Vrij op z’n Russisch

Honderdtwintig minuten zomer

Studente Alla Goetnikova zit thuis gevangen met een enkelband wegens ‘verbod op bepaalde activiteiten’. Vrijheid komt in gradaties, weet iedere Rus. ‘Soms vraag ik me af: lijd ik wel genoeg voor alle steun die ik krijg?’

Doxa-journalisten Armen Aramjan, Vladimir Metjolkin, Alla Goetnikova en Natalia Tysjkevitsj na een hoorzitting, 9 juni, Moskou © Elena Rostoenova

De deur van het appartementengebouw in een buitenwijk in Moskou gaat open met een gastvrije zwaai. In het gat verschijnt een jonge vrouw in een lichtbruine stippeltjesjurk met het postuur van een ballerina en een gladgeschoren hoofd. Later zal ze me vertellen dat ze van haar donkerbruine krullen af wilde omdat ze niet als te lieflijk wil worden ingeschat, als een ‘zwak lammetje dat naar de slachtbank wordt geleid’.

Het moge duidelijk zijn, dit is geen gewone ontmoeting op een zondagmiddag. Alleen al omdat tussen ons een fundamenteel verschil bestaat: ik, het bezoek, ben vrij. Alla Goetnikova (23) is dat niet. Als zij ook maar één stap buitenshuis zet, is ze in schending van de voorwaarden van haar voorlopige hechtenis. De elektronische enkelband – een soort iWatch uit de sovjettijd – aan haar tengere blote enkel laat het ons niet vergeten.

Het regime dat Alla en nog drie collega’s van het studentenblad Doxa in april kregen opgelegd mag formeel geen huisarrest heten. Sinds 2018 kent het Russische strafboek een lichtere maatregel: het eufemistische ‘verbod op bepaalde activiteiten’. Een vage formulering die net als veel recente Russische wetten bedoeld is voor een selectieve aanpak, vooral in politieke zaken. Wat er in de zaak tegen de Doxa-journalisten uit de goochelhoed kwam was een verbod op elke buitenactiviteit, met uitzondering van één minuut wandeltijd per dag, tussen 23:59 en twaalf uur ’s nachts. ‘Dat is niet genoeg tijd om zelfs maar je veters te strikken’, zou de meneer van de gevangenisdienst tegen Alla hebben gezegd terwijl hij haar enkelband bevestigde. Dat ze op de zestiende verdieping woonde hielp ook niet mee. Inmiddels is dankzij een succesvol beroep het venster met vrije tijd opgerekt tot twee uur, tussen acht en tien uur elke ochtend. ‘Honderdtwintig minuten zomer’, noemt Alla het.

Maar toegang tot het internet of haar telefoon – de reddingsboei van iedereen die in quarantaine heeft gezeten, laat staan van iedere jonge volwassene – is nog steeds verboden. Feitelijk betekent dat het einde van haar oude leven. ‘Ik had drie parttimebanen, studeerde cultuurwetenschappen, speelde in het theater en deed vrijwilligerswerk. Dat kan nu allemaal niet meer.’

De formele aanleiding voor haar hachelijke situatie is een video die Doxa in januari online publiceerde met een appel op studenten om zich niet te laten intimideren. Na de arrestatie van oppositieleider Aleksej Navalny stond het land op scherp. Studenten werden op subtiele en minder subtiele wijze onder druk gezet om vooral niet mee te doen aan straatprotesten. Doxa zag de video als een steuntje in de rug van de vrije keuze. Aanklagers zagen het als het aanmoedigen van minderjarigen om mee te doen aan illegale activiteiten, een vergrijp waarop een mogelijke celstraf staat van drie jaar.

