Homeonep

Vanaf 1 januari 1997 moeten homeopathische geneesmiddelen worden geregistreerd. Maar de werkzaamheid hoeft niet te worden bewezen. Registratie of niet, ‘het is en blijft pure nep, volksverlakkerij!’
‘ZOALS HET ER nu naar uitziet, gaat de hele homeopathische branche op z'n gat’, zegt Harry de Vries, apotheker en secretaris van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. De leden van zijn vereniging gniffelen in hun knuisten bij het besluit om per 1 januari 1997 homeopathische geneesmiddelen te gaan registreren. Eindelijk zal het ‘geneesmiddelaanbod’ worden opgeschoond. Want als homeopaten de werkzaamheid van hun produkten moeten gaan bewijzen, komen zij in ernstige moeilijkheden. De werkzaamheid van homeopathische geneesmiddelen, zo menen zij, valt namelijk niet wetenschappelijk te bewijzen.

Producenten van reguliere geneesmiddelen moeten de werkzaamheid van hun produkten uitvoerig aantonen door middel van farmacologisch, toxicologisch en klinisch onderzoek. Nu zou het voor de hand liggen dat dezelfde regels ook gaan gelden voor de producenten van homeopathische middelen. Maar merkwaardig genoeg maakt het college ter beoordeling van geneesmiddelen, in navolging van de Europese Richtlijn, een uitzondering voor homeopathische geneesmiddelen. De Vereniging tegen de Kwakzalverij lijkt dus te vroeg te juichen.
Nederland voert met de registratie van homeopathische middelen de Europese richtlijn uit die in 1992 is vastgesteld. ‘Doel van die richtlijn is de gebruiker te beschermen tegen mogelijke schadelijke effecten van de middelen en de handelsbelemmeringen tussen de lidstaten weg te nemen’, zegt Walter Annard, woordvoerder van het ministerie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Homeopathische middelen zijn onderverdeeld in twee groepen, kort gezegd in gegarandeerd onschadelijke en mogelijk schadelijke middelen. Van geen van beide hoeft de producent de werkzaamheid aan te tonen op de manier zoals dat voor reguliere geneesmiddelen gebeurt.
Verder is vastgelegd dat alle extreem verdunde middelen uit de 'onschadelijke’ groep geen medische pretentie mogen hebben. Men mag bijvoorbeeld niet meer zeggen: 'Dit middel werkt tegen prostaatklachten’, maar moet het laten bij: 'Goed voor als u vaak moet plassen.’ Op de flesjes en potjes met dergelijke middelen mag niet meer 'homeopathisch geneesmiddel’ staan. Ook mag er geen bijsluiter bij zitten. De Vries, van de Vereniging tegen de Kwakzalverij: 'Want wat zouden ze daar dan in moeten zetten? “Dit produkt bevat géén werkzame bestanddelen”?’
De 'onschadelijke’ middeltjes zullen pas in 1999 officieel worden geregistreerd. De andere, 'mogelijke schadelijke’ middeltjes, die nu nog met een medische pretentie schermen, moeten voor 29 december dit jaar door de producenten worden aangemeld bij het college ter beoordeling van geneesmiddelen en krijgen dan een registratienummer. Produkten die niet aangemeld zijn, verdwijnen vanaf 1 januari 1997 van de schappen. Voor beide soorten middelen geldt bovendien dat op het etiket vermeld moet worden dat de werking niet wetenschappelijk is getoetst.
L.W. Von Hebel, secretaris van de Nehoma, een overkoepelende organisatie van vijftien fabrikanten van homeopathische, fythoterapeutische en antroposofische middelen: 'Er is ongelooflijk veel onrechtmatig materiaal op de markt, waarop staat dat het homeopathisch is terwijl het dat niet is. Veel produkten krijgen het stempel “homeopathisch” omdat dat goed verkoopt. Het is op het moment een ware jungle.’
Volgens M.D. Dicke, voorzitter van de Nehoma en tevens werkzaam bij VSM, een van de grootste producenten van homeopathische geneesmiddelen, verdwijnt naar alle waarschijnlijkheid tien procent van de homeopathische geneesmiddelen van de markt. 'Want als je moet betalen voor de registratie van je produkt, ga je als fabrikant selecteren.’ Dicke is positief over de hele operatie: 'Het unieke is dat nu de overheid zich ermee bemoeit, homeopathische geneesmiddelen eindelijk een erkende status krijgen.’
