen hoog IQ kunnen bezitten.
Maar zo loopt het niet in de praktijk. Integendeel. Als een extreem-rechtse leider als Hans Janmaat verkondigt dat hij, zodra hij aan de macht is, 'de multiculturele samenleving zal afschaffen’, wordt hij binnen twee tellen tot een celstaf veroordeeld. Winnie Sorgdragers definitie van 'onjuiste en smakeloze opvattingen’ blijkt dus selectief te zijn, en het gebruik van het woord 'domheid’ om de kwaadwilligheid van pernicieuze nazi’s te omschrijven, getuigt niet van een groot historisch besef.
Opvallend is dat in de meeste omringende landen - Duitsland, België, Frankrijk - een dergelijk verbod via een aparte specifieke wet wel bestaat. Je kunt in die contreien de wreedheden en de realiteit van de holocaust niet ontkennen zonder je voor justitie te moeten verantwoorden. Sorgdrager heeft hiervoor - althans wat Duitsland betreft - een eenvoudige uitleg: 'Gezien de geschiedenis van dit land is een verbod wel te begrijpen.’ Mij dunkt dan dat de geschiedenis van Nederland een interessante factor zou kunnen zijn om een dergelijk verbod wettelijk te verankeren. Nederland, deportatieland bij uitstek, waarin verhoudingsgewijs het grootste aantal joden, op Polen na, aan de bezetter zonder blikken of blozen is overhandigd. (De Februaristaking telt bijna niet, want die was toch door communisten geïnitieerd en, zoals bekend, die moeten nog steeds rekenschap afleggen.) Een ander argument van Winnie Sorgdrager om 'negationisten’ niet bij wet aan te pakken is dat men ontkenners van andere genociden - in dit verband noemt ze de Sovjetunie en Cambodja - ook voor het gerecht zouden moeten laten verschijnen. Hier schort eveneens wat aan de perceptie van de minister als het om de nationale geschiedenis gaat. Naar mijn weten hebben Nederlandse ambtenaren van de bevolkingsregisters nooit hun medewerking aan Pol Pot verleend. Er is door Nederlandse politieagenten niemand op bevel van Stalin uit zijn huis gehaald, en de NS heeft nooit tegen betaling onderdanen van Hare Majesteit richting de Goelag vervoerd.
Als aanhanger van de vrijheid van meningsuiting kun je het standpunt van de minister van Justitie misschien wel toejuichen: argumenten, hoe verderfelijk ook, dienen door tegenargumenten te worden bestreden en niet via de rechtbank. Maar er zijn bijna 100.000 joden vanuit Nederland naar de vernietigingskampen stuurd. Zullen hun nabestaanden het werkelijk op prijs stellen dat de dood van hun ouders, zussen of geliefden in Auschwitz of Mauthausen ongestraft wordt ontkend?
Het lijkt me langzamerhand duidelijk dat in Nederland niet alleen de eigen medeplichtigheid aan het deporteren van de joden wordt gebagatelliseerd, maar dat ook het leed van de slachtoffers en hun nabestaanden niet op zijn juiste waarde wordt geschat. Voorbeelden te over de laatste tijd. Want hoe kan men in dit verband een overheid nog serieus nemen die het archief van joods oorlogsbezit in een verlaten pand 'vergeet’. Laden vol kaartjes met erop de namen van de slachtoffers en de beschrijving van hun geroofde bezittingen worden bij een verhuizing zomaar achtergelaten, alsof het oud, onbruikbaar wc-papier betreft. En hoe zou ik de furieuze weigering moeten omschrijven van de Nederlandse politiebond en zijn verontwaardigde voorzitter Hans van Duijn om, naar Frans voorbeeld, zijn excuses aan te bieden voor de rol van het Nederlandse politieapparaat bij het deporteren van joodse landgenoten? Ik denk dat ik het weet: onjuist, smakeloos en dom.