Homo amsterdamicus

Eindexamenfeest, zomaar ergens in Nederland. Rijtjeshuis, muziek voluit, dansende pubers, kratten bier tot de nok van het proper betegelde keukentje, tussen de heesters hangen feestelijke lampions en op zolder worden condooms onhandig afgerold om debuterende leden. Iedereen heeft de tijd van zijn leven of doet alsof.

Iedereen? Nee.
Er is een groepje dat vanuit een hoekje met dedain kijkt naar de achterhaalde danspasjes van hun klasgenoten. Dat hautain glimlacht om de Konsaliks en Ludlums in de boekenkast. Dat minachtend commentaar levert op de wandtegelwijsheid op het toilet. Dat kwaadaardig citeert uit het uit de bladenmand opgeduikelde Tros-kompas.
Vroeg-rijpe, vroeg-arrogante blagen. Blaag 1 gaat communicatiewetenschap studeren in… Amsterdam. Blaag 2 gaat de Rietveldacademie doen in… Amsterdam! Blaag 3 gaat Nederlands studeren aan de Universiteit van… Amsterdam!! En blaag 4 is ‘onterecht’ afgewezen op de toneelschool in… AMSTERDAM!!!
We hebben hier te maken met de importvariant van de homo Amsterdamicus. Het menstype dat zich al vroeg onderscheidt van de homo sapiens door over alles het laatste woord te willen hebben. Stadsantropologen onderscheiden het importtype (buiten Amsterdam geboren maar als lemmingen naar Amsterdam trekkend zodra de geslachtsrijpe leeftijd is bereikt) en het nesttype (in Amsterdam geboren en zelden of nooit gesignaleerd op meer dan vijf kilometer van de Dam). Tot de archetypen van de soort behoren Johan Cruijff, Hugo Brand Corstius en Felix Rottenberg.
Johan Cruijff belichaamt een van de meest opvallende kenmerken van de homo Amsterdamicus: het absurde vertrouwen in de kracht van het gesproken woord. Hij blijft maar ouwehoeren. Talrijk zijn de anekdotes van spelers die, volledig murw van de eindeloze tactische voor-, na-, en tussenbesprekingen van de legendarische nummer 14, hun hoofd tegen de kleedkamerdeur hebben gebonkt. Willem van Hanegem: 'Als Johan begon te praten, belde iedereen naar huis dat het een latertje zou worden.’ Ex-Barcelona-speler Michael Laudrup: 'Als je een bal het doel in kon lullen, was Cruijff al vijf keer wereldkampioen geworden.’
De homo Amsterdamicus lult zoals andere mensen ademen. Stap in een Amsterdamse taxi en de chauffeur rekent tussen Bijenkorf en Centraal Station verbaal af met de inkomenspolitiek van het kabinet, het parkeerbeleid van de gemeente, het spelconcept van de bondscoach en de slechte adem van zijn bloedeigen eega.
In Hugo Brandt Corstius komt een ander typisch trekje van de homo Amsterdamicus onstuimig (24 uur per dag) naar boven: de morele superioriteit. Of het nu gaat om de geschampte teen van een bijstandsmoeder, de oorverstopping van een Eskimo of een omgevallen boom in Bolivia - Brandt Corstius maakt een duik van de hoge en haalt altijd een schuldige boven water. Ook al kent hij de bijstandsmoeder niet, is hij nog nooit boven de Poolcirkel geweest en kent hij de schuldige alleen van roddels en kranteknipsels. Oordelen, oordelen. Leg je oor te luisteren bij een Amsterdamse krant- of weekbladredactie, in de foyer van het Concertgebouw of de parkeergarage onder de Stopera en overal hoor je kleine Brandt Corstjes (m/v) zonder enige reserve opdreunen wat goed en fout is, wat wel en niet kan, wat deugt en niet deugt.
In Felix Rottenberg openbaart zich bij uitstek de platte handelsgeest van de homo Amsterdamicus. Met dezelfde ijver waarmee zijn voorouders het kapitaal vergaarden voor bruggen, grachtenpanden en Oost-Indie- vaarders, verkoopt Felix een variant van de sociaal-democratie waar zelfs illegale importeurs van Thaise gastvrouwen zich moeiteloos in kunnen vinden. Flaneer over de Albert Cuyp en je herkent ze achter iedere kraam, de alles verhandelende Rottenbergjes. Alles is te koop. Fietsbanden, afwasborstels, nagelvijltjes, XTC-pillen, principes.
Aan de basis van deze kenmerken ligt het onwankelbare geloof van de homo Amsterdamicus in de eigen originaliteit en uniciteit. Maar de stadsantropologen weten beter: de homo Amsterdamicus is evenzeer een kuddedier als de rest waar hij op schijt. Dompel de eindexamenblagen een jaar onder in het Amsterdamse en ze zijn schrijvers nalullende schrijvers, schilders nakwastende schilders en filmers naregisserende filmers. Meelopers, tot alles bereid om in de gunst te komen van de nomenklatoera der grachtengordel. Hun monden zijn de efficiente sluizen van politiek correcte meningen geworden. Hun smaak in boeken, films en muziek volgt de barometer van de critici van de 'betere’ kranten en tijdschriften.
Heeft de homo Amsterdamicus dan geen enkele positieve eigenschap? Jawel. Buiten Amsterdam wordt hij zelden of nooit gesignaleerd.