Maar hoe zit het nu met de werkzaamheid van de homeopathische middelen? Over de vraag of en hoe die te bewijzen valt, wordt al twee eeuwen lang gediscussieerd. Gevraagd naar de werkzaamheid verwijzen homeopaten steevast naar hun eigen praktijkervaringen en naar de tevreden patiënten. En ze kaatsen de bal terug door te zeggen dat de wetenschap maar moet komen met bewijzen dat het niet werkt.’
MAAR DAT IS DE omgekeerde wereld’, zegt professor Timmerman, farmacochemicus aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. 'De heer Dicke van de VSM heeft hier tegenover mij gezeten. Ik heb hem voorstellen gedaan voor onderzoek naar de werkzaamheid van zijn middeltjes, maar hij trok zich terug. Dus het verwijt van de homeopathische branche dat wij niets kunnen bewijzen komt voornamelijk voort uit het feit dat zij niet wìllen dat wij iets bewijzen. Bewijzen voor de werkzaamheid van homeopathische produkten zijn er dus niet. Het weinige onderzoek dat gedaan is, is nooit herhaald, terwijl het daar juist op aankomt: een medicijn moet bij een herhalingsonderzoek dezelfde uitkomst geven.’
Denkt Timmerman dat er nu veel middelen zullen verdwijnen? Bijvoorbeeld de produkten uit het assortiment van de beroemde, onlangs overleden Dokter Vogel? Veel van die produkten zijn immers niet homeopathisch, zoals erop staat, maar fythotherapeutisch, dat wil zeggen gebaseerd op planten, maar dan zonder extreme verdunningen. Bovendien komen ze niet voor in de homeopathische farmacopees ('receptenboeken’ waarin alle grondstoffen en bereidingswijzen van homeopathische geneesmiddelen staan). Timmerman schiet in de lach. 'Natuurlijk moet zoiets dan officieel van de markt, maar dat gebeurt niet. Minister Borst heeft openlijk toegegeven dat deze middelen op de markt zijn vanwege de dempende werking ervan op de kosten van de reguliere geneesmiddelen. Vasolastine bijvoorbeeld. Dat is een homeopathisch middeltje tegen vaatvernauwingen in de benen, een middeltje dat enzymen zou bevatten. Dat is onderzocht, maar er was geen enzym te vinden. Het was absoluut geen homeopathisch middel, want de homeopathie werkt niet met enzymen. Staatssecretaris Simons was tenminste zo dapper om te proberen het produkt uit de handel te halen. De homeopathische lobby is echter zo sterk dat dat niet lukte.’
A. van ’t Hof, pr-man van het bedrijf Biohorma, de producent van onder meer de Dokter-Vogelserie, komt op de vraag naar de bewijzen voor de werkzaamheid van zijn produkten aanzetten met onderzoeken die door de wetenschap al lang geleden ernstig zijn betwist. Op de vraag of hij ook niet vindt dat als het woord 'geneesmiddel’ op een potje staat, het middel ook daadwerkelijk moet genezen, volgt een lang stilzwijgen. Uiteindelijk biedt hij aan informatie op te sturen over een nieuw geneesmiddel van Biohorma. 'En komt u toch gerust kijken op onze presentatie, dan zult u wel overtuigd worden.’
'Het is maar net wat je onder een geneesmiddel verstaat’, aldus Emiel van Galen van het college ter beoordeling van geneesmiddelen. 'Een geneesmiddel is dat wat zich aanprijst als geneesmiddel, dat eruit ziet als geneesmiddel en dat de vorm heeft van een geneesmiddel. Dus druppels, pilletjes of poedertjes. Het is in principe mogelijk om appelstroop in een potje te doen en erop te zetten dat het glucose bevat en tegen hoofdpijn is en het dan als een geneesmiddel te verkopen. Wij houden ons niet bezig met de werkzaamheid van de homeopathische produkten.’
