Hondensentiment

ALS IK WIL LACHEN, pak ik sinds jaar en dag J.A.M. Biesheuvel uit de kast, In de bovenkooi, en lees bladzijde 51. Wil ik huilen, dan herlees ik ‘Willem’ in Veertig van Kees van Kooten. Zijn uitspraak over hondenliefde staat in mijn geheugen gegrift: ‘Mensen die niet van honden houden, durven niet helemaal van zich te laten houden.’ Als geen ander mag Van Kooten zich aan het sentiment uitleveren omdat hij de schaamte daarover tot een kunst heeft verheven.

Schaamteloos is Jan Siebelinks Mijn leven met Tikker. In eerste instantie liet ik me misleiden door de titel en dacht ik met een autobiografisch document van doen te hebben. Pas na ruim honderd bladzijden begon me te dagen dat het beschrevene het normale ik-en-mijn-hond-drama overschrijdt. De hond berijdt liever de arm van zijn baas dan een ontvankelijke teef. De baas laaft zich aan deze liefkozingen en ontpopt zich tot een zonderling die zich samen met zijn hond verschanst tegen de boze buitenwereld. Alles een klein beetje te zot om waar te zijn, maar niet zot genoeg voor een komedie of treurspel. Wat het dan wel is? Ik denk een oprecht geval van boekstaving van hondenliefde: liefde van de baas voor de hond en omgekeerd. Een tribuut voor een hond die er niet meer is.
In dit genre is Olle van Guus Kuijer het onbetwiste hoogtepunt. Misschien is het oneerlijk om in een recensie van een roman voor volwassenen met een kinderboek aan te komen. In zijn lichtvoetigheid heeft een geslaagd kinderboek immers iedere schijn van diepzinnigheid mee, terwijl het omgekeerde geldt voor volwassen romans die aan diepte hopen te winnen door iedere schijn van lichtvoetigheid te vermijden. Sinds Olle kan ik echter geen boek meer lezen waar een hond in voorkomt, zonder aan hem te denken. Olle is van begin (motto ‘Nadenken, maar niet te diep’) tot slotregel 'Het was een wonder’ een juweel, een prachtboek, waarin alles wat mens aan dier verbindt aan de orde komt en dat tegelijkertijd een beetje bespot. Kuijer weet het risico van antropomorfisme (dat je denkt dat een dier ook een beetje een mens is met bijbehorende gevoelens) vóór te zijn door Olle sprekend op te voeren. Eerst kon alleen zijn vrouw Corrie hem verstaan ('Wat een drama! Een kerngezonde vrouw in de kracht van haar leven! Gelooft dat een hond praat’), maar gelukkig dringt het al gauw ook tot Guus zelf door: 'Nu ik erover nadenk: Olle heeft altijd gepraat, maar ik wist niet dat het praten was.’
HET DIER ALS schrijversonderwerp, dat moet wel op janken uitlopen. Want: primitief en toch onkenbaar (Doeschka Meijsing in Beste vriend: 'Hij is een wezen, dat is het sterkste dat over hem te zeggen valt’), maar bovenal sterfelijk. De baas overleeft zijn hond, in de regel. Zowel Mijn leven met Tikker als Olle zijn doortrokken van vergankelijkheidsbesef. 'Ik schrijf dit boek omdat ik niet wil dat hij doodgaat’, schrijft Kuijer op de eerste bladzijde. De doodsangst van de ik-figuur in Siebelinks roman wordt verhevigd door het zichtbaar ouder worden van zijn hond. 'Wat moet een hond zonder zijn baas? Een baas zonder zijn hond? Die twee horen bij elkaar sinds onheuglijke tijden. Alle zin van een hondenleven lag in zijn baas. Alle zin van mijn leven lag in mijn hond.’ Nee, echt gerelativeerd wordt de relatie tussen mens en dier hier niet. Heel soms vraagt de ik-figuur zich af of hij het gevoelsleven van zijn hond wel kan doorgronden: 'Tikker was blij dat we weer op weg waren. Hij keek me aan en het leek me dat hij dat met zoveel woorden wilde zeggen. Of bedenk ik dat maar? Maak ik de hond intelligenter dan hij is? Net als je geliefde die je allerlei onbestaande eigenschappen toedicht? Is die hond ook een beetje het werk van mijn verbeelding?’ Meestal weet hij echter wat zijn hond bezielt: 'Een hond, net als een mens, wil graag ergens bij horen, wil boven alles favoriet zijn bij de enige op de wereld aan wie hij zich heeft uitgeleverd.’
NU HOEFT DAT gebrek aan relativering een document bestial niet op te breken, getuige de tranentrekkende verhalen en gedichten van Kousbroek over katten, en het mooie 'Afscheid’ in Gehuurde wereld van Sarah Hart. Maar waarom benauwt de symbiotische relatie tussen Tikker en zijn baas dan, in plaats van dat zij ontroert? De mooiste passages in het boek bevatten het summum aan hondensentiment en zijn tevens die momenten waarop ik dacht dat Mijn leven met Tikker dan toch als een groteske moest worden gelezen. Tikker vertikt het bijvoorbeeld op een avond in zijn mand te gaan, alle commando’s en dreigementen van zijn baas ten spijt. En zoals dat dan gaat: er vallen klappen. 'Jou slaan! Jij, die niets voorgeeft, die niet de dubbele glimlachjes van de mensen kent, die geen pretenties hebt, onschuldig bent. En toevallig je redenen had, je gegronde redenen, die ik alleen niet begreep, om niet in de mand te willen.’ Gebroken verschijnt de baas de volgende ochtend op de school waar hij leraar is. Enige tijd later maakt hij gebruik van de weekopening die via de intercom in alle klaslokalen te horen is om in het openbaar schuld te belijden. 'Ik zei dat er in de afgelopen tijd iets heel ergs was gebeurd… Ik wachtte, slikte, schraapte mijn keel, kuchte. Het was zo erg geweest dat ik er nog steeds ’s(nachts wakker van schrok en dat ik nu bij het praten erover, rood werd van schaamte.’ Na de lessen kan hij bij de rector komen voor een exit-gesprek.
Tegenover deze uitschieter staan echter de eindeloze wandelingen in het bos, met telkens weer de hamvraag 'Is het een teefje?’, de bezoekjes aan de dierenarts, de lange avonden gezamenlijk op de bank en andere hoogte- en dieptepunten in het leven van een hondenbezitter. De realistische en groteske elementen gaan geen gelukkige verbinding aan. Uit Mijn leven met Tikker stijgt de damp van een angstig provincieleven op en niet een weemoedig stemmende hondenlucht. De ik-figuur, die slaags raakt met eenieder die ook maar iets van zijn hond waagt te zeggen, die brieven stuurt naar de krant over het verdwijnend natuurschoon en die overal gevaar voor zijn hond en zichzelf ziet, is een onaangepaste, maar uiteindelijk toch ook op en top een burgerman. Een bange held, die leeft met de zekerheid dat alleen zijn hond zekerheid biedt. Bleke levens zijn het, die van Tikker en zijn baas. Hun gezamenlijk hoogtepunt beleven ze op een plek in de berm, de kale akker vóór hen, achter hen een passerende trein, naast hen een vermolmde bermpaal met daarop 'trillend blauw’ korstmos. 'Verderop was een boer bezig de omheining van zijn land te herstellen.’ Alle tranen die de ik-figuur plengt bij zijn Tikkertje doen die van mij bij voorbaat steken. Ach gut, en dan Olle. ’(“Ga maar lekker slapen Olle,” zeiden we. “Dat is goed, dat doe ik,” zei Olle.’