«Burgerrechten» in de nieuwe EU-lidstaten

Homofobie als bindende factor

De schermutselingen rond de Poolse Gay Parade en het vertrek van de Nederlandse ambassadeur uit Estland staan symbool voor een groter probleem: het gaat niet goed met de burgerrechten in de nieuwe lidstaten van de Europese Unie.

Terwijl Hare Majesteits ambassadeur in Estland zich terugtrekt vanwege de racistische en homofobe bejegening die zijn echtgenoot ten deel valt, beleefde Polen afgelopen zaterdag zijn eerste echte Gay Parade. Slechts tweeduizend betogers waagden zich in het centrum van Warschau, maar Mike Urbaniak, activist van de Campagne tegen Homofobie (kph) en organisator van de demonstratie, is tevreden: «Dit is een overwinning, al kun je dat niet uit het aantal deelnemers opmaken. De overwinning bestaat hierin dat niemand de mars heeft kunnen tegenhouden.»

De affaire rond ambassadeur Glaubitz trok in Nederland de nodige aandacht, maar Polen met zijn veertig miljoen inwoners is een belangrijker testcase voor de homo-emancipatie in Oost-Europa. In 2004 werd de eerste poging tot een homoparade in de hoofdstad door burgemeester (en tegenwoordig eerste minister) Jaroslav Kascynski verboden. Vorig jaar ging de demonstratie ondanks een hernieuwd verbod toch door en eindigde in vechtpartijen met skinheads. Ook ditmaal spande het erom, vertelt Urbaniak. «Tot gisteren was het in dit land politiek correct om tegen homoseksualiteit te zijn. Wie niets te zeggen had, kon altijd terugvallen op een hatelijke uitspraak over homo’s.»

Op 9 maart jongstleden gaf premier Kascynski, voortbouwend op homofobe uitingen van extreem rechts en de katholieke geestelijkheid, de aanzet tot een nieuwe ronde van openlijke verkettering van de gelijkgeslachtelijke liefde. In een toespraak in Berlijn zei hij dat een heteroseksuele en homoseksuele cultuur «niet naast elkaar kunnen bestaan» en dat een verder «oprukken» van homoseksualiteit de mensheid «met uitsterven bedreigt». Dat was een sneer naar de jonge Poolse homoseksuele emancipatiebeweging, maar ook naar Brussel. Drie maanden eerder had het Europees Parlement namelijk een motie tegen seksuele discriminatie aangenomen en de Commissie opgeroepen concrete maatregelen te treffen tegen overtreders.

In de «Gelijkheidsparade» in Warschau liepen ditmaal West-Europese politici mee die de Poolse politiek met de neus op de emancipatoire feiten wilden drukken, de aanvoerster van de Duitse Groenen, Claudia Roth, voorop. Urbaniak: «Die steun van vrienden uit West-Europa was doorslaggevend. Omdat zij meeliepen, werden wij met z’n tweeduizenden begeleid door evenveel politieagenten die ons afschermden tegen de skinheads. Dit betekent niet het einde van de Poolse homohaat. Het betekent wel dat die haat vanaf vandaag niet meer vanzelfsprekend is. Voortaan weet elke Poolse bestuurder dat homofobe uitspraken kunnen leiden tot problemen met Brussel en de rest van de Unie.»

De schermutselingen rond de Poolse Gay Parade staan symbool voor een groter probleem: het gaat niet goed met de burgerrechten in de nieuwe lidstaten van de Europese Unie. Veel burgerrechtenorganisaties menen dat de nieuwe lidstaten de verdragsbepalingen alleen hebben onderschreven om het EU-lidmaatschap te kunnen bemachtigen. Op de Europese top van Kopenhagen in 1993 zijn heldere toetredingsvoorwaarden voor de tien nieuwkomers geformuleerd. Daartoe behoorden gelijke-behandelingsrichtlijnen en richtlijnen die discriminatie op grond van etniciteit, seksuele voorkeur of geloof verbieden. Alle tien hebben ze plechtig toegezegd deze te zullen implementeren. Bijna allemaal hebben ze er de hand mee gelicht.

Europese richtlijnen tegen discriminatie zijn niet overal omgezet in nationale wet- en regelgeving en sommige landen lijken dat ook niet van plan te zijn. Waar de vereiste wetgeving wel is ingevoerd, wordt deze in de praktijk vaak genegeerd. Van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op de werkvloer is bijvoorbeeld geen sprake. En zelfs als het gaat om de fysieke bescherming van minderheden schieten de nieuwe lidstaten tekort. Volgens een recent EU-rapport verzamelen slechts vier van de tien (Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije) meldingen van geweldpleging tegen minderheden in hun land.