De grondlegger van de homeopathie, de Duitse arts Samuel Hahnemann (1755-1843) hield zich al evenmin bezig met het bewijzen van de werkzaamheid van zijn geneesmiddelen. In 1796 lanceerde hij zijn theorieën over de genezing van ziekten, die hij later de verzamelnaam 'homeopathie’ gaf. Dat Hahnemann in zijn tijd succesvol kon zijn, kwam vooral door de deplorabele staat van de reguliere geneeskunde. Van antibiotica en anesthesie durfde men nog niet eens het bestaan te vermoeden. Aderlatingen, bloedzuigers, het opwekken van braken, drastisch laxeren en zweetkuren bepaalden het aanzien van de toenmalige geneeskunde. De mainstream der geneesmiddelen bestond uit krokodillemest, menstruatiebloed, ingewandstenen van dieren en duizenden kruidenmengsels, middelen die reeds in de tweede eeuw waren opgetekend door Galenus. Verder was men bekend met de geneeskrachtige werking van bepaalde giftige stoffen, zoals kwik tegen syfilis en opium tegen pijn. De doktoren schreven vaak veel te hoge doses voor, met als gevolg dat de patiënt niet aan de kwaal maar aan het middel doodging. Al met al waren veel patiënten in de achttiende en negentiende eeuw beter af als zij door een homeopathische arts werden behandeld. Die liet de patiënt ten minste met rust.
Hahnemann had ernstige kritiek op de martelpraktijken van de reguliere geneesheren. Hij keurde de drastische therapieën af en vond dat de doktoren zich veel meer moesten richten op hun eigen onderzoek en ervaring. Teleurgesteld over het onbegrip waarop hij stuitte, trok hij zich terug uit de medische praktijk en legde zich toe op het vertalen van medische handboeken en het uitbroeden van zijn homeopathische theorieën.
HET FUNDAMENT VAN de homeopathie is de 'similia-regel’: 'Het gelijkende worde door het gelijkende genezen.’ Dit fundament berust, zo moet achteraf worden vastgesteld, op een foutieve beoordeling van Hahnemann. Na het innemen van kina, wat toen al succesvol werd toegepast als medicijn tegen malaria, kreeg hij malariakoortsen - zo dacht hij althans. Hij concludeerde toen dat als een gezond mens na een dosis kina 'malariakoortsen’ krijgt, dat de verklaring vormt voor de werking van kina bij malaria. Hahnemann bleek echter overgevoelig voor kina en kreeg dáárom die heftige reactie op het middel. Bij herhaling van de proef door anderen bleek dat niemand koortsen kreeg. Toch hield hij vol dat je een ziekte moet bestrijden met het middel dat bij gezonde mensen die ziekte opwekt.
Volgens Hahnemann berusten alle ziekten op een 'dynamische verstoring van de levenskracht’. Artsen moeten zich geheel en al op de symptomen richten en zich niet verdiepen in de oorzaak van de ziekte omdat die altijd voor hen verborgen zal blijven. De psychische verschijnselen van de zieke zijn het belangrijkst en daarop moet de keuze van het geneesmiddel zijn gebaseerd. Nauwkeurige ondervraging van de patiënt is essentieel, lichamelijk onderzoek niet. Hoe meer de effecten van een geneesmiddel lijken op de ziektesymptomen, hoe meer kans op succes.
Maar dat succes was er nagenoeg niet. Dus bedacht Hahnemann een nieuwe theorie: het verdunnen van de bestaande middelen, want dan zou een 'verborgen kracht’ te voorschijn komen. Hij noemde dit het 'potentiëren’ van het middel, wat simpel gezegd neerkomt op het schudden van droge planten met alcohol. Wat Hahnemann niet wist maar de huidige wetenschappers wel, is dat zijn geneesmiddelen zo extreem verdund waren dat zij uitsluitend uit oplosmiddel bestonden. Er was geen molecuul meer van de werkzame stof in te vinden.
Voor geen van zijn theorieën had Hahnemann bewijzen. Tot woede van zijn vakbroeders bleef hij zich beroepen op zijn ervaring. Toch had de profeet Hahnemann een aantal trouwe volgelingen en wordt hij ook tegenwoordig nog altijd vereerd. Na Hahnemanns dood hebben zijn leerlingen nog het nodige aan de leer gesleuteld. Een aantal homeopaten heeft zelfs verzoening met de reguliere geneeskunde nagestreefd.