Het Doxa-collectief stond al veel langer onder druk, mede door de leiding van de eigen universiteit, de Higher School of Economics die nog niet zo lang geleden bekend stond als de meest liberale onderwijsinstelling van Rusland. Maar dat de studenten nu ook worden vervolgd en opgesloten is een nieuwe mijlpaal in de afnemende vrijheid in Rusland. Activisten, advocaten, journalisten en anderen met een onafhankelijk beroep of mening behoren tot de risicogroep. Stigmatiserende en potentieel gevaarlijke labels zoals ‘buitenlandse agent’ worden als met een stickerpistool her en der uitgedeeld, zowel aan bedrijven als aan individuen.

Daar waar de vrijheid in de praktijk degradeert, wordt het vrijheidsideaal ook mee naar beneden gesleept. Draconische wetten en absurde rechtszaken zoals die tegen Doxa worden over het algemeen door de bevolking schouderophalend geaccepteerd. En huisarrest als straf wordt zelfs in eigen kring ontvangen met een zucht van opluchting. Liever dat dan wegkwijnen in een provinciale gevangenis in de Russische rimboe.

Zelfs Alla voelt zich soms schuldig. ‘Anderen mogen al blij zijn dat ze niet worden gemarteld. Soms vraag ik me af: lijd ik wel genoeg voor alle steun die ik krijg? Op andere momenten denk ik dat dit misschien mijn bijdrage is. Doordat ik hier nu vastzit kan iemand anders misschien wel weer vrij rondlopen. Een andere student die meehielp aan de video bijvoorbeeld.’

Is de Russische vrijheid dan kwantitatief; de een zit vast, zodat de ander door kan gaan met het gewone leven? vraag ik licht provocerend. Nee, dat gaat haar te ver. ‘Wat zich nu afspeelt onttrekt zich aan logica, er bestaat complete willekeur. Er valt niets meer te voorspellen of te wegen.’

Dan klinkt ergens vanachter een muur het lichte getik van een hamer. Haar ogen worden groot als die van een ree. Sinds de politie-inval bij haar thuis in de vroege uren van de ochtend in april jagen onverwachte geluiden haar schrik aan. Gister nog, bijvoorbeeld, toen ze onder de douche stond. Buiten wordt er nieuw asfalt gelegd, dat weet ze. Toch draaide ze tot vijf keer toe de kraan weer dicht om beter te kunnen horen of het niet de politie was die haar kwam halen.

Vrijheid komt in gradaties. En zelfs iemand met een enkelband, opgesloten in een appartement in een buitenwijk van Moskou, is bang er nog een stukje van te verliezen. ‘Ik spreek mezelf toe: nu is het genoeg met dat bang zijn. Maar je lichaam hou je niet voor de gek.’

De schrik voor onverwacht geklop op de deur is iets wat de Rus van generatie op generatie meekrijgt. Net zoals ze al eeuwenlang zijn verwikkeld in een strijd om vrijheid die hun telkens lijkt te ontglippen. En toch, of misschien juist daarom, hebben vooral Russen een manier gevonden om zich vrij te voelen, zelfs als daarvoor geen enkele reden voor is.

A ls in de Angelsaksische wereld met name begrippen zoals John Stuart Mills schadeprincipe en Isaiah Berlins negatieve en positieve vrijheid bepalend zijn geweest in hoe er wordt gediscussieerd over vrijheid, dan is dat in Rusland de spanning tussen svoboda (wat wij in het Nederlands vrijheid noemen) en volja (zoiets als wil). Volgens de Russische filosoof Nikolaj Plotnikov die samen met zijn collega Svetlana Kirschbaum de anthologie Het discours van de vrijheid in de Russische intellectuele geschiedenis samenstelde, had svoboda tot aan het eind van de achttiende eeuw vooral een religieuze connotatie. Vrijheid vond men in de verlossing van de eigen zonde.

