Hommage aan Da Vinci

Gino de Dominicis geeft met zijn Tentativo di volo uitdrukking aan het onverwoestbare geloof dat echte kunstenaars hebben: dat niets onmogelijk is.

In de werkplaats van een beeldhouwer is het rommelig, met de meester onder het stof van het gebeitel in het harde marmer. Van een goed gesprek kan er bij dat rumoer geen sprake zijn. Daarentegen zit de schilder in elegante kleren achter zijn ezel, in zijn atelier, onderwijl ook converserend met een bezoeker. In een hoek van het stemmige vertrek kan een page op een luit spelen. Dat, ongeveer, schreef Leonardo da Vinci in een tekst over hoe nobel schilderen was. Als ik vroeger Gino de Dominicis nog wel eens trof in Rome (voor zijn veel te vroege dood in 1998) moest ik daaraan denken. Ongetwijfeld zal het ook door de romantisering van hun levensloop komen dat wij Leonardo nu als de verfijnde kunstenaar zien en zijn jongere rivaal Michelangelo toch als driester of rebelser in karakter - hoewel, als je hun kunst bekijkt, is er best merkbaar verschil in bekoorlijkheid. Vasari maakte, bijvoorbeeld, ook gewag van Leonardo’s bevalligheid, in kunst en manieren, die kennelijk opvallend was. Maar Gino was zo precieus in zijn artistieke gedrag dat het bijna theater werd. Op een dag vertelde hij, met die lepe glimlach waarbij je nooit wist of hij de waarheid sprak, dat hij zojuist bij een antiquair een paar mooi gevormde, barokke kandelaars had gekocht - voor zijn discrete appartement waar niemand kwam maar waarin hij ook werkte, om daar ook bij kaarslicht te kunnen schilderen. Hij voegde eraan toe dat de meesters van vroeger hun meesterwerken ook zonder elektrisch licht gemaakt hadden. Alsof die niet goddelijk mooi waren. Daarbij heeft hij zeker ook aan Leonardo gedacht: hoe die in bijvoorbeeld de twee versies van de Madonna tussen de rotsen in de weer was met het wankele schemerlicht in dat tafereel. Dat die schilderijen grotendeels bij daglicht geschilderd waren, kwam bij Gino niet op. Daarvoor was hij te veel een nachtmens; en eigenwijs als een kunstenaar bovendien.
In het videowerk Tentativo di volo, een vroeg werk, zien we Gino, van achteren, op een rand van een stuk rots ergens in een Romeins landschap. Kennelijk staat hij na te denken. Dan horen we zijn stem: Misschien omdat ik zwemmen kan, besloot ik te leren vliegen. Sinds drie jaar herhaal ik deze oefening… Het is mogelijk dat ik mijn doel nooit bereik. Maar wanneer ik mijn zoon ertoe kan overhalen door te gaan met deze oefeningen en zo ook de zonen van mijn zoon, dan zal misschien een van mijn nakomelingen op een dag ontdekken dat hij weet hoe hij moet vliegen. Vervolgens laat hij zijn oefeningen zien. Hij gaat op een heuveltje staan, strekt zijn armen uit, maakt vliegbewegingen door steeds sneller met zijn armen rond te draaien, iets door de knieën te zakken, en ten slotte van het heuveltje af te springen. Hij herhaalt dit vijf maal. Oefening baart kunst. Dat laatste is precies wat we hem dan zien doen. Hij wappert met zijn armen, zet zich knielend, springt, en verdwijnt in de diepte die niet diep is want direct daarna zien we hem over de rand kruipen. Enzovoort. Ik vind dit werk ten diepste ontroerend, omdat het een uitdrukking is van het onverwoestbare geloof dat echte kunstenaars hebben - dat niets onmogelijk is, dat alles moet kunnen, dat je in wonderen moet geloven. Zeker: oefening baart kunst. Maar behalve dat is deze Tentativo di volo natuurlijk ook een onuitgesproken hommage aan Leonardo van een jonge collega van toen net in de twintig. Mooi is, in dit verband, ook de verwijzing naar het zwemmen.
Leonardo probeerde het geheim van het vliegen te doorgronden. Dat was een van de obsessies die het kijken naar de natuur hem had toebedeeld. Hoe kan het dat lichamen in water niet zinken en zich ook nog kunnen voortbewegen? Door de lucht valt alles naar beneden, maar vogels kunnen met hun vleugels blijven vliegen. Zwemmen op het water leert de mens hoe vogels dat doen op de lucht, schreef hij in een kleine verhandeling over de vlucht van vogels. Op - want hij zag water en lucht als dragers. Zo had hij dat kunnen zien bij het kijken naar vogels en zwemmers in het water. Hij begon te onderzoeken hoe vleugels in elkaar zitten, en of je die kon namaken en bruikbaar voor mensen. Maar Gino was radicaler: hij wilde kunnen vliegen zonder vleugels. Zoveel jaar na de eerste vlucht van de gebroeders Wright in 1903 kon je met aangegespte vleugels niet meer aankomen. Gino geloofde ook nooit wat mensen beweerden. Als kunst de verbeelding op gang brengt, kan alles.
In het Castello di Rivoli, in 1984, stond er een vergulde, metalen staaf, vijf centimeter in doorsnee, hoog tot aan het plafond en van onderen toegespitst als een naald, op die punt recht overeind te balanceren op een stuk steen. Het wonder: het onmogelijke was zichtbaar gemaakt - de staaf viel niet om. Natuurlijk werd het ding overeind gehouden door een zeer sterke magneet die in het plafond verborgen zat. Maar die zag je niet. Later heb ik hetzelfde ding wel geïnstalleerd gezien maar dan, uit gemakzucht, aan een dun nylon draadje naar beneden hangend, met de punt net aan de vloer. Kunst heeft het moeilijk genoeg, een wonder vervalsen gaat dus niet aan. Het wonder moet wel echt zijn.