Een belangrijke nieuwigheid van na Hahnemann is ook de uitbreiding van het similiabeginsel: elk medicament heeft in lage dosis (verdunning) een effect dat tegengesteld is aan dat van een hoge dosis. Anti-kwakzalver De Vries slaakt een diepe zucht. 'Het is gewoon het bijgeloof van de nieuwe wereld, die homeopathie. Het zou al te prachtig zijn wanneer je door schoksgewijze verdunning de omgekeerde werking van een middel zou kunnen bewerkstelligen? Stel je voor dat je koffie eindeloos zou verdunnen en dan een slaapmiddel zou overhouden. Of dat je valium verdunt tot je een opwekker overhoudt. Ons drinkwater is eigenlijk ook een homeopathisch middel. Alles wat iedereen slikt komt via urinewegen in extreme verdunningen in ons drinkwater terecht. Valium bijvoorbeeld zit ook in ons drinkwater. (Lachend:) Vandaar dat we in zo'n hectische maatschappij leven!’
NIETTEMIN HEEFT de homeopathie anno 1996 een stevige marktpositie en kan de reguliere geneeskunde er niet meer omheen. In de homeopathie gaat zo'n 200 miljoen gulden om. Doordat veel middeltjes spotgoedkoop zijn om te maken is het voor de producenten goed verdienen in deze branche. Uit een recente Nipo-enquête blijkt dat vrouwen meer in homeopathie zijn geïnteresseerd dan mannen, jongeren meer dan ouderen en hogere sociale klassen meer dan de lagere. Verder antwoordde 52 procent van de ondervraagden dat ze misschien zullen overgaan tot het gebruik van homeopathische middelen wanneer ze geregistreerd worden. Er zit dus nog een flinke groei in de markt.
Van de producenten is bekend dat ze weinig geld besteden aan research en veel aan grootschalige reclamecampagnes. De Vries: 'Het is een het bekende sneeuwsbaleffect. Mensen zien een advertentie voor een of ander homeopathisch middel. In de advertentie staat: verkrijgbaar bij uw apotheek. De patiënt moet voor een vergoeding echter eerst naar de dokter. Deze wil van het gezeur af zijn en schrijft een receptje uit. Dat geeft het middel een betrouwbaar sfeertje. De overheid vindt het goed, de verzekeringsmaatschappij vergoedt het toch wel, de dokter schrijft het voor: dan moet het wel okee zijn. Maar zo werkt dat niet.’
De Vries kreeg boeken, tijdschriften en zelfs een videoband met de titel Verhoog je weerstand en scoor! van de homeopathische fabrikanten toegestuurd. Boos kwakt hij alle tijdschriften stuk voor stuk op tafel. 'Hier, het blad Gezondheidsnieuws: “Homeopathie bevordert herstel na operatie”, wat een onzin! Niets van die beweringen is bewezen. Het is pure nep, volksverlakkerij!’ roept hij uit.
Onderzoek heeft aangetoond dat homeopathie vooral wordt aangewend voor onschuldige klachten die vanzelf weer overgaan, zoals verkoudheid, griep, spierpijn of bronchitis. De genezing wordt dan ten onrechte aan het middel toegeschreven. De homeopathie speelt in op de tweeslachtigheid van de zieke, die wel het idee wil hebben dat hij iets aan de ziekte doet, maar het inschakelen van een dokter niet nodig vindt en er ook niet te veel geld aan wil uitgeven.
Die houding kan echter gevaarlijk zijn wanneer het niet om onschuldige klachten gaat. De Vries noemt een extreem voorbeeld van een man die niet goed kon plassen. Hij kocht een homeopathisch middel, dat hij gedurende lange tijd gebruikte, maar zijn klachten namen niet af. Toen hij uiteindelijk toch maar naar de dokter ging, bleek hij prostaatkanker te hebben in een terminaal stadium.
'Maar dat soort gevaren is niet het enige waar ik tegen strijd’, vervolgt De Vries. 'Schreef Vogel in zijn Kleine dokter nog over gemalen stierenballen die op de rug gesmeerd dienden te worden, een natuurgenezer bij mij uit Heerenveen maakte het nog bonter. Deze man maakte een middel tegen impotentie, een “auramiddel”. Samenstelling: het sperma van zeven gezonde mannen vermengd met allerlei kruiden. Bereidingswijze: drie etmalen bij volle maan laten staan, afgedekt door een rood papiertje.’
De Vries, concluderend: 'Als het inderdaad zo is dat producenten voor de registratie van hun produkten niet de werkzaamheid ervan hoeven aan te tonen, dan is die hele registratieprocedure één grote farce.’