Honderd jaar geleden

Honderd jaar geleden schreef De Amsterdammer over de eventuele aanschaf van een vlaggenschip voor de Nederlandse marine. Het schip zou internationaal een lachertje worden, schreef de toenmalige kroniekschrijver.

Op 20 maart 1912 werd door de Royal Navy van Engeland de HMS Queen Mary in gebruik genomen. Een schip om jaloers op te zijn. Dit gebeurde op het moment dat de Tweede Kamer in Nederland ging vergaderen over welke schepen er naar ‘de Oost’ gestuurd moesten worden om deze te verdedigen.

Volgens de Kroniek in De Amsterdammer van 24 maart 1912 wilde minister van Marine Ludolph Reinier Wentholt een schip van 7600 ton en zestien knopen. De kroniekschrijver laat in eerste instantie weten dat dit een lachertje zou zijn tegenover de Queen Mary van 27.000 ton en 28 knopen per uur.

De kroniekschrijver droomt even weg bij de gedachte van een dergelijk schip in Nederlands bezit. ‘Zoude het niet mogelijk zijn, dat de Tweede Kamer voor éénmaal vergaderde in het Kurhaus te Scheveningen met uitzicht op de zee - en op zulk een Dreadnought van 27.000 ton? Mocht men dan tevens achter de voorzitterszetel een schilderij hangen, voorstellende Davids strijd met Goliath.’

Maar dan komt de bezinning en de realiteit. Een deskundige heeft aan De Amsterdammer uitgelegd dat ‘snelle torpedobooten en gevaarbrengende onderzeeërs’ veel effectiever zijn voor een guerrillastrijd op zee, voor de kusten van Nederlands-Indië. Het zou ook meer bij het karakter passen van het Nederlandse koninkrijk, in tegenstelling tot een HMS Queen Mary die het Britse imperium representeerde.

De Britse HMS Queen Mary werd ingezet tijdens de Eerste Wereldoorlog om de Noordzee te verdedigen. Bijna twee jaar lang met succes, maar tijdens Zeeslag bij Jutland ging het Koninklijke schip ten onder en ligt daar nog steeds, met de 1266 mannen die mee ten onder gingen.

Nederland stuurde ‘kleinere’ schepen richting Azië om met succes Nederlands-Indië in bedwang te houden, zowel tegen inlanders als Europese koloniale machten.

‘Laat ons vooral groot zijn in al datgene waarin een land niet groot kan zijn.’