Blijven wachten

Honderd jaar Beckett

Toneelteksten van Samuel Beckett zijn meedogenloos, niet eens vanwege hun inhoud. Ze zijn onverbiddelijk als materiaal. Ze onderscheiden de acteurs van de knoeiers, de regisseurs van de aanstellers. Wat Beckett aanreikt is zo uitgepuurd en essentieel dat een uitvoerend kunstenaar zich op de planken niet kan wegsteken. Het verhaaltje dat hem werd geboden is flinterdun, de taal minimalistisch, de plot veelal afwezig, de dynamiek repetitief.

Dat moge allemaal aantrekkelijk lijken voor wie net uit de theaterklas komt, het is tegelijkertijd van eenzelfde bedrieglijke eenvoud als het beeldend werk van Jackson Pollock of Mirò, of de latere gedichten van Paul van Ostaijen. Het is het soort werk waarvan de leek zegt: «Dat kan mijn tienjarig kind ook.»

Wie schrijft, wie schildert, weet dat één levensloop vaak niet volstaat om door te stoten tot de bronnen van zulke zuivere lyriek.

Je vertolkt of je valt door de mand. Een andere keuze is er niet bij Beckett. En om te kunnen vertolken, moet je een groot acteur zijn, met een talent voor een bepaald soort poëzie. Dat is, horresco referens, de poëzie van – ik zeg het maar zoals het is – de clown. Een archetypische figuur die momenteel zijn beste tijd gehad lijkt te hebben, zeker in zijn gedaante van existentialistische pierrot. (Hoe komt het toch, dat zelfs de woorden «clown» en «pierrot» ons tegenwoordig al zo’n afgrijzen inboezemen? Haast nog meer dan «mime» en «Marcel Marceau»? Het zal wel iets te maken hebben met het interieur van meisjeskamers en foute kapperszaken.)

Dat is echter nogal gebeurd, in de loop der tijden: dat «de clown» van de aardbodem verdwenen leek. Het blijft fascinerend om te zien waar hij toch weer opduikt, even triest en komisch en geloofwaardig als altijd. Ik zag ’m onlangs terug in Bill Murray, in Lost in Translation. Een script met dialogen waarvan op z’n minst enkele stiltes niet zouden misstaan in het Verzameld Werk van Beckett.

Godot wist het al. We moeten blijven wachten. Eigenlijk is dat een andere term voor: we moeten blijven zoeken. Naar de clown die mens heet. Als we hem definitief denken te vinden, weten we maar één ding: we hebben slecht gezocht.

Daarom zijn de erven van Beckett zo’n ramp. Ze nemen de regieaanwijzingen van hun erflater ernstig. Misschien deed ie dat zelf ook wel. Ik vrees het zelfs. Een genie is ook maar een domkop, als ie lang genoeg geniaal werk levert en zich navenant gaat gedragen.

Regieaanwijzingen op papier, bedacht aan een schrijftafel, zijn altijd indicatief. Ook als ze komen van een Nobelprijswinnaar. Ze worden ronduit contraproductief wanneer ze toch minutieus worden opgevolgd, laat staan: altijd worden opgevolgd. Er bestaat geen betere manier om theaterteksten te doden dan het eeuwig opvolgen van de ensceneringswensen van hun auteur. Om maar te zwijgen van zijn erfgenamen en hún desiderata.

Theater kan van alles zijn, maar het is bovenal een ensceneringskunst, waarin de tekst maar een van de onderdelen is in een veelzijdig chemisch brouwsel. Theater is meer dan alleen maar taal en verhaal, en het is alleszins meer dan een exacte wetenschap, of – godbetert – een conserveringskunde. Zodra teksten niet meer kunnen worden betast, bepoteld en onderzocht, in het laboratorium van de nooit aflatende, mislukkende, vloekende, overmoedige, oneerbiedige maar dappere acteur en zijn knecht, de regisseur? Wanneer teksten, met andere woorden, niet steeds opnieuw het hof worden gemaakt, en desnoods verkracht, in een immer voortwoekerende opvoeringstraditie?

Dan sterven die teksten een onzalige, bestofte dood.

Het is dus wachten geblazen, inderdaad. Op een geheimzinnige ziekte die ofwel erven van Beckett doodt ofwel hersens schenkt. Het is wachten op de vervaldatum, waarbij Becketts werk eindelijk publiek domein wordt – een vervaldatum die, no kidding, voor alle oorspronkelijke werken telkens weer wordt uitgesteld, omdat het Disney-concern zijn astronomisch rendabele rechten op Mickey Mouse en Donald Duck niet wil delen met de rest van de wereld.

Maar het is vooral wachten op acteurs zoals de legendarische Vlaamse acteur Julien Schoenaerts. Tien jaar geleden zag ik zijn versie van Krapp’s laatste band. Tijdens de eerste tien minuten deed Schoenaerts niets anders dan magnifiek naar een banaantje zoeken in zijn oude bureau, het enige decorstuk. Toen hij het banaantje had vonden, pelde hij het en at het op. De zaal inkijkend alsof het een universum was. Allemaal zonder een woord.

Ik heb nooit meer over theaterschrijven geleerd dan tijdens die tien minuten.

Tom Lanoye (1958) bewerkte Shakespeare (Ten Oorlog) en Euripides (Mamma Medea)

en schreef onder meer Fort Europa, de voorstelling waarmee Johan Simons vorig seizoen afscheid nam van Zuidelijk Toneel/Hollandia