Film

Homeros in Hollywood

Film: ‹Troy› van Wolfgang Petersen

De acteur Brad Pitt heeft qua uiterlijk iets goddelijks: haar dat door de zon gebleekt lijkt en een lichaam dat bijna gebronsd is, met blinkende spieren en een wasbordbuik, bijna het lichaam van een fictieve superheld. Dat komt Pitt goed van pas in Troy, Wolfgang Petersens interpretatie van Homeros’ Ilias. Hij speelt Achilles, maar dan op een flitsende manier. Hij zet de dappere Griekse held neer als een beeldschone, ijdele krijger die de liefde bedrijft totdat hij erbij neervalt en moordt net zo lang hij voor zichzelf een plaats in de mythologie heeft verzekerd.

Om duidelijk te zijn: voor velen zal Troy vloeken in de kerk zijn. Dat kan bijna niet anders als men in Hollywood een monument van de Europese literatuur onder handen neemt. En het resultaat liegt er ook niet om: het script is gespeend van literaire diepgang en de dialoog is mierzoet. Bij vlagen is het alsof personages uit een soap met elkaar praten, en niet figuren uit een groot meesterwerk van de westerse beschaving.

Toch is Homeros in Hollywood niet helemaal een vreemde eend in de bijt. De Ilias en de Odyssee zijn gietvormen van de moderne verhaalkunst. Juist voor Hollywood is de Griekse mythologie een vruchtbare voedingsbodem gebleken voor het creëren van nieuwe, Amerikaanse goden en godinnen en helden en schurken. Zo valt Achilles te beschouwen als een archetype van de westernheld: een stille, gewelddadige antiautoritaire figuur met gevoel voor rechtvaardigheid. Door deze constante wisselwerking tussen populaire cultuur en klassieke literatuur is het onverstandig een «verantwoorde» verfilming van de Ilias te verwachten. Troy is geen literatuur. Het is een film, en ook nog een mooie film.

Regisseur Petersen, vooral bekend van de schitterende Duitse duikbootfilm Das Boot (1981), bouwt het verhaal zorgvuldig op. Paris (Orlando Bloom) ontvoert Helena (Diane Kruger) waarna de legers van de Grieken, onder aanvoering van Agamemnon (Brian Cox) en die van de Trojanen van koning Priamus (Peter O’Toole) tegenover elkaar komen te staan. De oude O’Toole is geniaal als de koning die zijn zoon verliest terwijl zijn koninkrijk voor zijn ogen in rook op gaat; Cox is een weergaloze, maniakale Agamemnon, en Eric Bana speelt perfect de rol van Hektor, de krijger die een nobele dood op het slagveld sterft.

De grote kracht van de film ligt in de epische vechtscènes. Net als in de Lord of the Rings-films zijn de veldslagen computer gestuurd. Maar dit is het verschil: gingen de eindeloze gevechten al bij de tweede Rings-film vervelen, in Troy weet Petersen het geweld een menselijke dimensie te geven. De actie is schitterend gechoreografeerd. Tijdens de tweestrijd tussen Achilles en Hektor overheerst het gevoel dat het geweld niet vrijblijvend is, maar dat het tot verminking en de dood leidt.

Niemand die beter verminken en doden kan dan Achilles, de Playgirl-halfgod. Voor dit «spel» spreidt hij grimmig enthousiasme ten toon, alsof geweld het enige is waar hij voor leeft. En de goden leggen hem ook geen strobreed in de weg. Sterker, zij zijn helemaal afwezig in Troy. Anders dan bij Homeros zijn de goden hier blijkbaar machteloos om het verloop van het verhaal te beïnvloeden. Dat verbaast niet eens. In deze wereld heeft Zeus of Ares of Apollo niets te zoeken. Hier heerst de held, de superster acteur met het hemelse lichaam. Zo ontstaat er een symbiotische relatie tussen Pitt de filmster en Achilles het personage, alsof hun allebei hetzelfde lot wacht: onsterfelijkheid.

Te zien vanaf 13 mei