Niets menselijks is ons vreemd

Homo sum

Meer dan ooit beroepen wij ons op een identiteit om ons te onderscheiden van de ander. De verdeeldheid leidt tot conflicten en vervolging. Kosmopolitisme is daarom niet langer een luxe. Het is noodzaak geworden.

Medium versie2 kwame anthony appiah 03

Vraag hedendaagse Europeanen of Noord-Amerikanen om over hun identiteit te praten, en ze hebben genoeg te zeggen. Ze kunnen het dan over een land, een geloof, een seksuele voorkeur hebben (althans, als ze geen hetero zijn) of over een ras (althans, als ze niet wit zijn); ze kunnen vermijden aanvankelijk veel over hun sekse te zeggen, niet omdat dit niet belangrijk zou zijn voor hun identiteit, maar omdat het misschien té voor de hand liggend is. Al deze zaken zijn bekende uitdrukkingsvormen van wat wij ‘identiteit’ noemen. We weten allemaal hoe we onszelf een plek moeten geven op dit identiteitsraster.

Daarom is het verbazingwekkend als je beseft hoe nieuw deze manier van praten is. Voorzover ik weet, gebruikte vóór de Tweede Wereldoorlog niemand het Engelse woord ‘identity’, of de equivalenten daarvan in andere Europese talen, op deze manier. Toen Erik Erikson het in zijn uit 1958 stammende boek Young Man Luther: A Study in Psychoanalysis and History over een identiteitscrisis had in het leven van de jonge Martin Luther doelde hij niet op een crisis in Luthers relatie tot de sociale groepen waartoe hij behoorde. Maar in 1968 schrijft hij in Identity: Youth and Crisis dat we te maken hebben ‘met een proces dat gelokaliseerd is in de kern van het individu maar ook in de kern van zijn gemeenschappelijke cultuur, een proces dat feitelijk de identiteit van deze twee identiteiten vaststelt’. Als je in 1930 tegen iemand had gezegd dat sekse, religie, nationaliteit, seksuele voorkeur en ras aspecten waren van dezelfde dimensie van een persoon, had hij of zij je onbegrijpend aangekeken.

Toch is identiteit nu, zoals ik al zei, een bekend begrip, dat je overal om je heen tegenkomt. Daarom is het de moeite waard er iets over te zeggen. Er zijn naar mijn idee drie centrale dingen die we moeten begrijpen als we het over de conceptuele structuur van het idee van een identiteit hebben. Het eerste is dat identiteiten gepaard gaan met ‘labels’. Iemand identificeren – zeggen wat zijn of haar identiteit is – begint met het geven van een naam die, althans in beginsel, van toepassing kan zijn op meer dan één persoon.

Het hebben van een label is alleen nog maar het begin, ook al is het belangrijk. Wanneer je een label hebt, heb je ook een naam en criteria voor de toepassing ervan. Je kunt de wereld verdelen in degenen mét en zonder het label, en vervolgens kun je met anderen bespreken hoe je dat doet.

Op dit punt kan al heel snel onenigheid ontstaan. Introduceer het label ‘protestant’ en je gaat de wereld verdelen in protestanten, katholieken en de rest. Je zult misschien zeggen dat een protestant iemand is die Luther is gevolgd toen hij de rooms-katholieke kerk vaarwel zei. Maar als je niets weet over de vroege geschiedenis van de kerk en de scheiding tussen de oostelijke en de westelijke kerken kun je denken dat iedere christen protestant of rooms-katholiek is. Je weet dan misschien niet dat de evangelische broedergemeente, die zich ook onder het protestante label schaart, zich al vóór Luther van Rome had losgemaakt. En als je over hen hoort, kun je je gaan afvragen of de Mormonen protestant zijn.

Misschien wilden de mensen die het label introduceerden het louter toepassen op mensen die een bijzondere eigenschap deelden, bijvoorbeeld het in je hart sluiten van de Augsburgse Belijdenis (de geloofsbelijdenis van de reformatorische beweging van 1530). Maar de meeste mensen die zich vandaag de dag protestant noemen hebben geen idee wat er in die Augsburgse Belijdenis stond, en sommigen van hen zullen beslist niet alles daarvan geloven. Dat maakt niet uit. Er kunnen, zoals ik al zei, heel veel verschillende benaderingen zijn van wat iemand een protestant maakt. Wat ze allemaal gemeen hebben, is dat de doorsnee-gebruiker van het label instemt met wat er wél en niet onder valt: evangelische lutheranen zijn bijvoorbeeld wél protestant, maar de paus is dat niet. Als jouw definitie van protestantisme afwijkt van deze norm zal ze niet serieus worden genomen.

