Zomerserie: Vroegere vrienden

Honden in het donker

Ze stond tussen de rokers, te roken. Ze droeg een spijkerbroek, een rode jas (een donsjas, de mode van dat jaar) en rode schoenen. Hoe dan ook, ik zag haar, ze rookte zoals alleen meisjes kunnen roken, en ik wist het: dat is ’r.

Medium 5 huff

‘What we love first is never what we love last, but without that first love we would have never been made whole or allowed into the world of love, and that entrance has to be through another person’

We fietsten over de Paulus Potterstraat, richting het Conservatorium Hotel. Het was ’s avonds laat en het regende. Hard. We waren van een feestje onderweg naar huis.

Ik moet zeggen: zij was onderweg naar haar huis en ik naar het mijne. Ze woonde samen met haar vriend, die een week met vakantie was, en ik met een vriend die een vriend voor me was geweest. Het was na 6,5 jaar net uit met mijn vriendin en hij had gezegd: ‘Jij komt bij mij wonen.’

De hele avond had ik met een mengeling van melancholie, verdriet en verrukking naar haar gekeken.

We hadden het over het Conservatorium Hotel. Ik vroeg haar hoe de kamers daar waren. Ze wist het niet. We keken elkaar aan, onze gezichten nat van de regen.

Een moment lang voelde ik al mijn kleren plakken op mijn lichaam; zoals je natte zwembroek aan je benen kleeft voordat je van de hoge steiger springt, het water in.

Maar ze antwoordde niet.

Ik wachtte nog even, voelde me heel kwetsbaar en zei toen: ‘Waarschijnlijk heel duur.’

Op het Roelof Hartplein zeiden we ‘Slaap lekker’ en we zwaaiden elkaar uit. Misschien pakte ik haar natte hand nog even vast, terwijl we in beweging waren, vlak voordat zij naar links afsloeg, dat weet ik niet meer. Wat ik nog wel weet: het regende zo hard dat we niet van de fiets stapten.

Ik kwam thuis en zelfs de achterkant van mijn spijkerbroek was nat.

***

Everything stuck to him. Zo heet een van mijn lievelingsverhalen van Raymond Carver uit de bundel What We Talk about When We Talk about Love.

Een dochter van een jaar of twintig bezoekt met Kerstmis haar vader in Milaan. Ze vraagt hem een verhaal te vertellen van toen ze kind was. De man vertelt zijn dochter over toen hij en zijn vrouw zelf haar leeftijd hadden, en zij net was geboren. Hij heeft het de hele tijd over ‘de jongen’ en ‘het meisje’. Ze zíjn ook nog kinderen: tieners. De baby kan ’s nachts niet slapen. De volgende ochtend is hij kapot. Als hij wil ontbijten, komt zijn bord met wafel, spek, stroop en gesmolten boter op de kop in zijn schoot terecht.

We zijn rond de dertig. Velen van ons gaan trouwen of krijgen kinderen. Iedere housewarming, verjaardag of bruiloft (van de een komt de ander, het is net een uitslaande brand) gaat het erover: ‘Wie is de volgende?’

Daar praten we dus over als het over de liefde gaat: bruiloften en baby’s.

Meestal kom ik er via Facebook achter wie de volgende verloofde of ouder is: honderden likes onder een foto die boven aan je feed verschijnt. Zo ging het ook bij haar.

Het verbaasde me. Niet dat ze ging trouwen of dat ik er op deze manier achter kwam – we zien elkaar tenslotte maar vier of vijf keer per jaar en ze zijn al een tijd samen – maar het gevoel dat ik had in mijn borstkas: kort, scherp en drukkend, alsof ik iets in het water had laten vallen wat niet meer te achterhalen was.

The Thing about Life Is That One Day You’ll Be Dead is de titel van een memoir van David Shields uit 2008. Generatiegenoot Jan Postma haalde het onlangs aan in zijn Kousbroek-essay voor Das Magazin. Op een dag ben je dood, ja. Maar een ander belangrijk ding van het leven is volgens mij dat er maar één leven is: er is vaak wel genoeg tijd om de dingen te overdenken, keuzes voor te stellen en denkbeeldig door te nemen, maar er is nooit genoeg tijd om twee of drie van die mogelijkheden mee te maken. (Je bent maar één jaar lang twintig. Terwijl ik drie keer twintig wil zijn, alles wil proberen. Maar dat gaat niet.) Dáár gaat Carvers verhaal ook over: een man wil het ene doen – jagen –, maar hij moet het andere doen – bij zijn vrouw en pasgeboren kind blijven.

Je leven is één verhaal geleefd uit honderden mogelijke verhalen. En soms blaffen die andere verhalen tegen je, als honden in het donker.

