Profiel Een blonde jongen in een houtje-touwtjejas

Hommage aan Rudy Kousbroek

Kousbroek (1929-2010) was een van onze grootste essayisten. Hartstochtelijk en glashelder, geestig en nijdig, bewonderend en wanhopig schreef hij over zulke uiteenlopende fenomenen als verliefdheid, aaibaarheid, het geheugen en Nederlands-Indië, het land van zijn jeugd. Een jaar na zijn sterven gedenken wij zijn veelzijdige oeuvre met een speciale boekenbijlage.

Medium marja opening r car

Op 4 april 2010 overleed Rudy Kousbroek, al weer bijna een jaar geleden. Wat maar weer bewijst dat iedereen op een dag de sigaar is, ook diegene die daar misschien zo zijn twijfels over had en schreef: ‘De dood bestaat nu al zo lang en nooit is er iets over uitgelekt. Je leest, of hoort, uit de eerste hand, alleen maar over ontsnappingen eraan (…).’ Het heeft bijna iets lelijks, om zijn graf een jaar na dato nog maar eens aan te stampen met herdenkingsstukken, maar als het alternatief het grote zwijgen is, dan is de keuze snel gemaakt. Sterven laat geen sporen na op de omgeving, schreef hij ook. 'Ik kan niet in een oud huis komen zonder in elke kamer te denken: wie zou hier zijn doodgegaan?’ Om er onmiddellijk aan toe te voegen: 'Zoals ik ook nooit kan nalaten mij af te vragen: wie hebben hier de liefde bedreven?’
De dood en de liefde, daartussen bewogen zich zijn persoon en zijn werk, zij het vol overtuiging overhellend naar de liefde. Voor ons, en dan plaats ik mezelf maar even in de generatie van de opgroeiende lezers in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, betekenden zijn essays, onder meer verzameld in opeenvolgende bundelingen van zogeheten Anathema’s, een revelatie. Dat een op zich bêta-georiënteerde figuur zo ostentatief en zonder terughouding kond kon doen van zijn liefde voor mens, dier en machine, zo durfde te zwelgen in sentiment en tranen, zo kón zwelgen ook in sentiment en tranen zonder dat zijn stukken er dom, sentimenteel of kitscherig van werden, daarop paste slechts bewondering, instemming, nadenken. Kousbroek was de Slauerhoff van de essayisten: technisch, romantisch, onverzadigbaar en driftig. Wij, jaren zeventig, tachtig, hielden namelijk ook erg van Slauerhoff, ook al was die al lang dood. Er liep wat ons betreft - voorzover ik heb kunnen nagaan heeft Kousbroek nooit geschreven over Slauerhoff, en omgekeerd kan niet - een rechte streep van de ongrijpbare, oosters angehauchte, grillige verhalen en romans van marconist/schrijver/dichter Slauerhoff naar de glasheldere, o zo persoonlijke en lucide essays van wiskundige/essayist/dichter Kousbroek.

Al moet dat 'wiskundige’ wel meteen tussen aanhalingstekens worden gezet, want na drie jaar hield Kousbroek de studie voor gezien. Maar laat ons bij het begin beginnen. Van niemand hield Kousbroek zo veel als van zijn vader. Een mededeling die heel wat minder consternatie wekt dan als je die letterlijk tot je neemt in een stuk in NRC Handelsblad ruim tien jaar geleden, gewijd aan een toegezonden krantenknipsel uit 1920 waarin de veiling wordt aangekondigd van het huisraad van 'H.R. Kousbroek’, de vader-ván. 'Van niemand heb ik zoveel gehouden als van hem’, schrijft Kousbroek hierin dus. Rond dezelfde tijd schreef hij over hem bij een foto in het essay Terug naar Ithaca, opgenomen in Het raadsel der herkenning (2007): 'Ik vind alles aan hem mooi (…).’

Wat een verademing, een zoon die zonder omwegen van zijn vader houdt, al moet hierbij misschien meteen gezegd worden dat de vader bij Kousbroek de verpersoonlijking was van het land waar hij werd geboren en opgroeide en dat uitgroeide tot een bron van heimwee en verlangen. Een van de bronnen.

