The Simpsons Movie

Homer is een held

The Simpsons Movie laat zien dat de beroemde, getekende figuurtjes iets goeds in de mens vertegenwoordigen. Iets wat wij kijkers herkennen, of willen herkennen.

In Engeland heersen de Simpsons, nog véél meer dan Harry Potter, de Beckhams, de Windsors of Kate Moss. Het gele getekende gezinnetje uit Springfield is overal, om te beginnen op de South Bank in Londen, waar een gigantische Homer met een reuzendonut op de achterkant van de Imax-bioscoop prijkt, vlak naast nota bene het British Film Institute. En verder op strips en dvd’s, op koffiebekers, T-shirts, schooltassen, honkbalpetten, slippers, sloffen en – nog wel het banaalst – op de keukenrol in het huis waar ik verbleef. Deze overdaad aan Simpsons blijkt mijn zoontjes, twee Bart-achtige figuurtjes van 5 en 9 jaar oud, perfect te passen. Want tot mijn verbazing vallen zij als een blok voor The Simpsons Movie.

Voor mij zat de grote aantrekkingskracht van The Simpsons altijd in de slimme satire, de politieke grappen, de heerlijke zelfspot en de talrijke verwijzingen naar films, tv-series, sterren en sport. Maar nu blijkt dat de evolutie van The Simpsons een stap verder is gegaan en de serie een universele betekenis heeft gekregen. Het hoofd van Bart of Homer heeft nu over de hele wereld een iconische waarde, bijna als dat van Mickey Mouse, Kuifje of Charlie Chaplin. Dat blijkt eens te meer in The Simpsons Movie, waarin behalve de allegorische betekenissen vooral de slapstick – die zich tegen de achtergrond van kleurrijke breedbeeldtaferelen voltrekt – cruciaal in de plezierbeleving blijkt te zijn.

Maar slapstick fuseert hier met satire. Dat is goed te zien in de favoriete scène van mijn zoontje: Homer daagt Bart uit naakt door de straten naar het winkelcentrum te skateboarden. Bart doet het, de camera volgt hem. Hij zoeft langs van alles en nog wat. Telkens komt er een object tussen Barts piemel en de lens. Als onderbroekenlol is dit hilarisch, maar de scène is tegelijkertijd een commentaar op de normen en waarden van de preutse Amerikaanse en Britse kijkers. Wanneer Bart langs een heg skateboardt waarin plots een opening verschijnt, zien we toch zijn geslachtsdeel! Popcorn vliegt door de lucht. De zaal ligt plat.

The Simpsons is en blijft een situation comedy, ook als speelfilm. Dat de serie al sinds 1987, toen Matt Groening (schepper) en Albert Brooks (producent) een Simpsons-_fragment voor _The Tracy Ullman Show maakten, een constant niveau van populariteit en kwaliteit handhaaft, is eigenlijk uniek. De sitcom is een vorm van televisie die immers praktisch uitgestorven is. Na het einde van Seinfeld, een paar jaar geleden, is The Simpsons de laatste van de grote, literaire sitcoms. Dat is niet aan Matt Groening te danken, maar aan Albert Brooks. Brooks was in de jaren zeventig de man achter de beste sitcoms aller tijden: The Mary Tyler Moore Show, Lou Grant en Taxi. Briljante televisie, omdat de personages herkenbaar zijn, de dialogen hilarisch en de verhaallijnen door en door relevant. Interessant is dat in alle drie series een soort Homer-personage voorkomt: Lou Grant in Mary Tyler Moore en Lou Grant en Louie, gespeeld door de inmiddels beroemde Danny de Vito, in Taxi. Net als Homer hebben deze drie mannen van middelbare leeftijd een op het oog weerzinwekkend karakter. Ze vloeken en tieren en zijn nog lelijk ook. Maar dat is slechts uiterlijke schijn. Net als Homer hebben Lou Grant en Louie een hart van goud.

De mix van weerzin en aantrekking is cruciaal. De Britse komiek Ricky Gervais – een grote fan van The Simpsons – heeft het vaak over eerlijke comedy, comedy die uit het hart komt, uit, in zijn woorden, een ‘zachte, warme plek’. Gervais zegt dat hij juist deze benadering gebruikte tijdens het scheppen van zijn David Brent, de baas in The Office. Gervais’ grote voorbeeld is evenwel iemand anders: de geniale Leonard Rossiter, ster van de jarenzeventigsitcom The Fall and Rise of Reginald Perrin. Perrin, Engelsman uit de middenstand, kampt met een midlifecrisis, wat hem tot een in potentie onaangenaam personage maakt. Maar door uitstekende dialogen en het briljante acteerwerk van Rossiter verovert Reggie Perrin het hart van de kijker. Reggie is een schoft, een sukkel, maar je houdt van hem. Zo was Perrin de grote voorloper van David Brent én Homer Simpson.