De schrik voor onverwacht geklop op de deur is iets wat de Rus van generatie op generatie meekrijgt

Totdat eind achttiende eeuw de eerste onafhankelijke drukkerijen verschenen die satirisch materiaal publiceerden dat ook het tsarenhuis aanpakte. ‘Voor het eerst ontstond er iets wat je een public sphere kunt noemen’, vertelt Plotnikov. ‘En de reactie daarop was meteen: verbieden. Datzelfde verhaal heeft zich door de eeuwen telkens herhaald: er wordt enige vrijheid van meningsuiting toegestaan, maar zo gauw dat de macht bedreigd, wordt het meteen de kop ingedrukt.’ Vanaf dat moment had vrijheid ook een maatschappelijke dimensie, namelijk de vrijheid om te zeggen en schrijven wat je wilde.

Behalve svoboda, waren in diezelfde periode de termen volnost en volja in circulatie. Ze impliceerden een bepaalde status en privilege die een vorm van praktische vrijheid inhield. Iemand die volnost had was geen slaaf en was in de positie om een overeenkomst te sluiten bijvoorbeeld. Ondanks de verschillen werden de drie begrippen – svoboda, volnost en volja – vaak door elkaar heen gebruikt en ondergingen ze meerdere mutaties in betekenis. Volgens Plotnikov was het de opstand van de dekabristen in 1825 tegen de nieuwe tsaar die de term volja de politieke lading gaf die het zou behouden en die het ook tegenover svoboda zou positioneren.

Simpel gezegd werd volja de strijdkreet van de radicalen die van onderaf veranderingen wilden afdwingen (hoewel de beweging zelf voornamelijk uit leden van de adel bestond). Daarentegen werd svoboda juist een steekwoord voor de hervormingsgezinde liberalen zoals de latere Kadetten, die wel voor verandering pleitten, maar stapsgewijs en op een gestructureerde manier.

Als Alla Goetnikova haar huis zou verlaten, schendt ze de voorwaarden van haar voorlopige hechtenis © Polina Severnaja

Niets symboliseerde het verschil tussen de twee kampen beter dan het opheffen van de lijfeigenschap in 1861. Formeel waren de landarbeiders eindelijk vrij, er was hun svoboda gegund. Maar hadden ze ook volja? Ze hadden nog steeds geen eigen land, en konden zich door allerlei verplichtingen aan de commune niet vrij verplaatsen. Wat was die svoboda dan eigenlijk waard? Niet veel, vond men. De terroristische beweging die de moord op tsaar Aleksander de Tweede, die de hervorming had doorgevoerd, voor haar rekening nam, heette niet zomaar Narodnaja Volja (Wil van het Volk).

‘Opeens ontstond er een belangrijke botsing tussen de twee ideeën over vrijheid’, zegt Plotnikov. ‘Van bovenaf was er een poging geweest om op een georganiseerde manier een bepaalde mate van vrijheid te schenken vanuit de gedachte: je kunt niet alles in één keer geven, want dat zou slechte gevolgen kunnen hebben. Daartegenover bestond er onder het volk de vraag om zelf te bepalen waar de kaders van hun vrijheid lagen.’

In haar nieuwe gedaante werd svoboda gezien als een westerse import. Vrijheid die werd gedragen door een skelet van regels die van bovenaf werden bepaald en aan de onderdanen ‘gegeven’ werden, maar net zo goed weer konden worden afgepakt. Volja daarentegen was Russisch-eigen. Het riep het romantische beeld op van de door de eindeloze steppe paardrijdende kozak. Dat was aantrekkelijk, niet alleen voor de have-nots, maar ook voor de Russische elite die zich pijnlijk bewust was van Ruslands achterstelling op Europa en daar tegelijkertijd kritisch en onzeker over was.

