Hond

Het is zo’n plotseling heel warm uitgevallen lentedag, die iedereen wil benutten. Teer, wit wintervlees wordt uit truien en vesten bevrijd en aan de zon blootgesteld. In het park waar ik een ingewikkeld boek probeer te lezen, kleedt een magere jongen zich tot op zijn flodderige onderbroekje uit, om op een handdoek aan de waterrand te gaan liggen. Die kan best wat kleur gebruiken, denk ik. Waarschijnlijk een lieve jongen die heel milieubewust en diervriendelijk op noten en bronwater leeft. Misschien is dat wel de reden dat een mollige bruine labrador, die vanachter een struik te voorschijn komt, volmaakt vanzelfsprekend op hem af stiefelt, met een stok in zijn bek. Hij gaat pal naast de handdoek zitten en laat de stok vallen. ‘Nou’, zegt de jongen begripvol, ‘één keertje dan.’ Hij komt overeind en werpt de stok, die net iets dunner is dan zijn eigen bovenarm, met een grote boog over het grasveld. Terwijl de hond het op een sukkeldrafje zet, komt zijn baas de hoek om. Ik ken die man, van gezicht. Hij is kok. Een grote, stevige kerel die op televisie altijd enorm glanst, alsof hij met roomboter is ingesmeerd. De kok kijkt naar de wegdravende hond en dan naar de jongen, die daar zomaar in zijn onderbroekje staat en er ineens wel heel bloot uitziet. Hij kijkt ook een beetje betrapt, terwijl de kok hem opneemt, alsof hij iets heel raars heeft gedaan. ‘Is dat uw hond?’ vraagt de jongen. De kok knikt. ‘Leuk’, zegt de jongen. Opnieuw een knikje. Er valt een nogal ongemakkelijke stilte. Pas als de jongen aanstalten maakt om weer op zijn handdoek te gaan liggen zegt de kok iets, terwijl hij naar de ribben van de jongen staart. Het klinkt, ondanks de barse toon, onverwacht vaderlijk. ‘Jij moet eens goed eten.’ Dan draait hij zich om en fluit de labrador, die prompt aan komt draven. De kok steekt zijn hand even op en vervolgt dan zijn wandeling, de hond aan zijn zijde. De jongen kijkt ze na en ik ook, over de rand van mijn ingewikkelde boek. Ze glanzen in het zonlicht.