Essay: Sinds de eerste landbouwers

Honderd eeuwen liberalisme

Het liberalisme is niet driehonderd jaar oud. Het is tienduizend jaar geleden ontstaan met de uitvinding van de landbouw. Als de stroming zo oud is, heeft ze dan misschien een antwoord op de klemmende vragen in de moderne maatschappij? Kunnen wij samenleven met mensen uit andere culturen?

De meeste beschrijvingen van het liberalisme dateren de oorsprong ervan tussen vijfhonderd en driehonderd jaar geleden. Historici hebben vaak gekibbeld over de vraag in wat voor oven het liberalisme is gesmeed, maar ze zijn het er veelal over eens dat het een product is van het moderne, kapitalistische, christelijke Westen. Ze zien de oorsprong in het kapitalisme (in het «bezitsindividualisme»), in de Reformatie waarin het individuele geweten als onschendbaar werd beschouwd, en ook in een reactie op de wreed heden van de godsdienstoorlogen die Europa in de zestiende en zeventiende eeuw teisterden.

Volgens deze opvatting vergemakkelijkten het kapitalis me en de Reformatie de overgang van status naar contract, van gift naar markt, van tovenarij naar wetenschap, van een wereld van bekenden naar een wereld van vreemden. Dat kon gebeuren omdat de menselijke psychologie volgens li berale filosofen nog zo plooibaar was. Tegelijkertijd bracht de moderniteit nieuwe problemen mee, die om radicaal nieuwe oplossingen vroegen. De profeten van het liberalisme hadden niet alleen tot taak om de koers van de mo derniteit uit te zetten, maar ook om actief met oplossingen te komen voor de onvrede. Schrijvers als Locke, Rousseau, Voltaire en John Stuart Mill waren sociale hervormers die met specifieke oplossingen kwamen voor maatschappelijke kwalen, en met een denkstructuur waarin dergelijke oplossingen pasten. Hun geschriften, en de daaruit voortvloeiende nieuwe ideeën, hadden ingrijpende consequenties: de Europese revoluties van 1789 en 1848; de antikoloniale bewegingen die begin negentiende eeuw in Latijns-Amerika van de grond kwamen en in de twintigste eeuw in Afrika en Azië doorwerkten; de initiatieven tot vrijhandel van de Europese grootmachten Groot-Brittannië en Duitsland in de negentiende eeuw; en veel recenter de toenemende spanning tussen rationalisme en cultureel relativisme.

Hier volgt een alternatief verhaal. De wortels liggen niet in het kapitalisme, maar in de landbouw, in die opmerkelijke, tienduizend jaar oude revolutie die de moderne mens, onafhankelijk van elkaar in veel verschillende delen van de wereld, ertoe heeft gebracht om hun jagende en verzamelende leven eraan te geven en boerderijen, dorpen en uiteindelijk steden te gaan bouwen.

Die verandering had een radicale consequentie: mensen moesten voor het eerst gaan leren om samen te leven en handel te drijven met vreemden. Het is een intrigerende paradox dat de globalisering is begonnen op het moment dat de mens zich aan een vaste woonplaats bond. Gemeenschappen kunnen het contact met buitenstaanders nu eenmaal niet vermijden door in het bos te verdwijnen. Zij moeten juist systematisch en breder dan op lokaal niveau nadenken over verdediging, handel en immigratie. De prehistorische mens had in groepen van familieleden geleefd of ten minste tussen vertrouwde gezichten. De gewoonten en het gedrag die boeren moesten aanleren, vormen de fundering van het liberalisme. En die moeten wij op dit moment opnieuw formuleren willen wij de wereld delen met vreemden zonder dat we erdoor worden verscheurd.