In de dagen nadat we langs het Conservatorium Hotel waren gefietst dacht ik vaak: ik had dat anders moeten doen. Huisgenoot A. zei: ‘Ja, je had gewoon moeten zeggen: “Laten we dat eens even bekijken, dan.”’

Een andere vriend was subtieler: ‘Je zegt: “Laten we eerst eens kijken hoe de bar is,” gaat naar binnen, neemt plaats aan de bar en zegt na een drankje dat je naar de wc moet. Daarna kom je terug met een kamersleutel.’

De vraag was: wat wilde ik eigenlijk? Zoenen, natuurlijk. Met een mooi, slim, scherp meisje dat ik al jaren bewonderde. Maar wilde ik dat niet vaker – ook niet toen ik zelf een relatie had? En hield ik me toen ook niet in? En was zij nu niet nog ‘gewoon’ met iemand anders? Gesteld dat zij óók wilde zoenen, wat wilde ik dan ná dat zoenen? Ik moest bekennen dat ik dat ook niet wist.

‘We geloven dat mensen een beredeneerde keuze maken’, schreef Arnon Grunberg onlangs in de krant. ‘Zo werkt het niet. Mensen kiezen en daarna plakken ze er een redenering aan vast.’

***

Begin 2000 was ik vijftien. Ik was van de ene school in het Gooi – een categoraal gymnasium – overgestapt naar de andere scholengemeenschap een dorp verderop.

Ik had gedacht dat ik ongelukkig was door de kleine school waarop ik zat, waar bijna iedereen meedeed aan kleine avonden, grote avonden, bondsavonden: toneelstukken die bewerkingen waren van Griekse tragedies en de feesten van de schoolbond. Nu denk ik: ik was op elke school ongelukkig geweest, want ik was ongelukkig. Door het concept ‘school’, door mijn ouders, door het dorp waar ik opgroeide, door het Gooi. Maar de schoolwisseling pakte goed uit. Het was een grotere school, anoniemer, je kon in het midden van de kudde meelopen zonder op te vallen, en je kon er na het weekend over Studio Sport praten.

En omdat het een grotere school was, zaten er ook meer meisjes op.

Op het schoolplein stond een rokershok, gemaakt van lange, horizontaal op elkaar gelegde houten planken – met graffiti rood en groen en paars gespoten door de leerlingen.

Het was lente, de hemel was lichtblauw, helder en heel diep, maar het was nog steeds koud.

Ze stond tussen de rokers, te roken. Ze droeg een spijkerbroek, een rode jas (een donsjas, de mode van dat jaar) en rode schoenen. Hoe dan ook, ik zag haar, ze rookte zoals alleen meisjes kunnen roken, en ik wist het: dat is ’r.

Ik vroeg iemand uit mijn vriendengroep hoe ze heette.

Isabel, zei hij.

Twee of drie weken later ging Isabel op een vrijdagavond in de kroeg met B. naar buiten. Ik stond op straat en zag haar weglopen.

***

Ik ben geboren in het midden van de jaren tachtig. Een kind van de crisis, dus, maar daar kreeg ik als kleuterende peuter weinig van mee. De groei van mijn bewustzijn valt samen met de economische groei van de jaren negentig. Ik ben volwassen geworden in een land waarin iedereen een baan had, een tweede auto – of een derde, om een hogere kilometerbijtelling te omzeilen –, waar het idee heerste dat vrijetijdsbesteding vooral duur moest zijn, en waar alles kon worden aangeschaft: een tweede Compaq computer, een derde televisie, een met Frisia-geld gefinancierde bungalowwoning – een land, kortom, waar alles kon: het homohuwelijk, euthanasie, Menno Buch (maar ook Boudewijn), de carpoolstrook. In dat tijdvak ben ik in de grondverf gezet. Alles was mogelijk.

Zomaar drie dingen die ik heb meegekregen:

(1) Rijke mensen maken de rest ook rijker.

(2) ‘Vrije marktwerking’ is de beste strategie voor kwaliteit in alle sectoren, ook voor openbaar vervoer, onderwijs en zorg.

(3) Er liggen straks goede banen op je te wachten. We leven in een postcrisistijdperk. The end of history.

Je moet diep schuren bij mij, en – als ik dat zeggen mag – mijn generatiegenoten om bij de paarse grondverf van die opvattingen te komen, het weg te halen en het blanke hout bloot te leggen.

Zo bekijk ik mezelf vanuit een breder, maatschappelijk spectrum. Maar er is natuurlijk ook nog die kleinere maatschappij waarin ik opgroeide: mijn familie. Het werk van mijn ouders, hun houding ten opzichte van politici, de bladen die ze lazen, de sfeer in de auto onderweg naar Frankrijk.

Ellendig.

En de series (Growing Pains, Full House) die ik thuis zag, de Disney-films. De idee dat er één iemand voor je is: ik zag haar en ik wist het.

