Hond op de divan

De psychoanalyticus Jeffrey Masson verdiept zich in ‘Honden houden van mensen’ in het gevoelsleven van de mensenvriend bij uitstek. Masson: ‘Honden en mensen hebben emotioneel meer met elkaar( gemeen dan we ooit hadden durven denken.’

DE NAAM Jeffrey Masson doet bij een psychoanalyticus dezelfde rillingen over de rug lopen als die van Lev Trotski bij een stalinist. Masson was begin jaren tachtig de rijzende ster binnen de freudiaanse gemeenschap. Hij was benoemd tot directeur van de Freud Archives en werd daarmee de hoeder van de orthodoxe leer. Onderzoek van diezelfde archieven deed hem tot de conclusie komen dat Sigmund Freud zijn ‘verleidingstheorie’ had herzien. Officieel heette het dat vrouwen die beweren in hun jeugd misbruikt te zijn geweest door vader of oom, dit fantaseren. Volgens Masson had Freud aanvankelijk aangenomen dat deze vrouwen wel degelijk misbruikt waren geweest, maar dit inzicht had hij onder meer om financiële redenen weggemoffeld. Tenslotte was de psychoanalyse indertijd nog zeer omstreden in medische kringen én het waren niet zelden de vaders en ooms die de analyse van hun dochter of nicht betaalden. Toen Masson in 1982 zijn ontdekking wereldkundig maakte werd hij door nagenoeg de complete psychoanalytische gemeenschap verketterd en in de ban gedaan: hij werd ontslagen als directeur van de Freud Archives en geschrapt als lid van de vereniging van psychoanalytici. In 1984 publiceerde de Nederlandse psycholoog en thrillerauteur Bert Hiddema een prachtige misdaadroman over 'de zaak-Masson’, getiteld Wiener bloed. Het fictieve gelijk dat Hiddema hem gaf, heeft Masson in het werkelijke leven nooit gekregen, ook niet nu geen enkele psychoanalyticus nog zal durven beweren dat seksueel misbruik van kinderen niet bestaat. Masson: 'Ik heb de directie van de Freud Archives destijds een proces aangedaan, omdat ze mij had beloofd dat ik de baan voor de rest van mijn leven zou hebben. Ik had er een leerstoel aan de universiteit voor opgegeven. De rechter gaf mij gelijk en veroordeelde de Freud Archives tot het betalen van een schadevergoeding van honderdvijftigduizend dollar. Van dat geld kon ik enkele jaren leven en in de tussentijd heb ik boeken geschreven: over seksueel misbruik van kinderen, over mijn eigen analyse, over mijn familie, en ook een aantal werken over de geschiedenis van de psychoanalyse. Ze zijn stuk voor stuk geflopt. Vreemd genoeg zijn ze ook stuk voor stuk in tien of vijftien landen vertaald en veelvuldig besproken, maar ook daar werden ze zeer slecht verkocht. Ik leverde, volgens mijn wanhopige uitgevers, elke keer een schandaalsucces af: een boek waarover iedereen sprak maar dat niemand kocht of las. Ik heb het zelfs gepresteerd een boek te publiceren waarover meer recensies verschenen dan er exemplaren van werden verkocht.’ Door zijn professionele blik van mensen naar honden te verleggen hoopte Masson een ander publiek te bereiken: lezers die niet zo krampachtig als zijn voormalige vakbroeders op zijn boeken zouden reageren. In Honden houden van mensen doet hij verslag van zijn studie over de viervoetige mensenvriend en van zijn ervaringen in het samenleven met drie honden. Hun blaffen op de divan heeft hem duidelijk gemaakt dat honden en mensen emotioneel heel wat meer met elkaar gemeen hebben dan we ooit hadden durven denken. Masson: 'Ethologie is ook een terrein dat al vele jaren mijn bijzondere belangstelling heeft. Voor ik me aan het schrijven van Wanneer olifanten huilen zette, was het me al opgevallen dat niemand zich ooit had verdiept in het emotionele leven van dieren. Wat me echter tegenhield was het feit dat ik mijn academische sporen had verdiend in de studie van het Sanskriet en de klinische psychologie, niet in de biologie. Ik ben daarom ontzettend veel gaan lezen over het onderwerp. Deze theoretische kennis heb ik aangevuld met praktische inzichten. Ik heb talloze gesprekken gevoerd met biologen, dierenartsen, hondentrainers en vele anderen die op dit terrein iets te vertellen hebben.’ De hond stamt af van de wolf. Uit de mythen over wolfskinderen als Romulus en Remus blijkt echter dat wij de wolf ook als een gelijke hebben gezien. 