***

Verschillende mensen passen identiteitslabels op grond van uiteenlopende maatstaven toe. Vooropgesteld dat ze het eens zijn over bepaalde paradigmatische voorbeelden en tegenvoorbeelden kunnen we bedenken dat ze er verschillende opvattingen op nahouden over dezelfde identiteit, niet dat ze hetzelfde woord gebruiken om verschillende identiteiten mee aan te duiden. Dit feit over hoe we over identiteit nadenken betekent dat het over het algemeen weinig zinvol is om te veronderstellen dat er een of andere essentiële eigenschap bestaat die jou je identiteit geeft. Wat iemand tot een protestant maakt, is iets waar de mensen die dat label gebruiken het niet allemaal over eens hoeven te zijn, en ondanks de intensiteit van deze onenigheid is er geen reden om te veronderstellen dat er een juist antwoord bestaat.

Maar vaststellen wie wél of niet tot een bepaalde groep behoort is niet genoeg om van een sociale identiteit te kunnen spreken. Daarvoor is ook het verband tussen het gemeenschappelijke en het individuele – het wij en het ik – nodig, waar Erikson het over had. Als een label een sociale identiteit wil bewerkstelligen, moet dat label een rol spelen in het innerlijke leven van sommige mensen waarop het van toepassing is. Zij moeten zich ermee identificeren, soms door dingen te doen en te voelen omdat ze nu eenmaal – om bij ons voorbeeld te blijven – protestant zijn. Soms is al wat nodig is een norm van solidariteit: Wij protestanten moeten elkaar steunen, dus ik moet dit doen voor een mede-protestant. Soms gaat het om een norm van gedeeld gedrag: Wij protestanten geloven in berouw, dus ik moet berouw tonen. Soms zal het geen daad, maar een gevoel zijn dat blijk geeft van je identificatie: Wij protestanten kennen een waardevolle traditie van respect voor individuele rechten, dus ik heb een gevoel van trots.

Een reden waarom identiteiten nuttig zijn is dat ze kunnen helpen te voorspellen wat mensen, vooral vreemdelingen, zullen doen

Behalve labels en identificatie is er ten slotte nog iets nodig wat identiteiten op een andere manier sociaal maakt. Identiteiten moeten labels zijn die andere mensen ertoe brengen degenen die het label dragen op een bepaalde manier te behandelen. Een deel van wat protestant zijn tot een sociale identiteit maakt, is dat je als een protestant behandeld kunt worden, zowel door andere protestanten als door mensen die helemaal geen protestant zijn. Het moet met andere woorden mogelijk zijn om je niet alleen zelf als een protestant te identificeren, maar er in het sociale leven ook als een te worden gezien.

Net zoals mensen het er niet over eens hoeven te zijn wie het label draagt, hoeven ze het ook niet eens te zijn over wat je moet doen als je je met het label identificeert, of over hoe je moet worden behandeld door anderen die jou als zodanig zien. Maar heel vaak delen mensen met een bepaalde identiteit een aantal ideeën over hoe ze zich moeten gedragen, en dat maakt het mogelijk te voorspellen wat ze zullen doen. Uit dit soort zaken komen stereotypen voort. En dat is een van de redenen waarom identiteiten nuttig zijn: zij kunnen ons helpen te voorspellen wat mensen, vooral vreemdelingen, zullen doen. Het gebruikmaken van stereotypen is vaak negatief en inaccuraat, maar waarschijnlijk zal het deze beide problemen overleven zolang het soms ook nuttig is.

Dus dat is wat identiteiten zijn: manieren om mensen te groeperen, dikwijls met omstreden lidmaatschapscriteria, die zijn verbonden met ideeën over wat identificatie voor die mensen betekent en hoe ze moeten worden behandeld; en die ideeën over identificatie en behandeling kunnen ook weer omstreden zijn. Wat hen sociaal maakt, is dat deze ideeën zowel gedeeld als omstreden zijn binnen sociale groepen, mensen die met elkaar communiceren, gebruikmakend van de identiteitslabels die de kern van hun identiteit vormen.

