Een bezoeker van het Nishihirabatake Park, ten zuidwesten van Tokio, fotografeert de heilige berg Fuji © Aya Yoshida / Jiji Press / ANP

Wat doe je als millennial met een burn-out? Reizen, natuurlijk. Gooi een pijltje naar de wereldkaart en vind jezelf terug. Je hebt beweging nodig, zullen ze zeggen. Frisse lucht. Een andere omgeving. Nieuwe perspectieven. Je moet de dingen eens van de andere kant bekijken. In een ander licht, met een beetje meer afstand. Dan zul je zien dat ze het daar heel anders aanpakken. Dat ze daar nog heel anders in het leven staan. Veel dichter bij de natuur, of zo. Precies alsof ze daar een soort kennis hebben die wij allang verloren zijn. Alsof ze de sleutel tot het leven daar nog niet zijn kwijtgeraakt.

Maar waarheen dan? Twee vrienden staken, onafhankelijk van elkaar, tegen mij de loftrompet over Japan en dus besloot ik in 2019 mijn zielenrust in het Oosten te zoeken. Ze hadden geen ongelijk, die vrienden. Japan is een mooi land met alles wat een moderne toerist verlangt. Overdonderende natuur, eeuwenoude cultuur en eten dat de Franse en Italiaanse keukens met gemak naar de kroon steekt.

Sinds ik terug ben lijkt, overal waar ik kijk, onze obsessie met de Japanse cultuur zich steeds dieper in ons culturele (en commerciële) lichaam te hebben genesteld. Paulien Cornelisse schreef een bestseller en maakte een populaire documentairereeks over het land. In elke boekhandel die ik binnenloop, ligt een dikke stapel boeken van Japanse schrijvers bij de kassa. Naast sushi verschijnen steeds vaker gerechten als ramen, soba, udon, okonomiyaki en karaage, in al dan niet verwesterde varianten, op Nederlandse en Belgische menukaarten. Laatst ontdekte ik op de Meir, de grootste en bekendste winkelstraat van Antwerpen, nog een nieuwe winkel die ik daarvoor nog nooit had gezien. Bij Ichiban verkopen ze alles wat de japanofiel maar zou kunnen verlangen. Instant-ramen, Calbee-chips, Ramune en zelfs Boss Coffee, mijn favoriete Japanse koffiemerk, waarvan ik tijdens mijn reis elke ochtend gretig een blikje trok uit één van de vele drankautomaten die het land rijk is. Aangezien ichiban ‘de eerste’ betekent in het Japans is het niet uitgesloten dat we de komende tijd nog meer van dit soort winkels in het straatbeeld zullen zien opduiken.

Maar wat maakt dat we ons zo aangetrokken voelen tot een land aan de andere kant van de wereld, waar we in ons dagelijks leven, buiten merken als Toyota en Canon, eigenlijk nauwelijks mee geconfronteerd worden? Of misschien eerder: wat missen we hier, in ons kleine koude kikkerlandje, wat we wel in het land van de rijzende zon zouden kunnen vinden?

Laatst zag ik het boek De man die een berg werd van Grete Simkuté, dat op 24 maart verscheen, op mijn Instagram-feed voorbij glijden. Simkuté zou klankmatig misschien nog een Japanse achternaam kunnen zijn, maar volgens de site van haar uitgever is ze in Litouwen geboren en werkte ze als journalist in België, Noorwegen en delen van Azië. Over Japan wordt met geen woord gerept, maar omdat de flaptekst van haar boek mij belooft het oude Japan tot leven te laten komen, besluit ik op verder onderzoek uit te gaan.

Op Simkuté’s persoonlijke Instagrampagina (@instagrete) vind je naast Instagram-klassiekers als een boottochtje door de grachten, die trap van de Koreaanse kunstenaar Do Ho Suh en een foto van een klimaatprotest (‘Fuck my pussy, not the climate’), ook een hele reeks foto’s van haar reis naar Japan, waarschijnlijk gemaakt als onderzoek voor haar boek. Een klassiek Japans ontbijt, een theeceremonie in een kimono, een haiku van Bashō. Onder een foto van een monnik op de heilige berg Haguro staat het volgende onderschrift: ‘“Mysterious” doesn’t even begin to describe the atmosphere of this place, home to 1000-year old cedar trees, numerous shrines and waterfalls. #holymountain #natureworship.’