Herman Rudolf Kousbroek werd in 1929 in Pematang Siantar, op de oostkust van Sumatra, in toenmalig Nederlands-Indië, geboren. Zijn vader was planter. Vanaf zesjarige leeftijd zat hij op een kostschool in Siantar en vier jaar later in Brastagi, dat na de inval van de Japanners tot interneringskamp werd getransformeerd. In de Tweede Wereldoorlog zat hij in diverse Japanse kampen, eerst samen met zijn moeder, en vanaf 1943 in een mannenkamp met zijn vader. Hij was vijftien toen hij in het kamp Si Rengo-Rengo geïnterneerd was, midden in de jungle. In 1946 vertrok het gezin naar Nederland, waar Rudy, enig kind, zijn hbs-opleiding afmaakte aan het Amsterdams Lyceum, en waar hij vriendschap sloot met Remco Campert. Samen richtten ze in 1949 het poëzietijdschrift Braak op. Hij was wiskunde gaan studeren, maar schreef ook gedichten; rond 1950 kwamen er twee dichtbundels van hem uit. Daarna zou hij alleen nog bij gelegenheden gedichten schrijven, omdat hij bang was nooit de middelmaat te kunnen overstijgen. Na drie jaar stopte hij met de studie en vertrok naar Parijs, waar hij terecht kwam in de kringen van de jonge Cobra-schilders en kennismaakte met Lucebert, Simon Vinkenoog en Hugo Claus. Ook ontmoette hij daar de 23-jarige Amerikaanse literatuurstudente Ethel Portnoy. Met een Fulbright-beurs was die een paar jaar ervoor naar Parijs gekomen, om op een zonnige oktoberochtend in het Musée de Cluny 'een blonde jongen in een lichtbruine houtje-touwtjejas’ tegen het lijf te lopen. Dat wil zeggen: hij achtervolgde haar zo'n beetje, dook iedere keer in haar nabijheid op. 'Hij vertelde dat hij een Hollander was’, schrijft ze in Annus mirabilus, het openingsverhaal van Parijse feesten (2004), 'een verrassing want hij leek helemaal niet op wat ik me bij een Hollander voorstelde, grof en aanmatigend (…). Hij schreef gedichten. Ik was ook schrijfster. Hij publiceerde een literair tijdschrift. Ik had net mijn eerste verhaal in zo'n soort blad gepubliceerd! En ik had ook gedichten geschreven. O, die wilde hij graag zien.’

De rest is geschiedenis: zij gaf hem haar gedichten ter lezing, die hij vervolgens in de taxi liet liggen, maar het kwam toch nog goed. 'Hij smeekte om vergiffenis en die schonk ik.’ Al heel snel trouwden ze, met als getuige Remco Campert, 'in vodden gehuld’. Kousbroek was Japans en Chinees gaan studeren aan de École Nationale des Langues Orientales, maar maakte ook deze studie (net) niet af. Daarnaast werkte hij bij het theaterinstituut van de Unesco en begon te schrijven voor de toenmalige Haagse Post, over van alles, film, moderne kunst, literatuur. Een goeie leerschool, zoals hij later zou zeggen. In Vrij Nederland en het Algemeen Handelsblad begon hij in de jaren zestig polemische essays te publiceren, die hij 'anathema’s’ noemde, naar het Oud-Grieks dat letterlijk 'het opgestelde’ betekent. Het eerste van in totaal negen delen Anathema’s verscheen in 1969. Onmiddellijk vielen op, naast de breedheid van de thematiek, de stilistische brille, de polemische inzet en de sterke persoonlijke toon. Gerrit Komrij maakte in een kritiek op een van de eerste bundels een vergelijking tussen Kousbroek en Multatuli. Hij zag overeenkomsten, zowel in de stijl als in de thematiek, maar vond Kousbroek in vergelijking met de agressieve Multatuli 'ijzig kalm’.

Kalmte is niet direct de kwalificatie die in mijn hoofd opkomt voor de wijze van essayeren van Kousbroek, ook niet bij herlezing, maar er is wel sprake van een zekere mate van onthechtheid waardoor je nooit het idee hebt dat Kousbroek ten onder gaat in de turbulenties van zijn tijd. Niemand die schijnbaar zo autonoom vragen kan opwerpen om die vervolgens op onnavolgbare, semi-logische wijze te beantwoorden.
Zou Beethoven nog gelezen worden als hij een schrijver was geweest?
Wat zou er gebeuren als men heel snel leefde?
Hoe treur je om een vis? (Aanverwant: kun je van een vis houden?)
Zijn wiskundige inzichten uitvindingen of ontdekkingen?
Hoe zie je de wereld als je niet kijkt?

