CHINESE INTELLECTUELEN

Honderd bloemen

China moet fundamentele beslissingen nemen voor zijn toekomst. De partijleider gaat niet bij het volk te rade. Waar haalt hij dan zijn wijsheid vandaan?
Met de herontdekking van het confucianisme zou China wel eens een filosofenstaat kunnen worden.
Anders dan in de tijd van Mao hebben denkers en kunstenaars nu wél een stem, maar een confrontatie willen aangaan met het gezag zit niet in de genen van de pragmatische Chinese intellectueel.

HOU EENS EEN tijdje de Chinese massamedia bij en ga na waar ze het over hebben. Ze blijken, het zal geen verrassing zijn, vooral doorgeefluiken van de woorden en daden van de autoriteiten. Soms leggen ze de lat van de zelfcensuur lager en verschijnt er iets kritisch. Als dat niet tot represailles leidt, roepen welwillende waarnemers dat kritiek in China wel degelijk mogelijk is.
Dat is inderdaad zo, al weet niemand hoeveel van dit soort publicaties zijn ingefluisterd door partijmensen die hun afwijkende standpunten naar buiten willen brengen. Hoe het ook zij, veel te weinig komt in de grote media de kernvraag aan de orde waar de rest van de wereld hevig in is geïnteresseerd: waar gaat China naartoe? Alsof de Chinezen zelf dat niet kan schelen.
Natuurlijk stellen de media ons uitvoerig op de hoogte van de officiële doelen en ambities. Bijvoorbeeld een verviervoudiging van het bruto binnenlands product tussen 2000 en 2020, versmalling van de gapende welvaartskloof, verhoging van de gemiddelde levensstandaard, sanering van het verziekte milieu, de opbouw van een harmonieuze samenleving, de vreedzame ontwikkeling naar de status van grote mogendheid, ja zelfs de geboorte van een harmonieuze wereld.
Voor een deel is dat zeker wishful thinking of even holle retoriek als de olympische leuze One World One Dream. Maar zeg niet te gauw dat in China iets niet kan. Wie dertig jaar geleden, vlak na de collectieve zelfdestructie tijdens de Culturele Revolutie, had voorspeld dat het postmaoïstische China de grootste kapitalistische naties weldra naar de kroon zou steken, zou voor gek zijn versleten. In dertig jaar heeft het Rijk van het Midden zich ontwikkeld met een ongeëvenaarde snelheid en intensiteit, waarvoor de superlatieven te kort lijken te schieten.
Het tot nu toe gevolgde economische model heeft van China de werkplaats van de wereld gemaakt. Het doel was ontwikkeling tegen elke prijs, en groei om wille van de groei alleen. Dat hield in zo laag mogelijke lonen, zo weinig mogelijk zorg voor het milieu, zo hoog mogelijke buitenlandse investeringen, zo veel mogelijk kopiëren van buitenlandse technologie, zo omvangrijk mogelijke exporten. Dat model heeft duidelijk de grenzen van zijn mogelijkheden bereikt en kraakt aan alle kanten.
China is op een punt gekomen waarop het fundamentele beslissingen moet nemen voor zijn toekomst. Voor de communistische partij is dat een kwestie van politieke overleving. Wat hebben de leiders met China voor? En hoe denken ze dat doel te bereiken? Uit alle brandende kwesties zullen topprioriteiten moeten worden gekozen. Er zal diep moeten worden nagedacht over de manier om die prioriteiten het minst met elkaar te laten conflicteren en ze het best uit te voeren.
Het verhitte publieke debat dat je over dit soort vitale zaken zou verwachten, ontbreekt vrijwel geheel. Er zijn in China geen Balies of Rode Hoeden. Een elite debatteert in elitetijdschriften of binnenskamers. Soms klinken echo’s daarvan door in kranten. Kritische artikelen op internet overleven af en toe de censuur. Maar aan het gros van de media, dus aan het gros van de bevolking, gaan die debatten volkomen voorbij.