Het menselijke vermogen om te spreken maakt ons uniek in het dierenrijk. Maar mensen zijn ook uniek in een ander opzicht. In de achttiende eeuw mochten economen graag parallellen trekken tussen de mensenmaatschappij en sociale-insectenkolonies, zoals die van mieren en bijen. Die parallel kan misleidend zijn: alle werkmieren in een kolonie, evenals alle werkbijen in een korf, zijn familie van elkaar. De moderne, evolutionaire biologie heeft aangetoond dat het niet verrassend is dat er een werkverdeling ontstaat tussen naaste familie leden. Dat zo’n verdeling zich ontwikkelt tussen individuen die niet aan elkaar zijn verwant, is daarentegen verrassender. Een werkverdeling tussen niet-familieleden komt bij geen enkele soort in de natuur voor, behalve bij de mens. Deze werkverdeling is grotendeels in de laatste tienduizend jaar ontstaan.

Onze voorvaderen van twintigduizend jaar geleden hebben geen romans of dagboeken nagelaten, maar ik durf te wedden dat ze op hun hoede en in kleine groepjes over de vlakten van Eurazië trokken en ervoor zorgden dat de vreemden die ze zo nu en dan in de verte hoorden of zagen, hen niet opmerkten. Hun hersens hadden zich zo ontwikkeld dat ze voorzichtig en wantrouwig waren, want het is bijna zeker dat opportunistische moordpartijen en georganiseerde oorlogvoering bij de eerste mensen even vaak voorkwamen als bij chimpansees.

Nu wagen wij het zomaar ons huis in een buitenwijk uit te gaan en in een stad van tien miljoen vreemden te verdwijnen, die stuk voor stuk evenzeer onze biologische rivalen zijn als de vreemden voor wie onze voorvaderen tweehonderd eeuwen geleden terecht bang waren. Vertrouwen tussen mensen die geen familie zijn, is een vaststaand feit van het maatschappelijke leven geworden. Als ik een winkel inloop, zal iemand die me nog nooit heeft gezien mij artikelen overhandigen in ruil voor een krabbel op een stukje papier. Als er op de deur wordt geklopt, laat ik een man die het uniform van een winkel in de buurt draagt binnen, terwijl ik hem absoluut niet ken. Waarom? Wat maakt het re delijk en niet suïcidaal vertrouwen in vreemden te hebben?

Het is niet voldoende om erop te wijzen dat in maatschappijen waarin mensen elkaar kunnen vertrouwen, vrede en voorspoed heersen in een mate die ondenkbaar zou zijn voor onze voorvaderen. Het vertrouwen zou snel afbrokkelen wanneer individuen voordeel zouden hebben bij het samenwerkingsgedrag van andere mensen terwijl ze zelf geen bijdrage leveren. De betrouwbaarheid van anderen verkeerd inschatten, is niet alleen duur maar ook gevaarlijk. Als we anderen vertrouwen, dan komt dat dus doordat we maatschappelijke structuren hebben gecreëerd waarin dat vertrouwen op zijn plaats is. Die structuren werken — meestal — omdat ze niet ingaan tegen onze natuurlijke aard, maar er juist op zijn gestoeld.

Twee karakteristieken zijn belangrijk gebleken in onze evolutie: de capaciteit om de kosten en baten van samenwerking rationeel te berekenen, en een tendens om wederkerig te handelen — de bereidheid om vriendelijkheid te belonen met vriendelijkheid en verraad af te straffen met wraak. Beide zijn noodzakelijk voor samen werking. Mensen die berekenend zijn en niets teruggeven, zijn te opportunistisch, dus niemand vertrouwt ze. Mensen die graag iets terugdoen en niet egoïstisch zijn, worden te makkelijk door anderen uitgebuit.

De moderne maatschappij is gebouwd op instituties die ons ervan overtuigen dat we vreemden kunnen behandelen alsof ze vrienden zijn. Je moet abstract kunnen denken om in te zien dat vreemden die niet jouw taal spreken of jouw religie aanhangen, zich in cruciale opzichten toch net als jij kunnen gedragen. De maatschappij kan echter ook niet zonder een instinctieve tendens tot wederkerig gedrag, de tendens om vriendelijkheid met vriendelijkheid te belonen en onvriendelijkheid betaald te zetten met wraak. Zelfs in formele, justitiële systemen moeten de politie, de rechterlijke macht en andere deelnemers zich niet alleen richten op hun eigenbelang. Het moderne, sociale leven stoelt op een flink aantal afspraken die wederkerigheid aanmoedigen omdat er ook iets van eigenbelang bij komt kijken, zodat we, in de omgang met vreemden, ons niet altijd hoeven afvragen hoe betrouwbaar ze zijn.