‘Zowel slavofielen als westerlingen konden elkaar vinden in het idee dat Rusland anders en misschien uiteindelijk wel beter was dan Europa. Dat het iets te bieden had, iets puurs, wat nog niet gecorrumpeerd was door de afgetakelde westerse beschaving die volgens hen al op haar einde liep’, stelt Maksim Troedoljoebov, redacteur en columnist bij de onafhankelijke krant Meduza. Svoboda had iets oneigens, terwijl volja vertrouwd voelde. ‘Op een bepaalde manier is volja wat Russen al eeuwen doen: wegrennen van de onderdrukking van de staat, repressieve instituties, het leger, de politie.’ Ze vluchtten naar het oosten, naar Siberië, of naar de zuidelijke steppes. En voor wie de fysieke reis te ver ging was er altijd nog de innerlijke emigratie.

Hoe romantisch het ook klinkt, bij volja schuilt er ook altijd een addertje onder het gras. Het is explosief, ontembaar, laat zich door niets en niemand beperken en dreigt daarom zowel op het individu als op de samenleving een destructieve werking te hebben.

Neem de legendarische semi-autobiografische roman Moskva Petoesjki (vertaald in het Nederlands als Moskou op sterk water) van schrijver Venedikt Jerofejev (1938-1990). Het hele verhaal is een stream of consciousness, of eerder een stream of delirium, terwijl de bezopen Venitsjka een treinreis aflegt van Moskou naar de buitenstad Petoesjki, waar het geluk hem opwacht in de vorm van zijn zoon en een rondborstige liefde ‘met een vlecht tot aan haar kont’.

Hij kan de troost goed gebruiken: hij is ontslagen als opzichter bij een bedrijf dat kabels legt en waar niemand ooit een vinger uitstak, omdat hij grafieken maakte waarin hij zijn eigen alcoholconsumptie en die van zijn collega’s vastlegde en, belangrijker nog, daarop werd betrapt. Maar zelfs vóór dat incident was het leven voor hem ondraaglijk zonder wodka. Heel veel wodka.

Venitsjka is al straalbezopen als hij instapt, maar slaat onderweg nog heel wat achterover terwijl zijn eigen gedachtes samenvloeien met die van zijn even dronken medepassagiers en er terloops wordt gediscussieerd over de grootste schrijvers en filosofen. Uiteindelijk komt hij nooit op zijn bestemming aan, hij schrikt wakker als de trein zich alweer richting Moskou aan het bewegen is. Het verhaal eindigt grimmig als hij eenmaal terug in Moskou dolend door de hoofdstad wordt overvallen en vermoord. >

Tegenover het rigide sovjetbestaan plaatste Jerofejev het delirium. Zijn Venitsjka is geen dissident, eerder een tragische held van het escapisme. Intelligent, maar diep triest en ongelukkig. Maar, lijkt de auteur te suggereren, misschien viel dat wel te verkiezen boven het gereglementeerde en hersenloze sovjetleven. Vanzelfsprekend was zelfs die suggestie veel te provocerend voor de censor en leerde de wereld het verhaal alleen kennen dankzij de samizdat.

‘Het idee dat vrijheid publieke politieke actie impliceert, is in het Russische discours praktisch afwezig’

Jerofejev zelf was ook een maatschappelijke misfit. Hij worstelde met autoriteit, had tientallen banen, en leidde voor het grootste deel van zijn leven een zwerversbestaan. Ook voor hem was de fles een daad van verzet. Het verhaal maakte van Jerofejev een beroemdheid en van zijn boek een klassieker. Maar school in de ervaring van Venitsjka, de fictieve en de echte, niet ook een waarschuwing?

Parallel aan het idee dat in iedere Rus de diepgewortelde volja schuilt, ontstond dus algauw ook de overtuiging dat niet iedereen die vorm van absolute vrijheid aankon. In De gebroeders Karamazov laat Dostojevski zijn grootinquisiteur van Sevilla Jezus opsluiten en streng toespreken. ‘Waarom bent U ons komen lastigvallen?’ vraagt hij. De bevrijding die Jezus belooft is de meesten alleen maar tot last. Veel liever onderwerpt men zich aan een despoot als dat brood en mentale rust betekent.

