Honderd jaar geleden: de Titanic

Honderd jaar geleden opende De Amsterdammer met een opiniërend stuk over de ‘onzinkbare’ Titanic. Twee weken daarvoor had misschien wel de bekendste ramp uit de zeevaartgeschiedenis plaatsgevonden, en de discussie over de verantwoordelijkheid nam felle contouren aan.

Medium amsterdammer titanic2

In de nacht van 14 op 15 april 1912 zonk het schip dat niet kon zinken. De RMS Titanic, het tot dan toe grootste voertuig ooit gebouwd, voer tegen een ijsberg en zeeg binnen drie uur naar de bodem van de Stille Oceaan. Onder andere door een gebrek aan plaatsen op de reddingssloepen overleden meer dan 1500 van de 2224 passagiers.

De vraag was wie er schuld hadden. Het artikel inDe Amsterdammervan 28 april 1912 onderscheidt vier mogelijkheden. Ten eerste het publiek, dat een aansturende rol had in de wedloop van technologische vooruitgang. Men wilde steeds sneller naar de andere kant van de oceaan, en als het even kon ook lekker comfortabel. Reddingsboten namen onnodig veel ruimte in.

Ook de onduidelijke en verouderde wetgeving wordt genoemd. Deze maakte het mogelijk dat het schip uit Southampton kon vertrekken terwijl op de reddingssloepen onvoldoende plaats was voor alle opvarenden. Bovendien, zo stelt de auteur van het artikel, had ‘de Wetgever tot taak de van nature ongebreidelde concurrentie in te toomen’.

Concurrentie en de jacht op snelheidsrecords maakten volgens De Amsterdammer ook de directie van het moederbedrijf, White Star Line, schuldig aan de ramp. Verhalen deden de ronde dat hooggeplaatsten van het bedrijf de kapitein aanmoedigden snel te varen in een gebied dat van oudsher bekend stond als ijsgevaarlijk, om zo in recordtijd in New York aan te komen.

Ten slotte wordt de kapitein zelf ook het nodige verweten. Hij stond immers aan het hoofd van de tocht, voer met een te hoge snelheid en nota bene met ‘in ’t kraaiennest een man zonder verrekijker’. Maar de auteur wijst erop dat ook een kapitein marionet en speelbal kan worden van zijn leidinggevenden, en dat slechts ‘intellectueele moed beschermt tegen aantasting van het zuivere plichtsgevoel’.

Dan restte de vraag of er lessen getrokken zouden worden, en of de zaak niet in de doofpot zou geraken. Dat het laatste niet gebeurd is moge duidelijk zijn, maar ook over het eerste heeft de auteur later zijn hart op kunnen halen. De ramp leidde tot een serie congressen en wetten, waarin onder meer werd vastgelegd dat er genoeg capaciteit moest zijn op reddingssloepen.

Dat zoiets in een wet vastgelegd moet worden, geeft wellicht te denken.