Voorloper van Ruimte voor de Rivier

Honderd jaar Bergsche Maas

Honderd jaar geleden werd de Bergsche Maas gegraven om Maas en Waal te scheiden en de bevolking te beschermen tegen overstromingen. Een voorloper van het huidige overheidsproject Ruimte voor de Rivier.

Regen valt bij bakken uit de hemel en een aanwakkerende wind giert onheilspellend over het vlakke rivierenlandschap in het Land van Heusden en Altena. Het is 18 augustus 1904. Langs de Maas oevers bij Ammerzoden staan drommen mensen met paraplu’s te kijken naar het door stoom aangedreven radarschip De Kraaijenhof, waarop zich koningin Wilhelmina en prins Hendrik bevinden. Vanaf het schip heeft de jonge koningin net de Bergsche Maas bij Heusden (de Nieuwe Maasmond) en de dam bij Andel geopend.

Het immense waterbouw kundige project Verlegging van de Maasmond — met als doel de Maas niet langer ter hoogte van Woudrichem en Slot Loevestein in de Waal te laten stromen, maar via de Bergsche Maas, Amer en het Hollands Diep weer een eigen uitmonding in zee te geven — is na jaren volbracht. Het water van Maas en Waal is na vele eeuwen eindelijk weer gescheiden. De bevolking hoeft niet langer te vrezen voor de vele rampzalige overstromingen die het Land van Heusden en Altena en delen van Gelderland en Noordoost-Brabant in de negentiende eeuw veel vuldig teisterden.

Toch blijkt nu, 2004, dat de Nieuwe Maasmond, vanaf 1906 officieel de Bergsche Maas geheten, geen definitieve oplossing bracht voor de waterproblematiek in Nederland. Het water in de Rijn en Maas stijgt gestaag. Willen we droge voeten houden, dan moeten we bereid zijn de strijd tegen het wassende water opnieuw aan te gaan. «We moeten weer leren leven met de rivier. Net als vroeger», sprak prins Willem-Alexander daarom op 18 juli tijdens de informele milieuraad in Maastricht, waar hij op uitnodiging van het Nederlandse voorzitterschap de Europese ministers van Milieu toesprak over de hoogwaterproblematiek van rivieren en pleitte voor een internationale en multidisciplinaire aanpak ter voorkoming van toekomstige overstromingen.

In vroeger tijden was ijsgang op de rivieren vaak een oorzaak van dijkdoorbraken. Het ijs veroorzaakte stuwing en slechte waterafvoer. Nu komt het overstromingsgevaar uit een heel andere hoek. Door klimaatverandering zal de zeespiegel de komende jaren geleidelijk stijgen, in de winter meer regen vallen, wordt het weer onstuimiger en zal de rivierafvoer beduidend toenemen. Geschat wordt dat de maatgevende afvoer (de hoogwatervloed van de Rijn bij Lobith, waarop de dijken berekend moeten zijn) in de 21ste eeuw zal toenemen van zestienduizend naar achttienduizend kubieke meter per seconde. Tegelijkertijd daalt de bodem in de polders achter de dijken langzaam maar zeker door inklinking en ontwatering.

Ruim vijftig jaar geleden, na de waters noodramp van 1953 in Zuidwest-Nederland, werd de zee lange tijd als grootste bedreiging gezien. Sinds de extreem hoge waterstanden en dreigende overstromingen in 1993 en 1995 wordt het gevaar van water via de achterdeur van de grote rivieren opnieuw onderkend. Een gevaarlijke situatie is bijvoorbeeld de combinatie van hoogwater op de rivieren met westerstorm en springtij op zee. De kans is weliswaar klein, maar het gaat wel om gebieden met dichtbevolkte en daardoor kwetsbare steden als Rotterdam en Dordrecht.