Maar ik had dus ook geleerd dat liefde, zoals bij mijn ouders, ellendig was. Daar zongen mijn lievelingsbandjes over, daar gingen alle boeken van Graham Greene over: liefde is ellende. Het hele leven, eigenlijk. Je kunt het daarom beter alleen doen.

Hoe dan ook: in mijn wereldbeeld was het heel logisch dat ik verliefd was op een meisje dat met een ander de kroeg uitliep. Maatschappelijk was misschien alles mogelijk, persoonlijk was dat niet zo.

Ook dát was mijn onderste laklaag. >

***

Het verhaal van Isabels ouders was anders. Zij ontmoetten elkaar toen haar moeder 29 was, haar vader 32. Hij was al een keer getrouwd geweest. Isabels moeder kwam uit een katholiek gezin; haar vader was een strenge man. Maar niet zo ouderwets dat Loes niet modern kon zijn: ze woonde op zichzelf in Haarlem, had een baan, was verloofd met een man die in Zwitserland werkte. Ze blies de verloving af.

Haar ouders gingen nog dezelfde avond dat ze elkaar ontmoetten uit eten. ‘Het was echt raak’, zei haar moeder. Toen ze 32 was, kreeg Loes haar eerste kind. Een dochter. Twee jaar later volgde Isabel, drie jaar daarop de jongste, weer een meisje.

‘Sterke mannen krijgen dochters’, zei mijn schoonvader (vader van twee dochters) altijd.

Maar op zijn 48ste werd Isabels vader ziek. Kanker. Twee jaar later was hij dood. Door haar ouders geloofde Isabel wel in het idee van echte liefde: ‘Ze deden veel met elkaar, met z’n tweeën met vakantie, uit eten in Amsterdam. Het was een goed huwelijk.’

***

We zaten inmiddels in de eindexamenklas. Op een dag nam J. me mee naar het dorp. Naar een fotowinkel. We stonden voor de etalage. ‘Kijk eens goed’, zei hij.

Het was een foto van Isabel.

‘Misschien kun je ’m kopen’, zei hij lachend.

Mobieltjes bestonden net. Je had vier euro beltegoed en het was vijftig cent per bericht. Op een verjaardag gaf iemand me haar nummer (het was uit met haar vriendje). Ik vroeg Isabel of ze ook kwam. Ik vergat mijn naam onder het bericht te zetten. Ze reageerde niet. Later hoorde ik dat ze wel wist dat ik het was geweest, maar dat ze zich niet wilde ‘laten kennen’.

Toen ze niet lang daarna een dagje ziek was, stuurde ik haar weer een berichtje, met mijn naam eronder. Deze keer reageerde ze wel. Een paar dagen later gingen we een drankje drinken in de kroeg. Die avond keken we een film en zoenden.

Een warm huis, een lieve moeder en lieve zussen; Isabels elegante handen, de palmen, de bovenkant van haar vingers, de aderen in haar armen. Haar tanden en haar lach. Je eerste liefde. Dáár zouden ze eens een liedje over moeten schrijven. Over het simpele, alles-vervullende genot haar hand vast te houden, hoe prachtig ze er ’s avonds uitziet, precies zoals ze is, je meisje, en de warme telefoon onder je wang, op het kussen, je belde haar gewoon om haar te zeggen dat je van haar houdt – het was de eerste keer dat ik zoiets zei.

***

We hadden een jaar ‘verkering’, zoals dat toen heette (hoewel ik het liever over ‘mijn vriendinnetje’ had), en het was fijn, maar de dichter heeft gelijk als hij zegt dat geluk zich slecht laat beschrijven. Bovendien wist ik zeker dat het verkeerd zou aflopen. Toen ik klaar was met mijn eindexamen, wist ik wat ik wilde: weg van mijn ouders. En zo lang mogelijk. Ik had gespaard om een tijdje in Zuid-Spanje te kunnen wonen en daarna door te reizen naar Zuid-Amerika.

Dat laatste plan ging niet door. De crisis in Argentinië stak er een stokje voor. Een crisis: dat was ook iets voor aan de andere kant van de wereld.

Ik liep met Isabel door een parkje achter haar huis. Naast het pad lag een lager gelegen slootje vol krooswater. Ik vertelde haar dat ik weg wilde. Alleen. Zonder verantwoordelijkheid of het gevoel een verplichting ergens toe te hebben.

Ik leerde toen dat het leven een schreeuwende contradictie is: dat je altijd allerlei tegengestelde dingen tegelijkertijd wilt. Maar dat er grenzen zitten aan het leven. Dat je maar één keuze kunt beleven.