In de geschiedenis van de mensheid stelde het principe van wederkerigheid groepen jagers en verzamelaars in staat om de eerste voorzichtige stappen op weg naar een uitwisseling met vreemden te zetten. Een rondreizende handelaar die voor het eerst contact legde met een geïsoleerde groep die alleen gemotiveerd werd door eigenbelang, zou bijna zeker beroofd zijn van zijn handelswaar en nog geluk hebben gehad als hij het er levend van af had gebracht. Jager-verzamelaar-maatschappijen konden zich tot op zekere hoogte specialiseren: zelfs de taken bij het jagen werden verdeeld. Maar de grootste vernieuwing kwam zo’n tienduizend jaar geleden. De belangen veranderden radicaal toen sommige leden van de gemeenschap zich specialiseerden in activiteiten die niet rechtstreeks bijdroegen aan de voedselvoorziening van de groep, zoals systematische oorlogvoering tegen andere mensen, systematische organisatie en overdracht van kennis. Het leger en het priesterambt ontstonden. Het heeft geen zin te investeren in een leger als de mensen tegen wie je vecht nooit meer voedsel hebben dan voor een dag of twee. Als je buren het land gaan bebouwen, hebben ze veel grotere voorraden, en is het veel winstgevender om in een gespecialiseerd soldatenvolk te investeren en je buren van hun voedsel te beroven.

De landbouw maakte dus niet alleen de groei van specialisatie binnen de gemeenschap mogelijk, maar verhoogde tegelijkertijd het gevaar dat ten onrechte vertrouwen werd gesteld in leden van andere gemeenschappen. Het werd voor alle groepen onontkoombaar om manieren te vinden om hun interacties met vreemden te beheersen, en om vreemden dezelfde bescherming te bieden als mensen die ze al kenden.

De geleidelijke integratie van lokale culturen in grotere regionale, nationale of zelfs mondiale vertrouwensculturen — al werd die onderbroken door vele stappen terug — vormt de kern van de geschiedenis van de mensheid. We moeten dat proces niet romantiseren: als ik zeg dat ik een vreemde kan vertrouwen, bedoel ik niet dat ik hem aardig vind of dat het me iets uitmaakt wat hem overkomt. Om met hem te kunnen omgaan, is dat ook helemaal niet nodig. Sommige mensen zien hierin een verkillend, zelfs ontmenselijkend facet van de moderne maatschappij. Het is niettemin juist deze ongevoeligheid die moderne instituties in staat stelt op een mondiaal niveau vertrouwen te wekken.

Het heeft twee grote voordelen om het liberalisme te beschouwen als een ideeënstelsel dat — op zijn minst impliciet — tienduizend jaar oud is in plaats van nog maar driehonderd. Allereerst hebben we een beter zicht op de relatie met andere politieke ideologieën. Socialisme is geen alternatief voor de liberale opvatting van het maatschappelijke dilemma — de noodzaak tot coëxistentie en interactie met vreemden — maar eerder een middel om dat dilemma op te lossen. Zowel het socialisme als het klassieke liberalisme beschrijft een manier om samen te leven met vreemden, al zijn ze het oneens over de juiste verhouding van individueel initiatief en collectieve actie die daarvoor nodig is. Het klassieke liberalisme is vaak naïef geweest over wat er verwacht kon worden van individueel initiatief zonder collectieve actie. Het socialisme is naïef geweest aangaande collectieve actie en over de gevaren van misbruik ervan voor militaristische of repressieve doeleinden.