Na de bijna-overstromingen in 1993 en 1995 heeft de overheid met het inmiddels voltooide Deltaplan Grote Rivieren nog één maal lage en zwakke dijken verhoogd en verstevigd. Nog één maal. Voor verbreding is de ruimte simpelweg op; bij verbreding zou te veel bebouwing aan de voet van de dijk moeten worden gesloopt. Ook hogere dijken ziet de overheid niet langer als een reële optie. Bovendien kan ook een heel hoge dijk onverhoopt bezwijken met alle rampzalige gevolgen van dien. Want hoe hoger de dijk, hoe groter de gevolgen van een dijkdoorbraak. In 2000 heeft de overheid een alternatief gepresenteerd. Niet meer bouwen in de uiterwaarden, zodat de rivier zo veel mogelijk haar natuurlijke loop kan volgen. Gebieden aanwijzen als overlaat, mochten rivieren buiten hun oevers treden. Retentiebekkens reserveren om het teveel aan water tijdelijk op te vangen. En waar nodig zogeheten groene rivieren aanleggen — kunstmatige rivierarmen die alleen bij heel hoge waterstanden in gebruik worden genomen — zodat het overtollig rivierwater versneld wordt afgevoerd naar het Hollands Diep.

Kennelijk heeft het collectieve geheugen de moderne Nederlander in de steek gelaten. Het is slechts honderd jaar geleden dat koningin Wilhelmina met de Bergsche Maas een rivierverruimende maatregel avant la lettre opende. Het huidige overheidsproject is dus niet vernieuwend en kent een lange historie die teruggaat tot de periode tussen 900 en 1200, toen de Nederlander aan de grote ontginning van het rivierengebied begon. Tot de tiende eeuw waren min of meer vaste, enigszins meanderende rivierbeddingen ontstaan waardoor het water zijn weg naar zee zocht. Een natuurlijk landschap had zich gevormd met oeverwallen (door stroming en sedimentatie ontstane wallen langs de hoofdbedding van de rivier), daarachter overslaggronden (banken die zich vormden na doorbraak van oeverwallen en later dijkdoorbraak) en de lager en verder gelegen komgronden.

Tussen ongeveer 900 en 1200 nam de bevolking in Nederland sterk toe. Bossen werden gekapt, grond werd ten behoeve van de landbouw ontgonnen. De bewoners begonnen in deze periode kaden aan te leggen die loodrecht op de stroomrichting van de rivieren stonden, om het overtollige water te keren dat in het voorjaar vanuit de stroomopwaarts gelegen kommen binnendoor werd afgevoerd. Vervolgens werden deze zijkaden dwars door het komgebied heen met elkaar verbonden door achterkaden. Vanaf ongeveer 1150 — toen de zee Nederland steeds verder binnendrong, stuwing ontstond en de rivierstanden dientengevolge stegen — ging men uiteindelijk over tot bedijking aan de rivier zijde. In de loop van de veertiende eeuw waren de meeste stukken van het rivierengebied geheel door dijken omgeven.

Maar het smallere stroombed dat voortdurend werd opgehoogd met door de rivier aangevoerd materiaal en de binnendijkse gebieden die door ontginning en de daarmee gepaard gaande ontwatering snel inklonken, luidden het begin in van veelvuldige overstromingen.

De Maas was een van de rivieren die veelvuldig voor overlast zorgde. Tot de tiende eeuw koos de Maas haar eigen weg naar zee. Ze kwam nog niet bij Slot Loevestein in de Waal, maar volgde de oude loop onder Heusden langs in westelijke richting. Iets ten oosten van Heusden, bij het dorpje Hedikhuizen, splitste de Maas zich. Een kleine zijarm, de Rivel, stroomde naar het noordwesten, waar het zich bij de Alm voegde, een zijstroom van de Waal. Gezamenlijk vervolgden deze riviertjes hun weg in noordwestelijke richting, om zich later weer bij de Maas te voegen.

Aan het eind van de elfde eeuw veranderde de Rivel van een nietig zijstroompje in een behoorlijk grote stroom en trok steeds meer water tot zich. Niet alleen door het voortschrijdende verlandingsproces van de Maas bij de splitsing ter hoogte van Hedikhuizen, maar ook doordat de monniken van de abdij van Bern, eigenaren van de bedijkte aanwassen net ten zuiden bij het begin van de Rivel, ter hoogte van Hedikhuizen in de Maas een dam aanbrachten om hun aanwassen te beschermen en verder in cultuur te brengen. De Maasstroom onderlangs Heusden doet dan voorgoed af als efficiënte waterafvoer naar zee.