'Wolven en mensen jagen op nagenoeg dezelfde wijze: in groepen. Het is mogelijk dat onze voorouders de wolf hebben getemd om hem als extra jager te kunnen inzetten, maar het kan ook zijn dat de wolven ons hebben ontdekt als gelijke. Het idee dat wolven en mensen min of meer in elkaars buurt zijn gebleven om van elkaars jachtsuccessen te profiteren en zo ook aan elkaar gewend zijn geraakt, is niet zo onzinnig als het in eerste instantie lijkt. Merkwaardig is dat een wolf niet gedomesticeerd kan worden. Dat dat met de hond wel gelukt is, heeft te maken met een verandering in de genen. Vossen zijn evenmin te domesticeren. Een wetenschappelijke proef met woestijnvossen die jarenlang werden verdergefokt en in het gezelschap van mensen gehouden, heeft echter bewezen dat na enkele generaties deze vossen in hun gedrag niet meer van honden te onderscheiden waren en tam bleven. Een ander bewijs voor de stelling van genetische verandering is dat verwilderde honden, en trouwens ook katten, vrij gemakkelijk opnieuw gedomesticeerd kunnen worden. Omgekeerd zie je dat verwilderde honden nooit meer echte wolven worden. Ze leven weliswaar in groepen, maar zijn een stuk minder sociaal dan wolven. Wolven zorgen bijvoorbeeld voor oude en zieke soortgenoten, verwilderde honden doen dat niet. Ze overleven ook veel moeilijker in een niet-menselijke omgeving dan wolven of vossen. Die genetische verandering houdt ook in dat honden nooit echt volwassen worden. Honden en katten blijven in psychologisch opzicht heel hun leven puppy’s en kittens. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom honden en katten heel goed samen kunnen worden gehouden en zelfs in staat zijn vriendschap met elkaar te sluiten. Een wolf, een leeuw of een tijger groeit echter vroeg of laat ook in geestelijk opzicht op. In Honden houden van mensen vertel ik het verhaal van een hond en een leeuw die samen opgroeiden en enkele jaren lang de beste maatjes waren. Ze aten, sliepen en speelden samen - maar op een dag was het gedaan. De leeuw viel de hond aan. Het scheelde slechts een haartje of het dier was verscheurd. Het leek alsof de leeuw zich ineens realiseerde dat hij een leeuw was en niet geacht werd op goede voet te staan met een dier dat hij in het wild zou wegjagen of doden. Dat gebeurt ook met wolven en zelfs met kruisingen tussen wolven en honden. Elk ogenblik kunnen hun natuurlijke instincten de overhand krijgen en hun door de mens opgelegde gedragspatroon overschaduwen, dan zijn ze niet langer te handhaven in huis. Dat ook honden vals kunnen worden, is niet zozeer te wijten aan een restje “wolvenbloed” als wel aan hun baas. Juist omdat een hond in wezen een onvolwassen wolf is, is hij niet agressief tegen de leden van zijn groep. Wat sommige bazen echter doen is de hond temmen door hem angst aan te jagen. Er bestaat een methode om zelfs de wildste Mustang binnen vijftien minuten te temmen. Die methode bestaat eruit het dier zo'n onmetelijke schrik aan te jagen dat hij zich niet tegen je wil durft te verzetten. Een bepaald soort macho’s doet hetzelfde - want het zijn altijd mannen, nooit vrouwen - met hun honden. Ze zijn er trots op dat het dier hun blindelings gehoorzaamt, maar gromt en bijt naar andere mensen.’ 'ER BESTAAT EEN opvallende parallel in het gedrag van een seksueel misbruikt kind en een valse hond. Zo'n kind probeert voortdurend in het gevlij te komen van degene door wie het misbruikt wordt, uit angst dat die persoon het opnieuw doet. Daarentegen treedt het alle andere personen met wantrouwen tegemoet. Ik heb in de memoires van de Duitse hondentrainer Sauerländer een anekdote gelezen over Hitler die iets duidelijk maakt over de “hondenliefde” van macho’s. De Duitse dictator had altijd herdershonden, die meestal Wolf heetten. Toen Sauerländer Hitler ontmoette, toonde deze hem vol trots zijn Wolf van dat moment. Sauerländer wilde het dier aaien, maar Hitler waarschuwde hem: “Hij bijt u. Dit is een hond die uitsluitend mij gehoorzaamt.” De trainer probeerde het toch en kon het dier strelen zonder dat het gromde of beet. Daarop trok Hitler zijn pistool en schoot de hond ter plekke dood. Toen de verbijsterde Sauerländer hem vroeg waarom hij dat gedaan had, antwoordde Hitler: “Ik wil nu eenmaal een hond die slechts mij gehoorzaamt.” Of de anekdote waar is of niet kan ik niet controleren, maar het is een feit dat Hitler, nadat hij in de laatste oorlogsdagen van Himmler cyaankali-capsules had gekregen, het gif uittestte op zijn hond Blondie. Hij gaf geen krimp toen het dier direct na inname van de pil stierf.’ Toch zijn er honden met een 'normale’ baas die een baby of peuter doodbijten. 