Dat op het oog weerzinwekkende personages als Homer, David Brent en Reggie Perrin toch de sympathie van de kijker krijgen, zegt iets over de moderne populaire cultuur. Het is alsof de makers van deze series, met afleveringen die bijna altijd een happy end hebben, willen zeggen: de wereld is wreed en corrupt en gewelddadig, maar uiteindelijk zit er toch iets goeds in de mens. Hoezeer Homer ook uit egoïstische motieven lijkt te handelen, door bijvoorbeeld de hond van het gezin te laten verhongeren, terwijl hij zich te goed doet aan bier en donuts, uiteindelijk waagt hij toch zijn leven om dezelfde hond te redden – een hond, dat moet gezegd, met de geweldige naam Santa’s Little Helper.

Santa’s Little Helper is het middelpunt van de aflevering ‘Dog of Death’, waarin Mr Burns, eigenaar van Springfields constant falende atoomcentrale, Santa’s Little Helper laat hersenspoelen, opdat hij een woeste wachthond wordt. Beulen van Mr. Burns nemen de arme hond te grazen als in Stanley Kubricks film A Clockwork Orange: ze laten hem met geforceerd opengesperde ogen kijken naar gewelddadige beelden begeleid door klassieke muziek. Maar Homer en Bart komen hem redden. En de rode draad wordt duidelijk: machtige, rijke autoriteitsfiguren zorgen voor al het kwaad in het leven, terwijl de arme sloeber en zijn zoontje nobele karakters blijken. Homer en Bart verpersoonlijken het beste in de mens.

Cheap laughs domineren in de bioscoop in Engeland. Hier komt er nog één: Homer en zijn gezin ontsnappen aan boze, moordlustige inwoners van Springfield door in een rioolput te springen en aan de andere kant van een grote glazen koepel, die de regering over Springfield heeft laten plaatsen, eruit te kruipen. Als Homer in het gat springt, is hij zo euforisch dat hij beide middelvingers naar zijn achtervolgers opsteekt. Maar dan komt hij door z’n dikke buik vast te zitten in het gat! Naast mij rolt mijn ‘Bart’ over de grond van het lachen.

Toch is het niet alleen goedkope humor, het is vooral slimme, geëngageerde humor. De Simpsons vluchten voor hun leven, omdat Homer bergen poep van zijn troetelvarken in de brandschone rivier van Springfield heeft gedumpt. Vervolgens geeft het Witte Huis, waar president Schwarzenegger inmiddels de scepter zwaait, opdracht Springfield te isoleren en daarna met een atoombom van de kaart te vegen. Homer verruilt zijn stadje voor Alaska, totdat Marge last van schuldgevoelens krijgt en besluit met Bart, Lisa en Maggie terug te keren.

Homer raakt in een gewetenscrisis: zoals in veel afleveringen in de serie moet hij kiezen tussen zichzelf en zijn gezin. In een prachtige sequentie, die veel complexer is dan ze lijkt, gaat hij bij een sjamaan te rade. Homer krijgt een drug toegediend en gaat dromen. In zijn droom valt zijn lichaam in stukken uiteen, terwijl hij peinst wat te doen: in het idyllische Alaska blijven of terugkeren naar Springfield. Als Homer kiest voor terugkeren, wordt zijn verscheurde lichaam weer een geheel. De symboliek is, geheel passend bij een getekend werk, plastisch en overduidelijk: wanneer Homer lichamelijk en geestelijk weer ‘heel’ is, is hij gereed om een held te worden.

In het proces kristalliseert een onverwachte betekenis uit. Ondanks alles – het egoïsme, de uniciteit en de ‘iconiciteit’ van de personages – bestaat het individu in The Simpsons slechts als onderdeel van iets groters, eerst van het gezin en daarna van de maatschappij. Homer en Bart en de rest kunnen slechts gelukkig zijn, sterker, ze kunnen slechts overleven, wanneer ze deel uitmaken van een groter geheel. En als ze een bijdrage leveren aan dat geheel. Misschien is dit wat Ricky Gervais bedoelt als hij praat over het ‘goede’ in personages als Homer of David Brent. Want zorg dragen voor het welzijn van een groep is eigen aan het genre; dat was ook al het geval in de grote sitcoms als Mary Tyler Moore en Seinfeld, waarin surrogaatgezinnen, in de vorm van respectievelijk kantoorpersoneel en een vriendengroep, uiteindelijk belangrijker zijn dan de personages zelf. Daarom waren de laatste beelden van Seinfeld zo boeiend: de vrienden die op het perron in de New Yorkse metro elkaar vaarwel toeroepen en zo het clubje – en de hele serie – laten exploderen.

Dat wil niet zeggen dat Homer en de grote sitcoms het een of andere socialistisch-marxistische droombeeld representeren. Integendeel, Springfield is een consumentenparadijs waarin mensen elkaar om zeep helpen voor een donut of een biertje. Maar het is wel duidelijk dat deze simpele, getekende figuurtjes uiteindelijk iets goeds in de mens vertegenwoordigen, iets wat wij, kijkers, herkennen of op z’n minst willen herkennen. En daarom kijken we, uit hoop.