***

Identiteitslabels doen uiteraard veel méér dan het louter overeind houden van stereotypen. Zij spelen, via de identificatie, ook een centrale rol bij het definiëren van onze levens. Wij leven onze levens als mannen en vrouwen, als hetero’s of homo’s, als Nederlanders of Amerikanen, als protestanten of katholieken, en ga zo maar door, via een breed scala van sociale identiteiten. Dat is mogelijk omdat, zoals ik even hiervoor heb benadrukt, identiteiten gepaard gaan met normen – omstreden wellicht – over hoe mensen met een bepaalde identiteit zich dienen te gedragen. Laat ik die ‘identificatienormen’ noemen.

Mensen doen en vermijden niet alleen dingen omdat ze bijvoorbeeld Amerikanen zijn; er zijn dingen die zij, als Amerikanen, denken wel of niet te moeten doen. Het ‘moeten’ is in dit verband wat een filosoof een algemeen praktisch ‘moeten’ zou noemen – het gewone ‘moeten’, niet een of ander bijzonder ethisch getint ‘moeten’. Hier zijn een paar voorbeelden van het soort normen dat ik bedoel. Negatief: mannen horen geen jurken te dragen; homoseksuele mannen horen niet verliefd te worden op vrouwen; zwarten en blanken horen hun respectievelijke ras niet te beschamen; moslims horen geen varkensvlees te eten. Positief: mannen horen de deur open te houden voor vrouwen; homo’s horen uit de kast te komen; zwarten horen positieve discriminatie te steunen; moslims horen de hadj te maken.

Ik wil er meteen op wijzen hoeveel mensen passen binnen de algemene categorieën die ik heb neergezet. We kunnen daar nu bijvoorbeeld beroepsmatige identiteiten (jurist, ziekenverzorger, journalist, filosoof) aan toevoegen; of roepingen (kunstenaar, componist, romanschrijver); of affiliaties, formeel en informeel (Manchester United-fan, jazzliefhebber, conservatief, katholiek). Je kunt dit soort lijstjes oneindig lang uitbreiden.

Gezien al deze beschikbare identiteiten is het redelijk om je af te vragen welke rol iedere daarvan in onze politieke levens zou moeten spelen, en of we de politiek moeten beschouwen in de nauwe zin van onze relaties met de overheid, of in de bredere zin van onze relaties, in het sociale leven, met elkaar. Om deze vragen te kunnen beantwoorden helpt het om niet bij de politiek te beginnen, en zelfs niet rechtstreeks bij het sociale leven, maar bij wat ik het ‘ethisch leven’ van individuen noem. Laat me dat uitleggen.

Ieder van ons heeft een leven te leven. We worden geconfronteerd met veel ethische vraagstukken, maar die laten ons ook veel keuzes. We mogen bijvoorbeeld niet wreed of oneerlijk zijn, maar we kunnen nog steeds op vele manieren zonder deze ondeugden leven. Uiteraard worden wij allen ook bepaald door historische omstandigheden, en door onze lichamelijke en geestelijke talenten: ik ben in de verkeerde familie geboren om een Yoruba Oba te kunnen zijn, en met het verkeerde lichaam om moeder te kunnen zijn; ik ben te kort om een succesvolle professionele basketballer te kunnen zijn, en niet muzikaal genoeg om concertpianist te kunnen worden. Maar zelfs als we daar allemaal rekening mee houden, begint ieder mensenleven met vele mogelijkheden. Iedereen heeft – of zou dat althans moeten hebben – een grote verscheidenheid aan beslissingen te nemen om een modern leven vorm te geven. En een filosofisch liberaal zoals ik gelooft dat die keuzes uiteindelijk aan de persoon toebehoren om wiens leven het gaat.

Mensen verzinnen de hele tijd nieuwe identiteiten: ‘homoseksueel’ is in feite pas vier decennia oud; ‘punk’ is nog jonger

Dit betekent op z’n minst twee dingen. In de eerste plaats wordt de maatstaf aan de hand waarvan we kunnen vaststellen of het goed met mij gaat ten dele bepaald door de doelstellingen die ik voor mijzelf formuleer. In de tweede plaats is het mijn taak mijn eigen leven in goede banen te leiden, vooropgesteld dat ik anderen geef waar ze recht op hebben. Zorgzame vrienden, welwillende wijzen en bezorgde verwanten geven raad over hoe ik dat moet aanpakken. Maar dat hoort louter raad te zijn en geen dwang. En net zoals particuliere dwang verkeerd is, is het ook verkeerd als het om dwang gaat van overheden die hun burgers willen perfectioneren. Met andere woorden: als ik mijn plicht heb volbracht, is het mijn eigen verantwoordelijkheid mijn leven vorm te geven.