'Ik ben geneigd die incidenten als ongelukken te beschouwen. In de Verenigde Staten zijn drieënvijftig miljoen honden. Jaarlijks raken daar meer dan honderdduizend mensen gewond als gevolg van een hondebeet, maar slechts achttien personen, merendeels kinderen, worden doodgebeten. Statistisch gezien is dat aantal onbeduidend. Ik denk dat de hond zich in dat geval heeft “vergist” en het kind voor een prooidier heeft aangezien. Er worden jaarlijks veel meer mensen doodgeschoten door jagers. Toch zullen we er niet aan twijfelen dat het in die gevallen om zeer tragische vergissingen gaat; we zullen niet denken dat de jagers “vals” waren. Het gedrag van politiehonden onderstreept dit. De honden die worden ingezet voor het arresteren van een verdachte, zullen weliswaar hun tanden in diens been of arm zetten maar niet werkelijk doorbijten. Het is buitengewoon moeilijk van een geestelijk gezonde hond een killer te maken, omdat het doden of verwonden van een mens nu eenmaal tegen de natuur van de hond ingaat.’ In uw boek heeft u het over herdershonden in de Duitse vernietigingskampen die wel degelijk mensen verscheurden. 'Ja, deze zogenaamde “Auschwitz-honden” stellen me voor een raadsel. Hoewel, ik kan het antwoord op de vraag hoe de SS die honden zover kreeg al raden: door hun wil te breken en ze vervolgens een keiharde training te laten ondergaan. Er bestaan nu eenmaal geen antisemitische honden. De Auschwitz-honden vormden het psychologische spiegelbeeld van de SS-bewakers. Als we precies zouden weten hoe je van herdershonden gedisciplineerde moordenaars kunt maken, zouden we wellicht ook precies weten hoe dat proces bij mensen in hun werk gaat. Geen enkele nog levende SS-hondentrainer zal dat echter uit de doeken willen doen, en ik heb evenmin kunnen achterhalen wat er met deze kamphonden is gebeurd na de oorlog, al vermoed ik dat ze gewoon zijn afgemaakt.’ ALS WIJ ZOVEEL gemeen hebben met de hond, zou onze aard dan ook niet net zo speels en liefdevol moeten zijn als die van een normale hond? 'Honden hebben veel gemeen met kleine kinderen: hun nieuwsgierigheid, speelsheid, vergevingsgezindheid, hun volstrekte onvermogen tot liegen en grenzeloos vertrouwen in andere wezens. De reden dat zoveel kinderen deze eigenschappen gaandeweg verliezen, ligt niet zozeer in het feit dat zij wel volwassen worden en een hond niet, als wel dat ze in de loop der jaren geestelijk beschadigd raken. Seksueel misbruik of fysieke mishandeling zijn de uitersten, maar onze maatschappij zit zo in elkaar dat iedereen in zijn jeugd wel eens iets vervelends meemaakt dat zijn karakter negatief beïnvloedt. Zelfs als je in het meest harmonieuze gezin opgroeit, zul je op school of in de buurt met iemand worden geconfronteerd die je geestelijk beschadigt. Veel honden hebben echter een leven dat geheel vrij is van dit soort negatieve ervaringen en invloeden. Het letterlijke “hondenleven” is vaak heel wat beter dan het figuurlijke. Ik behoor tot de generatie die in de jaren zestig sterk werd beïnvloed door de ideeën van Herbert Marcuse. En hoewel ik maar al te zeer besef dat de sixties voorbij zijn en nooit terug zullen komen, geloof ik dat zijn opvatting van de homo ludens, de spelende mens, een zekere waarde heeft. De hond kan daarbij dienen als rolmodel. Daarvoor moeten we afstappen van het idee dat de hond ons bezit is en wij zijn baas zijn. Dat de hond een groepsdier is dat een leider nodig heeft, speelt natuurlijk een belangrijke rol in zijn verhouding tot ons. Maar de belangrijkste reden waarom hij bij ons blijft, is niet dat wij hem te eten geven of commanderen; hij houdt gewoon van ons. De relatie tussen mens en hond is veel gelijkwaardiger dan we vroeger dachten. Wanneer we ons antropocentrisme durven laten vallen en dieren meer als gelijken gaan zien dan als inferieure wezens, kunnen we veel van hen leren. Laat ik een klein voorbeeld geven: toen ik met de trein van Amsterdam naar Antwerpen reisde vielen me de smerigheid en armoede van bepaalde buitenwijken op. Dat deprimeerde me en vergalde zelfs enigszins mijn reis. Als mens ben ik nu eenmaal geneigd plaatsen en momenten voortdurend met andere te vergelijken. Een strand is nooit mooi genoeg omdat ik me altijd wel een strand herinner dat mooier was. Een hond vergelijkt nooit. Elke plek waar hij komt is interessant, omdat het er anders uitziet en vooral anders ruikt, en er dus ook weer iets anders te beleven valt. Hij gebruikt weliswaar zijn verstand, maar laat dit zijn - positieve - emoties niet overheersen. Natuurlijk kunnen wij ons nooit zo laten meedrijven op de stroom van gevoelens als een hond, al was het maar omdat wij geen kind kunnen blijven en volwassen moeten worden. De hond kan ons echter emotioneel corrigeren door ons voortdurend te tonen hoe gelukkig en onbezorgd we zonder al onze frustraties en angsten zouden zijn, hoe weinig er eigenlijk voor nodig is om gelukkig te kunnen leven.’