Honderd jaar eenzaamheid

In de avond van 29 juli 1914 kreeg generaal Sergej Dobrorolski van de generale staf de ukaz, het bevel dat opriep tot een algehele mobilisatie van het tsaristische leger. Een maand en een dag eerder was aarts-hertog Frans Ferdinand vermoord in Sarajevo, en na een diplomatieke crisis waarbij elk land in Europa was betrokken, had Oostenrijk de bondgenoot van Rusland, Servië, de oorlog verklaard.

Medium commentaar 32 2014   110 jaar eenzaamheid

Dobrorolski had de taak alle handtekeningen van de ministers te verzamelen, zodat het bevel officieel van kracht werd. Het moet geen optimistisch stemmend rondje zijn geweest. De minister van de Marine was gechoqueerd: ‘Wat, oorlog met Duitsland?’ De vloot zou nog in erbarmelijke toestand verkeren. De minister van Binnenlandse Zaken had er eveneens weinig vertrouwen in, want ‘revolutionaire ideeën zijn bij het volk populairder dan een overwinning op Duitsland’. De minister sloeg een kruis, en tekende het bevel.

Geheel in de sfeer van de diplomatieke chaos van die tijd werd het bevel herroepen op het moment dat de telegrambediendes het wilden versturen, werd die nacht nog een nieuw bevel geschreven voor een halve mobilisatie, ontdekten militaire planners dat een halve mobilisatie logistiek niet haalbaar was, bedacht de tsaar zich nog een keer en werd alsnog de algehele mobilisatie uitgeroepen. Het was het eerste land dat dat deed.

Bij de vraag ‘Wiens schuld was de Eerste Wereldoorlog?’ is de mobilisatie van Rusland een tricky onderwerp. Mobilisatie, het gereed maken van een leger om tot de aanval te kunnen overgaan, is het diplomatieke equivalent van een doorgeladen pistool op iemand richten. Alle mogendheden bedreigden elkaar in die ‘juli-crisis’ met van alles, maar Rusland was, om het zo te zeggen, het eerste land dat met zijn ogen knipperde. Een oorlog was daarmee onafwendbaar en de minister van Binnenlandse Zaken kreeg gelijk. Drie jaar later brak de revolutie uit, nadat de Russische generaals nederlaag op nederlaag hadden gestapeld.

Bij een van de vele herdenkingen van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, deze week precies honderd jaar geleden, verkondigde president Poetin dat het kalme, vredelievende Rusland de oorlog ingelokt was door de westerse machten. Dat mag je best een leugen noemen, een gotspe aan het adres van al die mensen die omkwamen – in totaal ongeveer evenveel als er nu in Nederland wonen. Dat vaderlandse geschiedenis in Rusland eerder wordt geschreven door politici dan historici is inmiddels bekend: zeventig procent van de Russen denkt dat de Verenigde Staten de Eerste Wereldoorlog begonnen, berichtte de Süddeutsche Zeitung afgelopen week (terwijl de VS pas in 1917 zouden deelnemen aan de oorlog).

Maar als je nu historische werken over de juli-crisis leest, steekt er nog iets anders. Want wat waren de Russische ministers van toen goed geïntegreerd in de Europese diplomatie. Wat konden de Russische generaals open en realistisch over zichzelf zijn. Wat was het Russische staatshoofd, relatief, bereid te luisteren naar waarschuwingen van bondgenoten.

Wat we in deze juli-crisis van 2014 hebben meegemaakt is een Rusland dat schijnbaar op zichzelf staat. Het maakt zich druk om wat er in Europa gebeurt, maar voert een retoriek alsof het geen deel uitmaakt van datzelfde Europa. De bondgenoot van weleer kan nog wel eens heel eenzaam worden.