Het respecteren van deze gedachte betekent dat je het ideaal van de individualiteit serieus neemt. Maar onze individualiteit wordt niet in een vacuüm voortgebracht; zij wordt gevormd door de beschikbare sociale concepten, waaronder identiteiten, en uiteraard door onze omgang met anderen. Hoofdstuk 3 van het fantastische boek On Liberty van John Stuart Mill (‘Over de individualiteit als een van de aspecten van het welzijn’) is de klassieke Engelse formulering van deze notie van individualiteit; maar zijn eigen denken over deze zaken is – zoals Mill ruiterlijk erkent – diepgaand beïnvloed door een essay van Wilhelm von Humboldt, geschreven in de jaren negentig van de achttiende eeuw, dat in het Engels bekendstaat als The Limits of State Action. (Misschien is het maar goed dat we het zo kennen, de Duitse titel luidde namelijk Ideen zu einem Versuch die Grenzen der Wirksamkeit des Staates zu bestimmen.) In hoofdstuk 2, ‘Over de individuele mens, en de hoogste doeleinden van zijn bestaan’, schreef Von Humboldt dat het ‘via een sociaal verbond (…) gebaseerd op de individuele wensen en vermogens van zijn leden, is dat ieder in staat is te participeren in de rijke collectieve middelen van de anderen’. Omdat je in individualiteit gelooft hoef je de lokroep van het sociale nog niet te negeren: zoals we hebben gezien betekent het verband tussen individualiteit en identiteit dat de vraag wie ik ben altijd in verband zal staan met groepen, deels via identificatienormen.

Medium versie  kwame anthony appiah 06

Identiteiten zijn in de moderne wereld zó divers en uitgebreid, omdat mensen een enorm scala van instrumenten nodig hebben om een modern leven te kunnen leiden. De reeks mogelijkheden die voor ieder van ons volstaat, is niet genoeg voor ons allemaal. Mensen verzinnen de hele tijd nieuwe identiteiten: ‘homoseksueel’ is in feite pas vier decennia oud; ‘punk’ is nog jonger. Zoals John Stuart Mill schrijft in een van mijn favoriete passages uit On Liberty: ‘Als het alleen maar zo zou zijn dat mensen verschillende smaken hebben, zou dat al reden genoeg zijn om niet te proberen ze allemaal naar één model te vormen. Maar verschillende personen hebben voor hun geestelijke ontwikkeling ook behoefte aan verschillende omstandigheden (…) als er geen sprake is van een corresponderende diversiteit in hun manier van leven, verkrijgen zij niet hun rechtvaardige portie geluk, en reiken zij ook niet tot de geestelijke, ethische en esthetische hoogten waartoe hun natuur hen in staat stelt.’

***

Tot nu toe heb ik me tot bekende feiten beperkt en ze louter in een filosofisch identiteitsperspectief geplaatst. Tot nu toe heb ik het positieve werk van de identiteit benadrukt. Maar nu wil ik een paar redenen opperen waarom sociale identiteiten zo veel problemen opleveren voor ons gedeelde leven vandaag de dag.

Twee soorten psychologie zijn in dit verband bijzonder relevant. Het ene is het feit dat we allemaal zijn geprogrammeerd om te zijn wat ontwikkelingspsychologen ‘essentialistisch’ noemen. Geconfronteerd met een groep mensen met een of andere zichtbare gedeelde eigenschap zullen zelfs heel jonge kinderen waarschijnlijk veronderstellen dat er een diepe, onzichtbare onderliggende eigenschap – een ‘essentie’ – is, die verklaart waarom ze bij elkaar horen. ‘Het essentialisme’, zoals Susan Gelman, de bekende kinderpsycholoog, het verwoordt, ‘is het idee dat bepaalde categorieën (bijvoorbeeld vrouwen, raciale groeperingen, dinosaurussen, originele kunstwerken van Picasso) een onderliggende werkelijkheid of ware natuur kennen, die je niet rechtstreeks kunt waarnemen. Bovendien wordt verondersteld dat deze onderliggende werkelijkheid (of “essentie”) voorwerpen hun identiteit verleent, en dat zij verantwoordelijk is voor overeenkomsten die leden van dezelfde categorie delen.’ En het bewijsmateriaal dat zij heeft verzameld in haar boek The Essential Child ondersteunt het idee dat wij allen vanaf de leeftijd van tweeënhalf tot dit essentialisme geneigd zijn.