Die laatste vraag staat centraal in wat mij betreft een van zijn mooiste essays, De sluier uit Het meer der herinnering (Anathema’s 5, 1984), waarin hij heel precies de sensatie vastlegt dat plotsklaps door iets, 'onder onopgehelderde omstandigheden’, de sluier voor je geheugen wordt weggetrokken en een verloren gewaand gevoel hervonden wordt. Over een 'herinnerd ruiken’ heeft hij het elders. Sowieso is Kousbroek onovertroffen in het beschrijven van moeilijk onder woorden te brengen fysieke sensaties, zoals verliefdheid, het gevoel van 'lege armen’ te hebben, de betovering, het andere licht, het zinkende hart. Bij Kousbroek draait alles om verliefdheid, en anders is het er wel toe te herleiden. Zo vindt hij het zwakke punt van de meeste theorieën over kunst dat er geen verband wordt gelegd tussen iets mooi vinden en verliefdheid. En vraagt hij zich af - sterker nog: hij noemt het een van de voornaamste wereldraadsels - hoe het komt dat grote aantallen mensen geen enkele behoefte hebben aan kunst, en blijkbaar geen enkele hinder hebben van lelijkheid. 'Zijn zulke mensen ooit verliefd geweest?’
Hij hield van vrouwen ('ik wil niet vergeten, nooit iemand verliezen; ik wil ze allemaal, allemaal tegelijk en voor altijd’), en had een teder oog voor de onderlinge variëteit van het vrouwelijk geslachtsdeel. De opsomming en karakteriseringen daarvan in Ode aan de Ypsilon uit De vrolijke wanhoop (Anathema’s 8, 1993) - van klein knaagdier tot pareloester, van washandje tot scheerkwast, en daarbij dan ook nog eens karakterologisch geduid van barmhartig tot verlegen, vastberaden en vlijtig 'als een kind dat zijn best doet met de tong tussen de lippen’, evenaren zijn originele liefdesverklaringen aan 'het meest aaibare wezen der schepping’, oftewel de kat. En dan wist hij ook nog vele katten en twee bijzondere vrouwen zo'n beetje een leven lang aan zich te binden. Twintig jaar woonden en werkten Kousbroek en Portnoy in Parijs; ze kregen een dochter en een zoon. In 1970 verhuisden ze naar Nederland. Hij werd redacteur van NRC Handelsblad en schreef bijdragen voor het Cultureel Supplement. Vanaf 1979 woonde hij weer in Parijs, met zijn tweede vrouw, publiciste en sinologe Sarah Hart, met wie hij een dochter kreeg. In 1989 keerde hij samen met hen definitief terug naar Nederland.

En intussen dwarrelde de wereld voort, zoals Kousbroek zou schrijven. Wat je achteraf zou kunnen afdingen op zijn werk, is dat het 'slechts’ bestaat uit bundelingen van stukken, zoals natuurlijk ook wel eens is opgemerkt. Zelf speet het Kousbroek dat hij behalve Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam (1981) nooit een roman had afgemaakt. In een interview bekende hij een stuk of twaalf romans te hebben geschreven, maar altijd op de helft of op tweederde te zijn blijven steken. Het lijkt een misplaatst (zelf)verwijt aan het adres van een schrijver die zo'n veelzijdig en nog immer prikkelend oeuvre heeft nagelaten. Deel van de sensatie van de Anathema’s destijds was het schaamteloze inzetten van de eerste persoon enkelvoud, in een tijd dat dat nog absoluut niet voor de hand liggend was. En dan dat ongegeneerde snikken van zo'n rationele intellectueel, niet terugdeinzend voor 'een potje janken’, niet bang om woorden te gebruiken als 'hartverscheurend’ en 'vaarwel’, en weliswaar niet meer officieel dichtende, maar wel de auteur van een versje dat ik jaren geleden aantrof op de kinderpagina van NRC Handelsblad. Het gaat vast om een dode kat, maar het zou net zo goed om een verloren geliefde kunnen gaan.

'Lieve Teddy,/ Als ik weer van je droom,/ Wil je me dan een teken geven,/ Zodat ik weet dat jij het echt bent?/ Het beste is/ Iets te noemen/ Dat niemand anders weet,/ Zoals je geheime naam./ Ben je het,/ Zeg mij dan ook/ Welk jaar we zijn/ En welke dag het is,/ En ach Teddy,/ Als je ’t werkelijk bent,/ Wil je me dan/ Niet wakker maken?’

In dit versje is hetzelfde sentiment voelbaar als in Terug naar Ithaca, waarin Kousbroek zich voorstelt dat hij zijn vader zou kunnen weerzien in de vertrouwde Indische omgeving, als een oude planter. Hij denkt daarbij aan Odysseus, die bij thuiskomst op zoek gaat naar zijn vader, Laërtes, die oud is geworden en niet weet dat zijn zoon is teruggekeerd. Ik kan bijna navolgen hoe Kousbroek dit stuk heeft geschreven, en dat heeft alles te maken met de grote intimiteit die hij tot stand weet te brengen tussen de lezer en hem. Hij kijkt naar de foto van zijn vader als jonge man ('ik bekijk hem met een oceaan van liefde’), pakt de Odyssee erbij en leest opnieuw het laatste hoofdstuk. De zoon heeft moeite de vader na zoveel tijd te herkennen, maar de vader herkent de zoon nog minder. Als zijn zoon zich kenbaar maakt, wil de vader een teken van herkenning. Odysseus noemt daarop alle bomen waarvan hij de namen leerde toen zijn vader ze plantte. Als ik dat lees, schrijft Kousbroek, hoor ik mijn vaders stem die de namen van alle Indische planten en vruchtbomen noemt.


Beeld: Uitgeverij Augustus