Met de afdamming van de Maas bij het door de Bernse monniken aangebrachte damblok begonnen grote waterloopkundige problemen die tot eind negentiende, begin twintigste eeuw zouden voortduren. Het Maaswater liep niet meer via de kortste weg naar zee en had niet langer een eigen monding. Maas en Waal vloeiden voortaan samen bij Slot Loevestein en van daar moest het water zich moeizaam door de Merwede persen. Hogere water standen, een belemmerde afvoer en overloopsituatie bij Heerewaarden (ten oosten van Slot Loevestein waar een open verbinding was tussen Maas en Waal) en ijsgang in de winter veroorzaakten in de achttiende en negentiende eeuw vele dijkdoorbraken in het Land van Heusden en Altena, in de Bommelerwaard en het Land van Maas en Waal.

Het was luitenant-generaal baron Krayenhoff die in 1823 als eerste opperde om Maas en Waal te scheiden door bij Heerewaarden de open verbinding tussen Maas en Waal te dichten, de Maas tussen Heusden en Woudrichem af te sluiten en de oude loop van de Maas, om gedoopt tot het Oude Maasje dat tot op de dag van vandaag bestaat, opnieuw in gebruik te ne men. In 1856 werd bij Heerewaarden de sluis van Sint Andries gebouwd, maar dit verminderde de doorbraken en overstromingen niet. Een nationale overstromingsramp bij Nieuwkuijk in 1880 was nodig om de Wet tot het verleggen van de uitmonding der rivier de Maas versneld aan te nemen.

Op advies van civiel-ingenieur C. Lely, van de Zuiderzeewerken, werd achter Heusden een nieuwe rivier gegraven. Parallel aan de oude stroom van de Maas zou een 25 kilometer lange waterweg komen naar de Amer bij Geertruidenberg (vandaar «Bergsche» Maas) om vervolgens dwars door de landbouwgronden en dorpen in het Hollands Diep uit te monden. Als tegemoetkoming naar de bewoners werd een aantal gratis veren in de vaart gebracht. Verder hadden de burgers niets in te brengen. Zij moesten werken, samen met de vele werkloze landarbeiders uit de rest van Nederland. Met spaden groeven de polderjongens de zuigende rivierklei af. In koude, hitte of striemende regen. Gemiddeld zestien uur per dag, slechts geholpen door met stoom aangedreven graafmachines en het wonder der techniek, de «excavateur», een baggermachine. Nadat in 1898 bij Andel de Maas tussen Heusden en Woudrichem door middel van een schutsluis was afgedamd, volgde op 18 augustus 1904 de feestelijke opening van de Bergsche Maas.

Daarna volgde in 1926 nog één grote rivier overstroming. Door een dijkdoorbraak bij Overasselt liep het Land van Maas en Waal vol. Zo’n tien scherpe bochten van de Maas werden afgesneden. Daarna leken de grote rivieroverstromingen voorgoed verleden tijd.

Leken. Nederland maakt zich opnieuw op voor de strijd tegen het water. En wederom zal het Land van Heusden en Altena een spilfunctie vervullen om Maas en Waal ruimte te geven snel en veilig naar zee te stromen.

De lokale bevolking bereidt zich ondertussen voor op de toekomstige rivierverruimende maatregelen. Boerderijen op terpen in de Overdiepse Polder, gelegen tussen de Bergsche Maas en de zuidelijke loop van het Oude Maasje, geven de rivier de ruimte buiten haar oevers te treden. Maar de Overdiepse Polder als overlaat zal in het Land van Heusden en Altena niet de enige maatregel zijn om de toekomst met droge voeten te betreden. Een oplossing voor de hoogwaterproblematiek zoals de kunstrivier de Bergsche Maas lijkt echter vooralsnog niet nodig.

In het Gouverneurshuis te Heusden is tot 27 september de tentoonstelling 100 jaar Bergsche Maas te zien.