Carry van Bruggen in 1919. Haar roman Eva verlangt – nee eist – een eerste lezing © Historische Kring Laren

Het is lastig om over deze roman nog iets vertrouwelijks te schrijven. Ik bedoel, om dit verhaal, deze schrijfkunst, nu nog te bezien alsof je er nog nooit iets over gehoord of gelezen hebt. Voor je het weet word je een debat ingezogen over ‘het modernisme’, over Virginia Woolf, ‘feminisme’, ‘de autonomie van de vrouwelijke seksualiteit’: en dit zijn nog maar een paar discussies die men aan de hand van deze roman keer op keer probeert te voeren.

De roman Eva geldt nauwelijks nog als een verlangende roman, maar vooral als mijlpaal van culturele en maatschappelijke kwesties. Eva is lesstof geworden. Als het eenmaal zover met romans komt, als ze niet meer ‘leesbaar’ zijn maar alleen nog ‘hanteerbaar’ in debatten, wordt het tijd het stof van je gezicht weg te vegen en opnieuw te lezen, alsof dit het lezen is van de eerste dag. Je ziet het wel vaker bij ‘klassieke romans’. Sara Burgerhart (1782) van Betje Wolff en Aagje Deken is alleen nog hanteerbaar als een illustratie van de achttiende-eeuwse samenleving, terwijl het, als je al die kennis uit je hoofd wegveegt, nog altijd roept om en verlangt naar een eerste lezing, naar leesbaarheid dus.

Ook Eva van Carry van Bruggen uit 1927 wil geen vergeten roman zijn, ook al duiken bij elke heruitgave dezelfde kwesties op waar ik het net over had. Of men brengt de roman in verband met de filosofische werken van Carry van Bruggen: Prometheus (1919) en Hedendaags fetischisme (1925). Nog in 2020 schreef Barber van de Pol een indringende en overigens mooie studie over de denkwereld van deze wonderlijke schrijver.

Eva wil kussen, ja, ook met het hoofd van de school, die niets doorheeft

Maar dan nog, wat moet je er allemaal mee? Moet je alles over Van Bruggen weten om deze roman voor het eerst te kunnen lezen? Nee, deze roman wil een eerste lezing, een Eva-lezing, hoe absurd dat ook moge klinken want een eerste lezing bestaat helemaal niet, er zijn van romans altijd eerdere lezingen geweest, plus verslagen daarover. Probeer ze in dit geval te vergeten. Eva wil Eva zijn. Literatuur wil literatuur zijn. Hoe moet ik dit schrijven? Wil ik nog wel begrepen worden? Deze roman eist een eerste lezing en niet zo’n halfzachte beschouwing over achtergronden en thema’s waarmee ik deze recensie begon (ja, ik ook!).

Deze roman treedt in het krijt voor literatuur, hij wil niet gelezen worden als illustratie van opvattingen, hij wil als een vrouw in je poriën binnendringen, in je leesverlangen en in je leesverwondering. In je maatschappelijke blik. Lees hem dus zo! Maak er een eerste lezing van, een feestelijke lezing, een contextloze lezing, wat altijd de beste lezing is. Neem deze beginzinnen: ‘Gisteravond laat al hing hij boven de daken klaar, de rosse lantaarns sloegen er hun gloed tegenaan en vannacht heeft hij zich laten zakken – de sneeuw.’ Sneeuw voorgesteld als levend wezen, de wereld als een wonderbaarlijk tafereel waar iemand leven in heeft geblazen en waar je alleen met verbazing naar kunt kijken. Verbazing en verwondering, dat zijn de kernwoorden, Eva gaat door deze wereld. ‘En ze is alleen.’

Langzamerhand trekt ze ons haar wereld in, ze spreekt zichzelf toe, we kijken met haar mee, verwonderen ons over ongeveer alles, gesprekken, beweringen, over het mooie en het banale en over waar iedereen over fluistert: lust en verlangen en lelijkheid. ‘Waarom slaat elk woord als bliksem bij je in… waarom heb je ooit naar de deuren gekeken, waarom schroeit er iets in je, gloeit er iets in je, terwijl je walgt…?’ Eva verlangt en ze wil niet verlangen, ze wil weten over liefde en de gevolgen daarvan, en tegelijkertijd wil ze het niet weten.

Wat bedoelen mensen als ze zeggen: ‘De gevolgen van hun liefde bleven niet uit’? Eva, ze is in het begin van de roman negentien jaar, hoort de gesprekken, het gefluister, ze ziet het geloer en hoort het gedoe, ze brengt verslag uit, het zuigt zich naar haar toe en ze wil het niet. Ze voelt zich gedoemd. Is dit het leven? Is dit liefde? Kun je hiernaar verlangen? Ze wil een ander verlangen. Naar Eenheid, naar alles, naar de hoogste blik en ze doordenkt haar lust, haar gevoelens, haar om zich heen grijpende verliefdheden. Ze wil kussen, ja, ook met het hoofd van de school waaraan ze lesgeeft, met Ebner, die niets in de gaten heeft. ‘O, Ebner, wil je niet mijn lippen… wil je niet de zonnezoentjes van mijn lippen kussen… zou je het niet heerlijk vinden als ik nu opstond en naar je toe kwam en je mijn lippen gaf… ik zou er niets armer door worden, jij zou er veel rijker door worden… ik kan wel honderd zoentjes missen voor jouw lippen… je arme uitgehongerde lippen.’

Deze roman vraagt niet naar samenvattende woorden van de recensent, maar naar de woorden van de schrijver. Totale melancholie stroomt je tegemoet. Alles is citeerbaar, de natuurtaferelen, de gesprekken tussen gehuwden, het zwijgen, het dromen, de blikken. ‘Je moet je zinnende aan hem overgeven… doodstil moet je zijn… je ontkleden, je ontdoen van alles… luisteren. En dan zegt de Verwondering: dit nu is het Leven.’