Ik heb beweerd dat identiteiten voortvloeien uit labels, en dat er vaak helemaal niets diepgaands of belangrijks aan ten grondslag ligt, omdat we dikwijls niet eens kunnen bepalen wie er wel of niet bij hoort. Maar onze hang naar essentialisme betekent dat als we eenmaal een categorie hebben vastgesteld het waarschijnlijk is dat we gaan geloven dat er een belangrijke onderliggende eigenschap moet zijn die verklaart waarom mensen ertoe behoren. Ras is in dit verband een voor de hand liggend voorbeeld. Raciale categorieën zijn gebaseerd op een mengeling van criteria, en verschillen van plek tot plek. Het label ‘neger’ of ‘zwarte’ wordt soms louter op basis van het uiterlijk toegepast, soms op basis van herkomst, en soms ongetwijfeld op basis van andere zaken.

Ondanks het feit dat al deze grondslagen categorieën opleveren die geen enkele biologische betekenis hebben, is het bijna onmogelijk om mensen ervan te overtuigen dat negers geen diepgedeelde gemeenschappelijke eigenschappen hebben die verklaren waarom zij bij elkaar horen. Vele jaren geleden verwoordde W.E.B. Du Bois, de toonaangevende Afro-Amerikaanse intellectueel, dit heel precies, in de dagen dat de zogenoemde Jim Crow-wetten in het Amerikaanse zuiden zwarten en blanken verplichtten in het openbaar vervoer in aparte compartementen te reizen. Toen hem om een wetenschappelijke definitie van zijn ras werd gevraagd, zei hij: ‘De zwarte is iemand die in Georgia “Jim Crow” moet reizen.’

We zijn geneigd om mensen die ‘Anders’ zijn met vijandigheid of minachting te behandelen, en ons te verenigen tegen Hen en vóór Ons

Waarom is dit van belang? Als je van mening bent dat een groep mensen een diepgaande en belangrijke eigenschap deelt die jij niet hebt, is het waarschijnlijk dat je je gaat afvragen of je wel met hen kunt opschieten. Het is ook waarschijnlijk dat je hen als ‘Anders’ gaat beschouwen. En dat heeft nare gevolgen vanwege het tweede diepgaande aspect van onze sociale psychologieën dat ik hier wil vermelden: onze neiging om mensen die ‘Anders’ zijn met vijandigheid of minachting te behandelen, en ons te verenigen tegen Hen en vóór Ons.

Deze neigingen van onze natuur zijn uiteraard diepgaand beïnvloed door de ideeën die in onze cultuur rondzweven. Hedendaagse ideeën over rassen zijn beïnvloed door ideeën over genen, een concept dat iets meer dan een eeuw geleden werd bedacht. Het hele idee over het onderscheid tussen de biologische en niet-biologische eigenschappen van mensen was pas een eeuw eerder opgekomen – het woord ‘biologie’ werd in 1800 gemunt, en het woord ‘genetica’ rond 1905, door William Bateson aan de University of Cambridge. Maar als een categorie als ‘ras’ eenmaal is geformuleerd, kan het heel moeilijk zijn daaraan te ontsnappen, en heel verleidelijk zijn om te denken dat er een wetenschappelijke basis aan ten grondslag moet liggen.

Dit is niet louter het gevolg van conceptuele praktijken. Sociale identiteiten zorgen ervoor dat mensen op een bepaalde manier behandeld worden. Zelfs als je aan een identiteit zou willen ontsnappen, zou de voortdurende nadruk erop in het dagelijks leven door anderen er waarschijnlijk voor zorgen dat je je zou gaan identificeren: voelen en handelen vanuit je identiteit, en je verbonden voelen met anderen die die identiteit delen, en je gescheiden voelen van degenen die dat niet doen. Een identiteit hoeft geen essentie te hebben om krachtig te zijn.