Volgens Plotnikov is het idee dat vrijheid alleen weggelegd is voor een kleine groep die het moreel aankan dominant in de Russische intellectuele traditie. ‘Het idee dat vrijheid ook publieke politieke actie impliceert, zoals Hannah Arendt vindt, en dat vervolgens ook tot vrijheid van meningsuiting leidt, is in het Russische discours praktisch afwezig.’

Zo kon de geniale dichter Joseph Brodsky stellen dat politieke onvrijheid geen belemmering hoeft te zijn voor creativiteit. Tenminste, voor diegenen die de kunst beheersen van het ‘negeren van de realiteit’. En dat kon hij blijkbaar als geen ander. Sergej Dovlatov, een bekende van hem, schreef over Brodsky dat hij leefde in ‘een klooster van zijn eigen ziel’. ‘Hij vocht niet tegen het regime. Hij merkte het simpelweg niet op. Hij was zich niet bewust van het bestaan ervan.’

Volgens Dovlatov ging het zo ver dat Brodsky elementaire kennis miste over het leven in de sovjetstaat, of misschien wel ‘onkennis’ veinsde. Zo was Komintern volgens Brodsky de naam van een muziekgroep. En toen er op de gevel van zijn woning een schildering van zes meter van Politburo-lid Vasil Mzhavanadze verscheen, zou hij hebben gevraagd: ‘Wie is dat? Hij lijkt op [de Engelse poëet] William Blake.’

Uiteindelijk is de nadruk die wordt gelegd op svoboda tegenover volja volledig kunstmatig, zegt Maksim Troedoljoebov. ‘Het is een boekachtig onderscheid, niet geworteld in onze biologie. Het is een manier geweest voor Russische intellectuelen om zich te verzoenen met het feit dat onze politieke structuren altijd onderdrukkend zijn geweest.’ Maar, bekent hij, dat betekent niet dat de twee concepten niet bepalend zijn geweest en zijn voor hoe Russen hun vrijheid beleven en vervolgens handelen. Onder Poetin wordt de burgers van bovenaf nog steeds geen vrijheid gegund, anders dan in strikt geregisseerde vorm. Ruslands zogenaamde ‘soevereine democratie’ heeft een parlement, maar wel een dat alleen ‘systemische’ oppositiepartijen kent. Er vinden wel verkiezingen plaats, maar niemand is ooit verrast door de uitkomst.

In een recent interview met de Financial Times, beschreef Vladislav Soerkov, voormalig adviseur van Poetin, een titel die zijn cruciale rol bij lange na niet dekt, het politieke systeem dat hij hielp ontwerpen als volgt (en dat zonder schaamte): ‘We had to give diversity to people. But that diversity had to be under control. And then everyone would be satisfied. And at the same time, the unity of society would be preserved (…) It is a good compromise between chaos and order.’

Eerder al had hij de interviewer de keus gegeven tussen twee opties bij het bestellen voor de lunch. ‘The first is Anglo-Saxon. I give you the menu, you can choose what you want. The second option is Russian. There is no choice. The chef chooses for you, because he knows better what you want.’ Dat de tweede aanpak voor tijdelijke stabiliteit zorgt kan best. Maar nadat eeuwenlang dezelfde keus werd geserveerd hebben Russen een derde variant gevonden: net doen alsof je je bord leeg eet maar het stiekem aan de hond voeren. Neem de coronacrisis. Nadat het een voorloper was met het ontwikkelen van het Spoetnik-vaccin tegen corona, vertikken Russen nu al maandenlang zich te laten inenten. Nu het aantal coronadoden alle records breekt, is er een verplicht vaccinatiebeleid ingevoerd voor iedereen met een contactberoep, hoewel het wordt omschreven als ‘dobrovolno-prinoeditelno’, wat vertaald zoiets betekent als ‘vrijwillig verplicht’. Voor wie dat verwarrend vindt, legt Poetins woordvoerder Dmitri Peskov het uit: ‘Als je je niet wil laten vaccineren kun je altijd ander werk zoeken.’ De optie die veel Russen kiezen is een vals vaccinatiebewijs kopen op de grijze markt.