Met dit onbenullige zinnetje, die paar onbenullige hashtags, haakt er zich iets in de achterkant van mijn hersenen en laat niet meer los. Dit klopt niet, denk ik. Dit beeld klopt niet. Dit is het beeld dat we willen zien. Dit is het beeld wat wij, als westerlingen, van Japan gemaakt hebben. Met de kimono’s. Met de theeceremonies. Met de monniken die in diepe verbinding met een heilige berg staan. Maar het is niet waar, dat beeld. Het is een versimpeling. Een aftreksel. En bovendien lijkt het eerder invulling te willen geven aan onze verlangens dan een accuraat beeld te willen geven van een cultuur in al zijn verscheidenheid.

Er bestaat een syndroom dat blijkbaar geregeld onder Japanners voorkomt: het syndroom van Parijs. Het syndroom verwijst naar de schok die men kan ervaren wanneer het beeld dat iemand van de stad Parijs heeft niet spoort met de werkelijkheid. Waarom dit syndroom voornamelijk bij Japanners voorkomt, is omdat die soms een nogal kinderlijk beeld van de Franse hoofdstad hebben. Ik ben in Japan een keer in een Frans restaurant gaan eten en het was net alsof ik de Disney-versie van Frankrijk binnenliep. Kleine, knusse, ronde tafeltjes, waar je gemoedelijk een plat du jour of een confit de canard kunt eten met uitzicht op een muurschildering van de Eiffeltoren. Als je hoopt dat in Parijs te vinden en dan de stad zoals die echt is krijgt voorgeschoteld, met al zijn stank, lawaai en arrogante Fransen, kom je inderdaad behoorlijk bedrogen uit. Het schijnt zelfs dat de Japanse ambassade in Parijs een aparte afdeling heeft waar Japanners die met het syndroom kampen tot rust kunnen komen.

Zou het kunnen dat wij langzaam maar zeker een omgekeerd syndroom van Parijs aan het ontwikkelen zijn? Een syndroom van Tokio of Kioto, waar wij alles wat wij denken dat Japan behelst, spiritualiteit, mysterie, eeuwenoude wijsheid, in kunnen projecteren? En dat terwijl mij tijdens mijn reis eigenlijk nog het meest opviel hoe gewoon Japanners eigenlijk zijn. Hoe ze juist niet van ons verschillen. Ik herkende mezelf in de overwerkte mensen die ik daar op het ritme van de metro zag wegdommelen. Ik zag jongens en meisjes hand in hand over straat lopen of in het park picknicken, precies zoals ik dat ook zo vaak had gedaan. In het nachtleven dronken, riepen en kotsten Japanners er net zo lustig op los als Nederlanders of Belgen. Daar was niets bovennatuurlijks aan.

Maar toch blijft de verleiding groot om het wel te doen. Om Japan wel te mythologiseren. Toen ik daar op reis was, deed ik dan ook wat elke jonge schrijver die een indrukwekkende ervaring beleeft zou doen: er proberen iets over te schrijven. In de notities van mijn telefoon deed ik allerhande observaties over die o zo gekke Japanners en hun vreemde gebruiken. Tijdens een bezoek aan de Sensoji-tempel in Tokio noteerde ik bijvoorbeeld: ‘Vanop een bankje heb ik bijna een uur lang gekeken naar hoe de mensen hier hun geloof belijden. Dat gebeurt met een haast zakelijke doelmatigheid. Van de gewijde manie van de meeste monotheïstische godsdiensten is hier weinig sprake. Je komt aan, gooit een muntje in de collectebus, loopt naar het altaar, klapt een paar keer, buigt en dan zijn de goden blijkbaar al gerustgesteld.’

Ja, zo heb ik dat inderdaad ervaren. Zo kwam het op mij, een man, toen nog 26 jaar, geboren in Utrecht, wonende in Antwerpen, over. Maar wie zegt dat de Japanners die ik op dat moment observeerde het ook zo zagen? Wie zegt dat zij, wat ik als een zakelijke doelmatigheid zag, niet als diep spiritueel ervoeren? Misschien is wat ik voor zakelijkheid hield voor hen juist wel dé uiting van spiritualiteit. Misschien worden hier wetten of regels gevolgd, die ik vanuit mijn westerse denkkader helemaal niet kan zien of volgen.