Na 1492, met de verdrijving van de niet-christenen uit Spanje, konden de christelijke intellectuelen, wier voorouders eeuwenlang met moslims en joden hadden samengewerkt, zich niet onttrekken aan de gedachte dat zelfs degenen die zich tot het katholicisme hadden bekeerd onder de oppervlakte anders waren gebleven. Onlangs kreeg ik een mailtje van een Britse dame die me op de radio had horen praten. Toen ‘Sheku Kanneh-Mason de bbc-prijs voor de Jonge Musicus van het Jaar had gewonnen’, schreef zij, ‘door het eerste cello-concert van Sjostakovitsj te spelen, leek dat cultureel ongerijmd, terwijl ik wist dat dat in werkelijkheid niet het geval was’. Sheku’s moeder kwam uit Sierra Leone en zijn vader van Antigua in de Cariben. Maar hij groeide op in het Engelse Nottingham, en zijn vijf broers en zusters zijn ook allemaal getalenteerde klassieke musici. De aantrekkingskracht van het essentialisme is de enige reden waarom iemand zou denken dat dit verrassend is.

***

Identiteiten verdelen de mensheid. Daardoor zorgen ze ervoor dat sommige ‘wij’s’ elkaar opzoeken, en scheiden ze die ‘wij’s’ van ‘hen’. De aldus gecreëerde solidariteitsbanden hebben de menselijke wereld vormgegeven. Als Nederlanders hebben mensen Nederland opgebouwd, als katholieken hebben mensen de grootste christelijke kerkgemeenschap ter wereld opgebouwd. Homoseksuelen hebben zich een ooit geminachte homoseksuele identiteit aangemeten en een bloeiende cultuur geschapen. Moeders, zusters en dochters hebben zich als vrouwen aaneengesloten om een beweging in het leven te roepen die de seksuele identiteiten overal hervormd heeft.

Tot zo ver de solidariteit. Maar de verdeeldheid heeft ook tot oorlogen tussen naties geleid, tot etnische en raciale conflicten op ieder continent, en tot de vervolging van minderheden in iedere samenleving. Er is nog één aspect van onze sociale psychologie waar ik aan wil herinneren. Lang geleden in de geschiedenis van de sociale psychologie heeft Gordon Allport een pleidooi gehouden voor wat hij de contacthypothese heeft genoemd. Grofweg komt die erop neer dat contact tussen individuen van verschillende groepen ervoor zorgt dat vijandigheid en vooroordelen minder waarschijnlijk worden als dat contact optreedt binnen een raamwerk dat aan een paar belangrijke voorwaarden voldoet: van cruciaal belang is dat het plaatsvindt in gelijkwaardige omstandigheden, en dat dat in de context is van een activiteit waarin gedeelde doelen worden nagestreefd, terwijl er sprake is van wederzijdse afhankelijkheid.

Dit is een van de redenen waarom het raciaal geïntegreerde Amerikaanse leger mensen voortbrengt die over het algemeen minder racistisch zijn als ze de dienst verlaten dan als ze net komen kijken. Het is vermoedelijk ook de reden dat heteroseksuele soldaten die in Nederland, Israël of Groot-Brittannië hebben samengewerkt met homoseksuele kameraden minder homofoob zijn dan veel Amerikaanse soldaten, in een land waar homo’s en lesbiennes nu weliswaar mogen dienen, maar vaak nog niet uit de kast komen. Het is de reden dat witte voetballers en basketballers over het algemeen relaxter zijn in het gezelschap van zwarten, en zich meer betrokken tonen als er sprake is van raciaal onrecht dan sommige van hun leeftijdgenoten. Als we de neiging tot gewelddadige verdeeldheid willen bestrijden helpt het als we onze kinderen het publieke domein laten delen met mensen van vele identiteiten, en ze samen laten leren en bouwen in productief contact met elkaar.

We wonen met zeven miljard medemensen op een kleine, warmer wordende planeet. De kosmopolitische impuls die voortvloeit uit ons gemeenschappelijk mens-zijn is niet langer een luxe; het is een noodzaak geworden. Ik citeer in dit verband graag de woorden van een slaaf uit Romeins Afrika, een Latijnse vertaler van Griekse komedies, en een schrijver uit het klassieke Europa, die zichzelf Terentius de Afrikaan noemde. Ik denk niet dat ik het beter kan verwoorden dan Publius Terentius Afer, die ruim tweeduizend jaar geleden schreef: ‘Homo sum, humani nihil a me alienum puto’ (‘Ik ben mens, en mij is niets menselijks vreemd’). Die zin geeft uitdrukking aan de essentie van de kosmopolitische visie die onze menselijkheid – het label ‘menselijk’ – ziet als iets wat we naast en soms boven andere labels moeten plaatsen.


Dit is de tekst die Kwame Anthony Appiah donderdag 24 november uitsprak bij het ontvangen van de Spinozalens.

Vertaling: Menno Grootveld