Honger? Eet een bankier

Carnavaleske protesten waren altijd een vast onderdeel van de antiglobaliseringsbeweging. Het gezag ondermijnd door vrolijkheid. Of zoals bij Occupy Wall Street: de 1% in pak te kijk gezet door de rest.

Toen sommige commentatoren en journalisten Occupy Wall Street afdeden als een vorm van carnaval, zagen wetgevers en politie­functionarissen onmiddellijk de diepere betekenis daarvan in. Ze grepen terug op een verbod uit het midden van de negentiende eeuw op het dragen van maskers, om demonstranten te kunnen arresteren die louter een gevouwen zakdoek op hun voorhoofd droegen. Daarmee lieten ze weinig ruimte voor twijfel over hun angst voor carnaval als een krachtige vorm van politiek protest. _New York Times-_journalist Ginia Bellafante gaf aanvankelijk uiting aan haar scepsis over ‘het naar buiten brengen van sociale grieven in carnavaleske vorm’, maar waarschuwde slechts een paar dagen later tegen het ‘criminaliseren van een bepaald soort kleding’. Zo sloeg haar neerbuigendheid om in behoedzaamheid, terwijl ze de inzichten van de politie bevestigde: het dragen van een masker kan gevaarlijk zijn, en carnaval is een serieuze zaak.

In de Verenigde Staten bestaat carnaval bijna niet meer. Het heeft overleefd als het Shrovetide-­festival tijdens Mardi Gras in New Orleans en als een zomerfeest van de West-Indische gemeenschap tijdens de parade op Labor Day in Brooklyn. Maar het carnavaleske – als een emancipatiemedium en als katalysator van burgerlijke ongehoorzaamheid – is springlevend, en deze hedendaagse carnavals hebben hun opstandige potentieel behouden.

Het kampement op Liberty Plaza, zoals de occupiers het Zuccotti Park noemden, kende een carnavaleske sfeer – tot het koude weer inviel en het kamp op 15 november door de politie werd ontruimd. In de eerste dagen van de beweging maakte de primaire energie van de betogers plaats voor doelbewuste pogingen om een gemeenschap op te bouwen en gratis voedsel te delen, maar ook voor bepaalde vormen van exhibitionisme en grote hoeveelheden rommel en vuilnis. Opgetrokken wenkbrauwen over vermeende seksuele handelingen in het park en bekentenissen over vraatzucht – dankzij de beroemde OccuPie-pizza – waren evenzovele voorbeelden van de zinnelijke lusten die karakteristiek zijn voor carnaval – ondanks de ietwat oncomfortabele accommodatie en de pesterijen van de politie.

Veel occupiers vermomden zich tijdens demonstraties. De beruchte Guy Fawkes-­maskers van de hacktivisten van Anonymous zijn nog steeds talrijk en de dragers ervan hadden minstens één advocaat gevonden die hun recht om zich te maskeren wel wilde verdedigen. Wellicht interessanter dan wat sommigen een ‘activistische coöptatie’ van een Warner Brothers-product hebben genoemd – ondanks de relevantie van Guy Fawkes voor de Britse carnavalstraditie – zijn de klassieke voorbeelden van het op z’n kop zetten van de hiërarchie, een wezenskenmerk van het carnaval. Zo waren er demonstranten die zich verkleedden als miljardairs en borden met de tekst ‘Bezuinigingen voor jullie, rijkdom voor ons’ met zich mee­droegen. De Millionaires March van 11 oktober en de drumcirkel voor het huis van de burgemeester van New York, miljardair Michael Bloomberg, op 20 november (net zo kakofonisch als een charivari), behoren tot het subversieve domein van het carnavaleske. Andere betogers, verkleed als ‘zombies uit het bedrijfsleven’, spuugden in afwachting van Halloween dollarbiljetten uit bloederige monden, en deden er vervolgens nog eens een schepje bovenop tijdens de jaarlijkse Halloween-parade in New York.

Verder waren er talloze voorbeelden van individueel vernuft. In de begindagen van de beweging werd een gehelmde vrouw in bontlaarzen en een kunstschaatspakje gesignaleerd, die rondreed op een eenhoorn van papier-maché in de kleuren goud en roze. In een ander geval was een jonge man verkleed in wat je een Zorro-studentenkostuum zou kunnen noemen. Hij droeg het zwarte masker en de zwarte handschoenen van de tv-wreker, naast een zwarte afstudeermuts en -toga. Hij hield als een gevangene een ketting en een ijzeren bal vast, waarop het woord ‘studielening’ stond, en een bord met de tekst ‘Werkloze superheld, pas afgestudeerd, geketend door schulden’.

Kunstenaars hebben ook gereageerd op de oproep om in actie te komen. Peter Rostovsky en Lynn Sullivan organiseerden The Language Experiment met zo’n twintig andere kunstenaars, die zijn gaan samenwerken onder de naam Build the Occupation. Eerst tijdens Halloween en later nog een keer, op 17 november, trad de groep naar buiten, gekleed in oranje taartdiagrammen en met 99%-brillen op. Ze hielden borden omhoog (eerst handgeschreven, later bedrukt met een door Steve Robinson ontworpen lettertype), met woorden die eruit zagen alsof het om koelkastmagneetpoëzie ging. Ze verwezen naar het werk dat Daniel Martinez maakte voor de Whitney Biënnale, I Can’t Ever Imagine Wanting to Be White (1993). De optredende kunstenaars vormden samen levende zinnen, het geschreven equivalent van de ‘menselijke microfoon’, de kenmerkende manier waarop betogers de woorden van sprekers ‘versterken’ door ze in een telkens grotere cirkel te herhalen. Deze occupation builders kwamen met collectieve boodschappen, die naar believen konden worden veranderd, als ze maar binnen de perken bleven van een zorgvuldig gekozen bewustzijnsverhogende vocabulaire.

Maar de indringendste boodschap zou wel eens de eenvoudigste kunnen zijn geweest. Die staat model voor de verdienste van het adagium ‘less is more’, hoe oncarnavalesk dit ook mag klinken. De foto van een blonde jonge man, zijn mond afgeplakt met een dollarbiljet waarop ‘#occupy’ geschreven staat, is het beeldmerk van de beweging geworden. Of misschien kwam dat wel door de Amerikaanse vlag in zijn rugzak, die het hele tafereel in de juiste context plaatste.

Het uittrekken van al je kleren was – nóg minimalistischer – een (ont-)maskerende strategie op Liberty Plaza, zolang het weer het toestond. In de zakenwereld maken de kleren de man. Nu moesten mannen in pak (alias de 1%) door blauwhemden (gewone politieagenten) en withemden (de bevelvoerende politie-officieren, berucht geworden door de pepperspray) worden beschermd tegen de naakte occupiers (alias de 99%). Dit spektakel verwees op een niet mis te verstane wijze naar de menselijke natuur van de hele 100%.

Maar we moeten het carnaval niet louter in de uitdossing zoeken. