Honderd jaar geleden ‘Schande voor Nederland’

Medium schermafbeelding 2012 03 07 om 14.29.19

De hedendaagse politiek houdt zich bezig met de AOW-leeftijdsgrens, maar dat was honderd jaar geleden ook al het geval. Toen liepen de gemoederen hoog op bij de invoering van de Ouderdomswet, voorloper van de huidige pensioenregeling.

In De Amsterdammer van3 maart 1912 houdt J.C. de B. een vurig betoog over de ouderdomsregeling van de Nederlandse staat. Er was een minimaal voorstel gedaan door het kabinet-Heemskerk, en werd ook nog eens werd geweigerd door de Tweede Kamer in eerste instantie.

Dominee Syb Talma had als minister van Nijverheid artikel 357 voorgesteld, een wet ‘ter verzekering van werklieden tegen geldelijke gevolgen van invaliditeit en ouderdom’. De pensioenleeftijd lag bij de zeventig jaar en iemand had dan alleen recht op rente indien hij/zij in de tien jaar voorafgaand gedurende 260 weken verzekeringsplichtig was geweest, of onder de ziektewet viel. De wet werd nog meer vernauwd, door alleen werkmannen die in loondienst arbeid verrichtten en niet meer dan 1200 gulden per jaar verdienden onder deze regeling te laten vallen.

Het was ontworpen met de beste bedoelingen door ds. Talma, maar de vele beperkingen zorgden ervoor dat het een erg pover voorstel was. J.C. de B. stelt dat deze wet maar een kleine groep ouderen helpt, die zich juist niet op de grens van het pauperisme bevinden. ‘Juist diegenen, voor wie in de eerste plaats hulp noodig is, vallen buiten de grenzen van dit ontwerp.’

Huisvrouwen, schoenmakers, kooplui en dergelijke kleine baasjes vielen buiten de regeling. Slechts 10,95 procent van de ‘ouden van dagen’ zou onder artikel 357 vallen en twee gulden per week krijgen als pensioen, als dat tenminste was ingevoerd. ‘Moet voor het verkrijgen van een dergelijk wetje, dat slechts 10.95 pCt van alle oudjes helpt, het gansche land worden afgereisd en dan het wetje nog worden verworpen?’

‘Wat de Regeering voorstelt en wat de Kamer nog niet eens heeft willen aanvaarden is immers een zóó ten hemel schreiend minimum, dat het hard te denken is hoe men voor zulke reeds onvoldoende leniging van nooden nog jaren uitstel durft eischen!’ Het uitstel leek van korte duur te zijn, want in 1913 werd de wet alsnog aangenomen. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog liet de eerste uitkering van de Ouderdomswet wel tot 1919 op zich wachten.

‘Schande voor Nederland, dat men zóó solt met de “grijsaards”, dat zelfs het dadelijk verkrijgen van dit beetje hulp nog zooveel agitatie behoeft bij zoo weinig succes.’