Ook de islam bestaat als politieke ideologie uit een stelsel ideeën en waarden dat zeer succesvol is gebleken als bindend element in maatschappijen die in een cruciale periode van hun geschiedenis onder grote druk hebben gestaan. Vele eeuwen lang waren islamitische maatschappijen qua cultuur en militaire kracht toonaangevend in de wereld. Sommige islamitische centra waren toonbeelden van tolerantie. De islam ontwikkelde een antwoord op de vraag hoe te leven in een wereld die bevolkt werd door vreemden, al is dat antwoord in de afgelopen paar eeuwen nogal kwetsbaar gebleken. Die kwetsbaarheid is geen toeval. Omdat de islam al een paar jaar na zijn ontstaan militaire en politieke macht had verworven, heeft deze religie — in tegenstelling tot het christendom — nooit een filosofie hoeven ontwikkelen waarin naar een compromis werd gestreefd met het seculiere gezag. Ze kon zich zo de ambitie permitteren een alomvattende greep op het maatschappelijk leven te hebben. De perioden van tolerantie waren dus het product van een groot zelfvertrouwen en van het gebrek aan intern verzet. De ideologie heeft zich nooit aangepast aan de aanwezigheid van vreemden.

De erkenning van de ware oorsprong van het liberalisme heeft nog een tweede voordeel: nu kunnen we beoordelen hoe waardevol de ideeën van de grote liberale filosofen zijn zonder dat die gekoppeld worden aan hun ongeloofwaardige natuurlijke psychologie. Rousseau’s uiteenzetting over de manier van denken van de nobele wilde is vanuit evolutionair oogpunt niet steekhoudend. In een absurd bevoogdende passage uit Vertoog over de oorsprong van de ongelijkheid onder de mensen schreef hij dat de ziel van «de wilde (…) slechts verblijft in het heden, zonder enig idee te hebben van de toekomst, hoe dichtbij die ook mag zijn» en dat «zijn plannen, die even beperkt zijn als zijn horizon, nauwelijks verder reiken dan tot het einde van de dag». «Zelfs op dit moment kan een Caribische Indiaan nog amper vooruitzien. Hij verkoopt ’s ochtends zijn bed en komt het ’s avonds huilend terugkopen omdat hij niet had voorzien dat hij het de komende nacht nodig zou hebben.» Het is bepaald niet aannemelijk dat Caribische indianen zoals Rousseau ze beschrijft het één generatie zouden uithouden, laat staan dat ze op deze manier een heel gebied zouden hebben bevolkt.

Tienduizend jaar geleden hadden mensen een psychologie geërfd die ze enorm wantrouwig maakte jegens vreemden, tegen wie ze soms geweld gebruikten. Maar ze profiteerden wel van institutionele afspraken die het mogelijk maakten om vreemden als gekozen vrienden te behandelen. Zoals het vermogen om boven tribale loyaliteiten uit te stijgen en vreemden dezelfde vrijheden te verlenen die vrienden hebben; de capaciteit om open te staan voor nieuwe kansen en er een vrije keus uit te maken; de bereidheid om te communiceren met mensen die niet dezelfde manier van kleden, eten en wonen hebben; om samen te leven met diegenen die hun goden niet vereren. Dit alles is geen zuiver westerse, kapitalistische instelling, al heeft het westerse kapitalisme er historisch gezien de grootste economische baat bij gehad.

Aldus kunnen we iets zinnigs zeggen over sommige dilemma’s van het huidige liberalisme. In hoeverre moeten burgers van moderne industriële maatschappijen toegeven aan alternatieve culturele opvattingen van vreemden? Zoveel als nodig is om ze te vertrouwen, maar niet meer dan dat. Er is veel minder voor nodig om vreemden te vertrouwen dan om helemaal mee te gaan in hun culturele visie. Tolerantie vereist niet dat we ideeën accepteren die verschillen van de onze. Het betekent simpelweg: zorgen dat die verschillende ideeën niet verhinderen dat we op een beschaafde manier met elkaar omgaan.

Deze conclusies leiden bovendien ook tot praktische adviezen. Drie actuele voorbeelden.