De Chinezen mogen soms hun mening geven in opiniepeilingen, of ze mogen meepraten over de prijs van een metrokaartje of de bouw van een vervuilende fabriek, en op dorpsniveau mogen ze hun leider kiezen – die echter ondergeschikt is aan de niet-gekozen lokale partijleider – maar veel verder gaat de inspraak niet. In een verticaal georganiseerde maatschappij als de Chinese heeft het gezag immers niet de gewoonte het volk te raadplegen. Dat gold in de keizertijd, en het geldt nog steeds. De mensen moeten vertrouwen hebben in de wijsheid en goedertierenheid van de keizer. Ze hebben niet het recht een afwijkende mening te ventileren, als ze die al hebben. Gewone mensen bemoeien zich immers niet met zaken die alleen de keizer en zijn hof aangaan.
Het keizerlijk gezag is tegenwoordig in handen van een communistisch leiderscollectief dat zijn mandaat niet meer aan de hemel maar aan de geschiedenis ontleent. In de uitoefening van het gezag en de relatie met de onderdanen is echter verrassend weinig veranderd. Nog altijd is het volk respect en gehoorzaamheid verschuldigd aan leiders die het niet gekozen heeft. Nog altijd dienen die leiders het collectieve belang te verdedigen willen ze hun mandaat om te regeren niet verliezen. En nog altijd worden de grote beslissingen genomen achter hermetisch gesloten deuren. De kleine beslissingen trouwens ook.
Wie vroeger ongenood de Verboden Stad probeerde binnen te komen, moest die euveldaad met de dood bekopen. Wanneer de keizer zich buiten zijn paleis begaf, was het het gewone volk ten strengste verboden de blik naar hem op te slaan. Die regel lijken de huidige leiders met hun bezoeken aan boeren en mijnwerkers aan hun laars te lappen. In een tijd waarin de sociale spanningen om de haverklap in lokale volksopstanden tot ontlading komen, toont een keizer/partijleider die zijn mandaat niet wil verliezen, dat hij hart heeft voor zijn volk. Maar hij gaat in geen geval bij het volk te rade. Waar haalt hij dan zijn wijsheid vandaan?

In de campagne Laat Honderd Bloemen Bloeien vroeg Mao de intellectuelen vrijuit hun mening te geven over de revolutionaire hervormingen die hij tot dan toe (1956) had uitgevoerd. Degenen die met kritiek kwamen, kregen prompt Mao’s wraak over zich uitgestort. De Grote Stuurman liet zich aan de mening van deskundigen niets gelegen liggen. Politieke overwegingen waren voor hem altijd doorslaggevend, en daaraan moest de werkelijkheid zich aanpassen. Het waren de hoogtijjaren van de maakbare samenleving, waarin voor een politieke wil altijd een weg was – ook als die politieke wil onzinnig of krankzinnig was, zoals de pretentie om tijdens de Grote Sprong Voorwaarts een industriële revolutie teweeg te brengen. De Sprong leidde tot een hongersnood met waarschijnlijk het grootste aantal doden uit de geschiedenis.
Dertig jaar geleden begon de economische revolutie van Deng Xiaoping en daarmee de rehabilitatie van het intellect. De studenten en intellectuelen die tijdens de Culturele Revolutie naar het platteland waren gestuurd om in de leer te gaan bij de boeren, kwamen terug naar de stad, de universiteiten gingen weer open, en de wetenschap kwam in hoog aanzien. De ontwikkeling van wetenschap en technologie werd een van Dengs ‘vier moderniseringen’ (de andere behelsden landbouw, industrie en defensie). Dat was een economische en vooral politieke noodzaak. China moest immers snel moderniseren, zodat althans een deel van de bevolking rijk zou worden en de communistische partij een nieuwe legitimiteit kreeg.
Na Deng kwam de macht in handen van communistische technocraten: de vorige partijleider-president Jiang Zemin is van huis uit elektrotechnisch ingenieur, zijn opvolger Hu Jintao waterbouwkundige. ‘Wetenschappelijke ontwikkeling’ zal volgens Hu het confucianistische en nu ook communistische ideaal van de ‘harmonieuze samenleving’ dichterbij brengen. Daartoe wordt enorm geïnvesteerd in wetenschappelijk onderzoek en is het aantal plaatsen aan de universiteiten met miljoenen uitgebreid.