Wat ik nog niet zag, is dat het bonnetje voor die les later komt. Dat is wat ik leerde van de verhalen van Carver: je voelt je sterk, ook al leer je je les, maar de bon komt later: de tijd loopt door. Misschien zijn het in zijn verhalen daarom altijd tieners die trouwen. Ook in Everything Stuck to Him: ‘But he stays by the window, remembering. They had laughed. They had leaned on each other and laughed until the tears had come, while everything else – the cold, and where he’d go in it – was outside, for a while anyway’. Het maakte niet uit: het duurde nog een tijd voordat ik dat zou zien.

***

Nu is het lastig om een baan te vinden. Ik zit met vrienden in de kroeg – een afgestudeerde kunsthistoricus, haar contract bij het Rijks­museum werd niet verlengd; een psycholoog, ze zeggen overal dat als ze iets meer werkervaring had gehad… maar hoe kom je aan die werk­ervaring als niemand je aanneemt? Een afgestudeerde arts – ook geen baan. We hebben het hoogste werkloosheidscijfer onder hoog­opgeleiden sinds de jaren tachtig.

De mensen mét een baan klagen ook: ze zeggen dat de achterstand in salaris (de lonen staan al vier of vijf jaar stil) nooit meer wordt goed­gemaakt. En een waardevermeerdering van onze huizen zoals de generatie van onze ouders meemaakte zullen we waarschijnlijk ook niet kennen.

Isabel kan zich niet zo opwinden: ‘Maar ik denk dat dat ook iets is wat in je zit… Of je snel boos wordt of depressief. Ik heb dat niet zo. Natuurlijk ben ik wel eens boos, maar na een dag is dat dan weer weg.’

Wat betreft werk: ze denkt wel te weten wat ze leuk vindt, maar bovenal hoopt ze dat de boel weer aantrekt, en dat ze niet alleen kan nadenken over wat ze leuk vindt, maar ook gewoon wat kan proberen ‘en dan ergens tegenaan loopt’. Ze heeft vertrouwen.

Misschien moeten we andere bakens kiezen voor ons gevoel van welzijn. Minder ophangen aan welvaart, aan auto’s en aan huizen. Maar een baan, een baan is toch wel een noodzakelijke voorwaarde voor een gevoel van eigenwaarde, voor wat inkomen om een dak boven je hoofd te kunnen betalen (ook zo’n voorwaarde).

Isabel is gelukkig, ze heeft werk en een dak boven haar hoofd en niemand in haar omgeving is ziek of chronisch ongelukkig. Ze heeft onlangs een neefje gekregen. Haar aanstaande heeft een goedlopend café.

Want ja: ze heeft dus iemand gevonden met wie ze wil trouwen. En met wie ze kinderen wil.

Ik vind het fijn dat te horen. Ook omdat ik nu geloof dat dat kan: mensen die trouwen en gelukkig zijn. Maar het vervult me ook met een gevoel van melancholie: de dingen gaan voorbij, ja. En juist omdat de dingen voorbijgaan, kunnen ze altijd weer terugkeren. Om je even te achtervolgen.

***

We fietsten over de Paulus Potterstraat, richting het Conservatorium Hotel. Het was ’s avonds laat en het regende. Hard. We waren onderweg naar huis.

Zij naar haar huis en ik naar het mijne.

De hele avond had ik met een mengeling van melancholie, verdriet en verrukking naar haar gekeken.

Het daagde me. Waar we niet over praten als we over de liefde praten: dat er steeds meer levens bijkomen die je had kunnen leven, niet minder. En dat al die levens soms aan je blijven plakken, als natte kleren in de regen.

Je kunt de tijd niet bedriegen, alleen de keuzes die je hebt gemaakt. En de grootste vorm van bedrog is waarschijnlijk te geloven dat je meer kunt hebben dan je hebben kunt. Die wetenschap, weet ik nu, is behoorlijk duur. Maar ook heel wat waard.

Op het Roelof Hartplein, zeiden we ‘Slaap lekker’ en we zwaaiden elkaar uit. Misschien pakte ik haar natte hand nog even vast, terwijl we in beweging waren, vlak voordat zij naar links afsloeg, dat weet ik niet meer. Wat ik nog wel weet: het regende zo hard dat we niet van de fiets stapten.


De debuutroman van Philip Huff (1984), Dagen van gras, werd verfilmd en zijn tweede roman, Niemand in de stad, won de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs. Dit voorjaar verscheen zijn eerste verhalenbundel, Goed om hier te zijn

Vroegere vrienden

De Groene Amsterdammer vroeg vijf schrijvers terug te keren naar hun jongere jaren en te reflecteren op wie hun beste vrienden waren, en hoe ze die uit het oog hebben verloren. In reportage, memoir of essay gaan Gustaaf Peek, P.F. Thomése, Yannick Dangre, Shira Keller en Philip Huff op zoek naar hun vertrouweling van weleer.