Uit de bemoeienissen van Rolf Ekeus, Hoge Commissaris voor Nationale Minderheden van de ovse, en uit lokale onderzoeken van ngo’s, blijkt dat Roma (zigeuners), moslims, joden, Afrikaanse en Aziatische migranten, Russen en homoseksuelen onverminderd doelwit zijn van haatcampagnes, geweldpleging en rechteloosheid in vrijwel de hele voormalige Russische invloedssfeer. Discriminatie is niet zelden systematisch. Volgens VN-onderzoek heeft een aanzienlijk deel van de Roma dezelfde levensstandaard als de armsten in Botswana. Zelfs in Tsjechië is er van alle met Europese steun opgezette plannen voor verbetering van hun lot niets terechtgekomen. «De sociale kloof is niet verminderd, hij is zelfs toegenomen», bevestigt Jas Sipos, voorzitter van het Roma Bestuur, een hulpverleningsorganisatie in noordwestelijk Tsjechië.

De gepolitiseerde agressie jegens homoseksuelen in Oost-Europa is echter een nieuw verschijnsel. Openlijke manifestaties van seksuele geaardheid waren in de postcommunistische landen tot voort kort onbekend. De geschokte reactie van het grote publiek is in sommige gevallen begrijpelijk. Maar de recente haatcampagnes tegen Gay Parades in Rusland, Warschau of Riga zijn niet te verklaren uit seksuele koudwatervrees. En de homofobie is niet aan een land, taal, godsdienst of grensgebied gebonden, maar loopt als een rode draad door alle minderhedenconflicten in de regio heen.

Zij wordt gevoed door een monsterverbond van conservatieve media, nationalistische politici, de orthodoxe kerken, de katholieke kerk en de op Amerikaanse leest geschoeide genootschappen van baptisten, Jehova’s getuigen, zevendedagsadventisten en andere «herboren» christenen. Tot excessen komt het vooral daar waar politici een etnisch of religieus verdeeld electoraat trachten te verenigen achter homofobe leuzen. Dat leert de vergelijking van twee Baltische Gay Parades, waarbij het volgens Glaubitz «lelieblanke» Estland er genadig vanaf komt. Toen ongeveer zeshonderd Estse homo’s in 2004 de eerste Gay Parade in Tallinn hielden, werden zij slechts gadegeslagen door verbaasde of lacherige voorbijgangers. Daarentegen werden honderd Letse homo’s die op 23 juli vorig jaar in Riga een bescheiden optocht hielden door honderden agressieve tegenbetogers overvallen.

In de communistische tijd werd homoseksualiteit in beide landen als een overwonnen kwaal van het kapitalistische systeem beschouwd. Nu de kersverse democratie het onderwerp bespreekbaar heeft gemaakt, is het naspeuren en uitwieden van de seksuele geaardheid van prominenten, maar ook van buren, collega’s en familieleden in Letland een nationale obsessie geworden. Talkshows, kerken, journalisten en nationalistische pamflettisten overtroeven elkaar in het verketteren van homoseksuele uitingen. In 2002 bundelden de lutherse aartsbisschop, de rooms-katholieke bisschop en de fascistische politicus Aivars Garda hun krachten in het pamflet Homoseksualiteit: schande en ondergang van de mensheid.

De leninistische erfenis van een naar binnen gekeerde politieke cultuur speelt ook een rol. «We zijn niet opgevoed tot democraten. Gehoorzaamheid begrijpen we, maar verdraagzaamheid, solidariteit en empathie zijn vreemd aan onze politieke cultuur», zegt Ilga Alpine, hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Letland. Maar het voornaamste verschil tussen de publieksreacties in Riga en Tallinn kwam voor rekening van de politiek. De Estse overheid reageerde terughoudend. De Letse premier Aigars Kalvitis daarentegen noemde de mars in Riga «onaanvaardbaar», omdat zijn land was «gebouwd op christelijke waarden». Andere Letse bestuurders lieten zich in nog krassere termen uit. Het was voor het eerst in de geschiedenis van de Europese Unie dat de regering van een lidstaat zich openlijk tegen homo-emancipatie uitsprak.

De Letse homofobie wordt vooral aangejaagd door de partij Letlands Eerste, opgericht door de lutherse predikant Eriks Jekabsons. Deze Jekabsons geldt in West-Europa als een grote geest omdat hij de Letse meerderheid en de Russische minderheid wil verzoenen. Hij is in 1998 – naar eigen zeggen op de vlucht voor de kgb – uitgeweken naar de VS. Daar keek hij dertien jaar de kunst af van Amerikaanse tv-dominees en maakte zich hun agenda van _«_familiewaarden» en «moreel leiderschap» eigen. Terug in eigen land fulmineert hij tegen «verdorvenheden» als abortus, seculier onderwijs en bovenal homorechten, alsof homofobie de bindende factor in zijn tweetalige Letse idylle moet worden.