De universiteiten hebben echter niet tot taak kritische intellectuelen op te leiden. Daarvoor is het confucianistisch-communistische onderwijssysteem nog altijd te weinig gericht op creativiteit en zelfstandig denken. Bovendien zijn er verplichte colleges over de staatsideologie en worden de studenten scherp in de gaten gehouden op afwijkende politieke opvattingen. Voor studenten hoeven de autoriteiten niet bang te zijn. Velen zijn verwoed nationalistisch. Met het oog op hun carrière en connecties staan veel studenten te trappelen om lid te worden van de communistische partij. De studentenrevolte van 1989 is voor hen, voorzover ze er weet van hebben, prehistorie.

Dat we zo verbazend weinig weten over de manier waarop in China beslissingen worden genomen komt deels door een combinatie van de keizerlijke en de communistische manie voor geheimhouding, deels doordat de leiders de buitenwereld willen laten geloven in de eenheid aan de top. Een partij die altijd gelijk zegt te hebben en wil dat het volk denkt zoals zij, kan zich geen transparantie veroorloven. In zo’n groot land met zo veel problemen en zo veel uiteenlopende belangen is het logisch dat er een veelheid aan opinies bestaat, maar de erkenning daarvan zien de hoogste leiders als een onduldbaar teken van zwakte. Want dan zou blijken dat achter de schermen de eenheid ver te zoeken is. Leiders, facties en scholen voeren vaak een keiharde strijd over de keuzes op economisch, sociaal en politiek gebied. In die strijd spelen intellectuelen als adviseurs of spreekbuizen van de regering of als pressiegroep een belangrijke rol.
Intellectuelen in China zijn vooral te vinden in academische instituten. Het belangrijkste daarvan is de Chinese Academie van Sociale Wetenschappen, een complex van 31 researchinstituten die in totaal ruim vijftig onderzoekscentra runnen. Bijna vierduizend stafleden doen daar research op 260 verschillende vakgebieden. Natuurlijk is de Academie geen onafhankelijke instelling. Ze ressorteert rechtstreeks onder de Staatsraad, China’s hoogste bestuurlijke instantie. In een land waar zelfs de niet-gouvernementele organisaties door de regering worden gecontroleerd, is academische onafhankelijkheid ondenkbaar.
Dat houdt in dat de politieke alleenheerschappij van de communistische partij in geen geval in twijfel mag worden getrokken en dat over partijdogma’s niet kan worden gediscussieerd. Taiwan, Tibet en Xinjiang zijn dus ook voor de intellectuelen onvervreemdbare delen van China, het bloedbad van Tienanmen was een contrarevolutionair oproer dat het leger terecht heeft gesmoord, en de zwarte bladzijden uit het verleden blijven ongelezen. Historische opvattingen die van de officiële lijn afwijken kunnen gemakkelijk gezien worden als een aanval op de partij. Daarom blijft men af van de geschiedenis zoals de partij die heeft geschreven. Het gaat erom, net als in de keizertijd, het systeem goed te laten functioneren, niet om het te vervangen.
Sinds Mao is het systeem echter, binnen de toegestane grenzen, enorm in beweging. Maar waar gaat die beweging naartoe? Daarover gaan de debatten van de intellectuelen. Niets is er meer dat hen bindt, zoals vroeger het confucianisme. Opnieuw bloeien er honderd bloemen. Op economisch gebied kruist ‘nieuw rechts’, dat de kapitalistische hervormingen nog niet ver genoeg vindt gaan en een complete privatisering wil, de degens met ‘nieuw links’, dat zich verzet tegen de grote ongelijkheid in inkomen en het wilde neoliberalisme wil intomen. Globalisten die China nog verder willen integreren in de wereldeconomie botsen op voorstanders van een meer inwaarts gerichte ontwikkeling. Sommigen debatteren over China’s mondiale rol en de vraag wat China de wereld te bieden heeft. Anderen wisselen ideeën uit over de politieke toekomst in eigen land: een zekere liberalisering, de opbouw van een ‘participatiedemocratie’ met volksraadplegingen en opiniepeilingen, een democratisering van de communistische partij via interne verkiezingen, de opbouw van een onafhankelijke rechterlijke macht en van een systeem van checks and balances.