In Frankrijk heeft de regering een verbod op het dragen van hoofddoekjes en andere religieuze symbolen op openbare scholen aangekondigd. Een consequentie van dit besluit is waarschijnlijk dat meer moslimfamilies hun kinderen van openbare scholen zullen halen. Seculier onderwijs heeft, volgens de liberale theorie die ik uit de doeken heb gedaan, immers niet tot doel om religieuze of etnische identificatie af te zwakken, maar om leden van de ene groep uit te rusten met de capaciteit veilig en tolerant te leven en te werken tussen leden van een andere groep. Paradoxaal genoeg is het misschien moeilijker om jonge mensen te leren onderhandelen over leefruimte voor diverse etnische en culturele groepen als alle kentekenen worden onderdrukt waarmee dergelijke groepen zich identificeren.

Een tweede voorbeeld. In debatten over het onderwijs wordt vaak de nadruk gelegd op de noodzaak van de overdracht van een gedeelde cultuur. Het is moeilijk te bepalen in welk opzicht een eerste-generatie Somaliër of een Chinese immigrant de cultuur van een inwoner van bijvoorbeeld Newcastle deelt. Het moderne onderwijs hoeft ze echter geen valse identificatie met een gemeenschappelijke geschiedenis bij te brengen, maar vooral een taal om mee te communiceren. Engels, rekenen, met een computer omgaan, verkeersregels, wat het betekent om te stemmen. In ruimere zin is een gemeenschappelijke cultuur een kader om, op school en daarbuiten, te discussiëren en grappen te maken over Blackadder, Mel Gibson en Ali G dan wel Simon Schama of Monumentenzorg. Cultuur is een veelheid van zaken. Wat we in een liberale maatschappij moeten delen, zijn de simpele elementen van burgerlijke wellevendheid.

Een derde voorbeeld heeft betrekking op deze zorgwekkende tijd waarin we ons afvragen of de oorlog in Irak nu ook de straten van Londen, Parijs en Madrid tot een strijdtoneel voor terroristen heeft gemaakt. Net zoals de problemen die de globalisering teweeg heeft gebracht al tienduizend jaar bestaan, zo is het terrorisme een moderne naam voor een fenomeen dat een eeuwenoude angst voor gewelddadige vreemden oproept. In feite is het geweld van vreemden in de laatste tien millennia langzaam beteugeld. Ondanks het beeld dat media overal ter wereld schetsen, is het gemiddelde risico om dood te gaan door geweld (iets meer dan één procent van alle sterfgevallen) wereldwijd bijna zeker zo laag als het nog nooit in de geschiedenis is geweest.

Het geweld van onze voorvaderen werd niet alleen door dwang of wederkerigheid beteugeld, maar ook door een subtiele en elkaar onderling versterkende mengeling van die twee, waarin burgerlijke wellevendheid het langzaam won van oorlogszuchtig vertoon en opschepperij. Evenzo zal het geweld van onze tijdgenoten niet alleen door wederkerigheid worden beteugeld. Zelfs vrede en welvaart in het Midden-Oosten zullen sommige boze jonge mannen en vrouwen er niet van weerhouden te zwichten voor de verleiding van gewelddadige en zelfs suïcidale acties. We zullen altijd op onze hoede moeten blijven in een wereld waarin zware explosieven verkocht of vervaardigd kunnen worden voor minder dan de kosten van een geheel verzorgde vakantie. Maar repressie alleen zal niet werken. Zonder een politieke oplossing in het Midden-Oosten kunnen er geen netwerken van ordelievende ogen en oren ontstaan die het geweld, waar onze adrenaline en testosteron ons toe brengen, in toom houden.

De afgelopen tienduizend jaar hebben mensen moeten leren leven met vreemden. Onze politieke en sociale instituties dwingen hen hun emoties over familie of stam te temperen: via een abstract redeneervermogen dat net voldoende is om de moderne homo sapiens — de verlegen, moordzuchtige aap — te helpen zich los te maken van zijn familiebanden in het savannebos. Want zo kan hij leven en werken in een wereld die grotendeels wordt bevolkt door vreemden. Dit experiment is nog jong. Het onverwachte en kwetsbare karakter van het huidige liberale succes maakt dat het alle hulp nodig heeft die wij kunnen bieden.

Vertaling: Tineke Funhoff