Toch kan de Oost-Europese homofobie niet enkel aan godsdienstige vooroordelen en politiek opportunisme worden geweten. Ook in Tsjechië heerst een virulente homofobie hoewel de Tsjechen even geseculariseerd zijn als de meeste West-Europese volken en de Tsjechische samenleving nimmer preuts is geweest; seksualiteit was er eerder en beter bespreekbaar dan in menig West-Europees land. Deskundigen verklaren die seculiere homohaat uit angst voor de teloorgang van het hechte gezinsleven. Juist omdat de godsdienst in Tsjechië – anders dan in bijvoorbeeld Polen – geen geestelijk toevluchtsoord was, vervulde het gezin in de loop van de twintigste eeuw de functie van geestelijk bastion waar Tsjechen enigszins waren gevrijwaard van de invloed van opeenvolgende totalitaire regimes. De gedachte dat het wordt aangetast of verdrongen door andere samenlevingsvormen, is een bron van paniek.

In andere landen neemt homofobie de plaats in van de vroegere haat tegen de Russische bezetter of van het nog oudere antisemitisme. «Nu het antisemitisme naar de marge van het officiële vertoog is verbannen, lijkt het wel of homo’s in bepaalde Oost-Europese landen worden beschouwd als substituut-joden», meent historicus en Oost-Europa-kenner Pieter van der Plank. «Men zet zich tegen hen af om de aandacht van de eigen verdeeldheid af te leiden. En iemand als Jekabsons heeft in Amerika gezien dat het werkt, dat je door te hameren op een «morele agenda» veel tegenstellingen van etnische, economische of politieke aard kunt overbruggen.»

De Oost-Europese homofobie heeft nog een ander kenmerk gemeen met het antisemitisme, namelijk de afkeer van veronderstelde «buitenlandse» of «kosmopolitische» invloeden. Urbaniak: «Homoseksuelen worden gezien als vijfde colonne, handlangers van buitenlandse invloeden die de Poolse natie willen verzwakken.» Volgens Van der Plank hangt dit samen met het gebruik van demonstratieve middelen, zoals Gay Parades die aan het Westen ontleend zijn. Van der Plank: «Elke emancipatiebeweging die zich beroept op buitenlandse inspiratie, roept de weerzin tegen alles wat vreemd en bedreigend is over zichzelf af. Veel uit het Westen overgenomen vernieuwingen worden in Oost-Europa toch al als een ontwrichting ervaren en waar men geen greep heeft op onpersoonlijke, economische processen worden concrete mensen en gedragingen gemakkelijk een vervangend doelwit.»

De opmerkelijke haat jegens «verre» vreemdelingen uit Afrika en Azië, die toch als minieme minderheden in Oost-Europa geen enkele bedreiging voor de samenleving kunnen vormen, verklaart hij uit het feit dat zij destijds naar de volksrepublieken kwamen als vreemden, als studenten uit de Derde Wereld die werden opgeleid tot partijkader in hun land van herkomst. Van der Plank: «De gekleurde immigranten in West-Europa kwamen uit de voormalige koloniën en waren in cultuur en taal min of meer aangepast aan de westerse samenleving. In de ogen van de Oost-Europese bevolking waren gekleurde vreemden handlangers van de verafschuwde communistische partij. Die afschuw kon straffeloos op hen ontladen worden en diende als substituut voor wat men niet mocht zeggen over de eigen apparatsjiks.»

Volgens Van der Plank is de afwijzende Oost-Europese houding jegens minderheden van allerlei pluimage terug te voeren op een veel oudere angst voor maatschappelijke pluriformiteit: «De meeste Oost-Europese natiestaten werden nog geen honderd jaar geleden ‹uitgevonden›, al bestonden ze vaak al als prenationale gemeenschappen. Hun pluriforme samenstelling werd gezien als een grote bedreiging. Het hele interbellum was een worsteling met die pluriformiteit, waarbij gedwongen assimilatie als enige oplossing werd beschouwd. Na de Tweede Wereldoorlog gaf de Russische bezetter het voorbeeld voor grootscheepse etnische zuiveringen, waardoor in grote delen van Oost-Europa eindelijk de langverbeide nationale homogeniteit kon worden gerealiseerd. Het communisme deed zich naar buiten toe proletarisch en internationalistisch voor, maar was naar binnen toe zuiver nationaal van aard. Welbeschouwd is de gedachte van maatschappelijke pluriformiteit in Oost-Europa pas vijftien jaar oud.»