De meeste intellectuelen lijken oprecht te geloven in de mogelijkheid van politieke evolutie onder communistische leiding. Ze vertrouwen erop dat de partij zelf zal inzien dat politieke veranderingen noodzakelijk zijn wil de corruptie en de golf van sociale onrust niet nog groter worden en daardoor het machtsmonopolie van de partij bedreigen. Westerse intellectuelen vinden hun Chinese collega’s vaak laf omdat ze de frontale confrontatie met de dictatuur uit de weg gaan. Het Westen weet niet dat een confrontatie met het gezag niet in de genen van de pragmatische Chinese intellectuelen zit.
Wie die confrontatie wél aangaat, kan het slecht vergaan. De zeer kritische petitie van 29 intellectuelen in maart over de repressie in Tibet na de geweldsuitbarsting was zeer uitzonderlijk en getuigt van grote moed. De intellectueel-activist Hu Jia kreeg in april drieënhalf jaar gevangenisstraf, de schrijver Du Daobin werd vorige week opnieuw gearresteerd. De nieuw-linkse intellectuelen Wang Hui en Huang Ping werden een jaar terug ontslagen als hoofdredacteuren van het blad Dushu (Boeken lezen), sinds 1979 de leidende publicatie van de Chinese intelligentsia. Dat ontslag was des te onverwachter omdat de huidige topleiding van de partij veel van de nieuw-linkse ideeën over sociale rechtvaardigheid en het milieu heeft overgenomen.
De uitvoering van die ideeën is vers twee. Lokale leiders saboteren vaak de beslissingen van de centrale regering, of Peking zelf komt op zijn schreden terug. Zo heeft Hu Jintao, na jarenlange officiële verzekeringen over de versterking van de rechtsstaat, de rechters kort geleden de instructie gegeven dat ze de belangen van de partij boven alles moeten laten gaan, de wet inbegrepen. Intellectuelen die daarop kritiek willen uitoefenen, zullen zeer omzichtig te werk moeten gaan. Onze logica zegt: een land dat zich economisch ontwikkelt en een steeds sterkere middenklasse krijgt, komt vanzelf uit bij de democratie. Want dat is het systeem waar de meeste mensen baat bij hebben en dat het meest geschikt is om een crisis het hoofd te bieden. Maar dat is onze logica. Die houdt geen rekening met de Chinese traditie, het opgevlamde nationalisme en de soepelheid waarmee de communistische partij zich aan nieuwe omstandigheden aanpast om aan de macht te blijven. Als die aanpassing noopt tot democratie, dan wordt China democratisch.
…………………………………………………………………………………………………….
Een paar namen van Chinese intellectuelen die we in de gaten moeten houden:

Zhang Weiying, volgeling van de neoliberale goeroes Hayek en Friedman, houdt ontwikkelingslanden het Chinese model voor.
Zhu Xueqin, historicus, wil de economische rol van de staat nog veel verder terugdringen.
Pan Wei, propagandist van de ‘raadplegende democratie’.
Yu Keping, voorstander van een geleidelijke democratisering, te beginnen bij de partij.
Yan Xuetong en Yang Yi, streven naar een door China overheerste wereldorde.
Zheng Bijan, pleit voor een belangrijke internationale rol van China als verantwoordelijke wereldmacht.
Hu Angang, liberale econoom, wil meer bestuurlijke openheid en overgang naar een model van duur-zame ontwikkeling, pleit bij ontwikkelingslanden voor het Chinese model.
Cui Zhiyuan, vriend van de in ongenade gevallen Wang Hui, pleit voor zowel economische als politieke democratie.
Ai Weiwei, icoon van de Chinese moderne kunst, onverbloemd tegenstander van de dictatuur.