In zijn essay Lofzang op de schaduw uit 1933 geeft Junichirō Tanizaki een inkijkje in de denkkaders die je als westerling mist, terwijl je je door Japan beweegt. Tanizaki vertrekt vanuit het ongenoegen dat hij voelde bij het inrichten van zijn huis. Uit gebruiksgemak had hij een westers toilet, westerse verwarming en elektrische verlichting laten installeren, maar nu hij erop terugkijkt, vindt hij dat deze elementen eigenlijk botsen met de verder Japanse inrichting van het huis. Aangestoken door deze afkeer van westerse gebruiksvoorwerpen komt Tanizaki ertoe dat er in het Oosten fundamenteel anders wordt gedacht over wat mooi en gebruiksvriendelijk is dan in het Westen. Daarbij worden donkerte en schemering in het Oosten telkens verkozen boven licht en helderheid. Hij komt met talloze voorbeelden: van de schoonheid van gelakt tafelwaar bij kaarslicht tot de voorkeur van Japanners en Chinezen voor jade boven diamant, tot zelfs het ochtendlijke pleebezoek, door de Japanse schrijver Natsume Sōseki omschreven als één van ’s levens ware geneugten, waarbij je in de schemering van de vroege ochtend, luisterend naar krekelgesjirp en vogelzang, gehurkt in gemijmer kunt verzinken. Telkens geldt weer: ‘We verkiezen in het Oosten diepe schemer boven oppervlakkige schittering.’

Dit heeft diepere consequenties dan je in eerste instantie misschien zou vermoeden. Het duidt namelijk niet alleen op een ander gevoel voor esthetiek, maar op een compleet andere manier van denken over het leven en de wereld. Dit wordt duidelijk als Tanizaki op een bepaald moment een radicaal gedachte-experiment met de geschiedenis uitvoert: ‘(…) indien het Oosten een eigen wetenschappelijke cultuur had ontwikkeld, geheel onafhankelijk van de westerse variant, hoe anders zou onze maatschappij er dan uitzien? Stel dat wij onze natuurkunde hadden gehad, en onze scheikunde… Zouden de daarop gebaseerde techniek en industrie niet een eigen ontwikkeling hebben doorgemaakt, en zouden er geen alledaagse gebruiksvoorwerpen, medicamenten of technische snufjes aan zijn ontsproten die beter pasten bij onze volksaard? Ik acht het zelfs niet uitgesloten dat de fysica en de chemie op andere beginselen gestoeld zouden zijn dan in het Westen, en dat alles wat ons thans wordt bijgebracht over de ware aarde en de eigenschappen van het licht, de elektriciteit of het atoom, er anders uit zou zien.’

Als zelfs ons begrip over de fysieke bouwstenen van onze wereld er door oosterse ogen compleet anders uit zou zien dan door westerse, wie zijn wij dan om te beweren dat we iets diepzinnigs over de Japanse cultuur te melden hebben? Tanizaki duidt in zijn Lofzang op de schaduw niet alleen de verschillen tussen Oost en West, maar drukt ons vooral op het radicaal anders-zijn van deze twee culturen. Een anders-zijn dat in zekere zin onoverbrugbaar is. Je kunt je inlezen, meekijken, misschien zelfs proberen er iets van proberen te leren, maar helemaal in de vingers krijg je het nooit. Je zal altijd buitenstaander blijven, hoe hard je ook je best doet. Dat is misschien maar goed ook, maar het is alleen jammer dat die ongrijpbaarheid nu ook net is wat de Japanse cultuur voor een westerling zo aanlokkelijk maakt.

Nadat ik op mijn reis door Japan De lofzang op de schaduw had gelezen, besloot ik een bezoek te brengen aan het huis van Tanizaki, dat inmiddels als museum is ingericht. Het lag op de terugweg naar Osaka vanuit het Himeji-kasteel, het laatste nog in originele staat verkerende samoerai-kasteel, waar ik mij hutje mutje met een berg andere toeristen door nauwe trapgaten had weten te persen. In tegenstelling tot Himeji ligt het huis van Tanizaki in een rustige woonwijk, niet ver van een nietszeggend stationnetje.

In het Tanizaki-museum is er buiten de kassajuffrouw niemand, zeker geen toeristen. Ik koop een kaartje en loop langs Tanizaki’s schrijftafel, zijn opgezette lievelingskat en een pocketuitgave van het Dagboek van een oude dwaas. In de zen-tuin met koikarpers begint het licht al langzaam achter het huis te verdwijnen en de schemering in te slaan. Ik ga op een bankje zitten en probeer mij voor te stellen hoe Tanizaki bij dit uitzicht over de verschillen tussen Oost en West nadacht. Maar mijn gedachten willen maar niet op gang komen. Ik weet even niet meer of ik met al dat voorstellen van hoe de mensen hier denken eigenlijk nog wel verder kom. Zou ik er niet beter aan doen eerst mezelf en mijn eigen cultuur wat beter te doorgronden, voor ik met die van een ander, aan de andere kant van de wereld, begin te pronken? Is dat niet al ingewikkeld genoeg?