Volgens Troedoljoebov is in dit soort gedrag zichtbaar hoe geatomiseerd de Russische samenleving is, mede vanwege de positieve lading die het ontlopen van de verantwoordelijkheid heeft gekregen in het nationale zelfbeeld. ‘Je verzetten tegen de leiding als een vorm van vrijheid heeft een romantisch aura gekregen als iets wat hoort bij onze traditie. Er is geen gevoel van saamhorigheid, of een begrip van de andere persoon die je dient te respecteren door het volgen van regels. Je vecht voor jezelf, je bent helemaal alleen.’

In de extreme vorm komt het vrijheidsbegrip op zijn kop te staan: hoe moeilijker de strijd om je los te vechten van de autoriteit, hoe verdienstelijker de vrijheid. Veel sovjetemigrés, onder wie Brodsky en ook de dissident Aleksander Solzhenitsyn, waren teleurgesteld in het vrije Westen. Waar was de spirituele diepgang? Ze zouden het niet zo zeggen maar het kwam er wel op neer: de collectieve onvrijheid was een voorwaarde geweest van hun eigen spirituele ontplooiing.

Voor Alla gaat dat veel te ver. ‘Het heeft iets geniepigs, of juist heel naïefs, om te zeggen dat vrijheid alleen binnenin je schuilt. Natuurlijk is dat een fijn idee. Maar op het moment dat je een krant aan het maken bent of een film en vanwege één telefoontje je hele leven voorbij is omdat iemand met zijn vinger naar jou heeft gewezen is het een heel ander verhaal.’ Haar steun in deze tijd is niet het mystieke en zogenaamd onvervreemdbare volja, maar juist het opbreken van haar vrijheidsbeleving in kleinere eenheden. ‘Mijn leven behoort mij niet meer toe. Maar wat heb ik nog wel? Mijn vrienden, mijn boeken, mijn lichaam. Daar laat ik nu mijn creativiteit op los. Het voelt alsof ik voor een tweede keer door de puberteit ga.’

Dat houdt in: uitbundige verkleedpartijen, creatieve optredens bij haar thuis en experimenten met make-up. De elektronische enkelband beplakt ze met politiek-getinte stickers. Voor haar laatste verhoor deed ze een felblauwe pruik op en droeg ze het feministische manifest van Virginie Despentes’ King Kong Theory in de hand. Een statement tegen het uniforme en bedrukkende politieapparaat.

Die dag zat ze niet meer tegenover dezelfde inspecteur met wie ze inmiddels al goed bekend is maar tegenover een of andere hoge pief. Voor de zoveelste keer las hij haar de beschuldiging voor. En vroeg hij: ‘Bekent u schuld?’

‘Op zo’n moment voel je dat je deel uitmaakt van een groter verhaal, van een lange traditie. Het was belangrijk en bijna vreugdevol om te kunnen zeggen: Nee, dat doe ik niet.’ Ze vervolgt: ‘Maar meestal is het bijna komisch juist omdat alles al zo herkenbaar is, alsof je bent beland in een verhaal van Gogol.’

Als ik na ons afscheid het appartement weer uitloop, sta ik opeens in een uitgestorven gang. Tussen alle identieke dichte deuren weet ik even niet meer welke naar de uitgang leidt, waar de lift is die me weer naar beneden zal brengen, en dan naar buiten. Ik probeer er een, die blijkt op slot.

Dan verschijnt Alla weer, ze had mijn gestommel in de gang gehoord. ‘Ik kom je redden’, lacht ze terwijl ze de juiste deur voor mij opendoet, maar netjes op de gang blijft. ‘Anders zit je hier straks maandenlang met mij opgesloten.’ Terwijl met een piepend geluid de lift omhoog schiet, gaat achter mij de deur weer op slot.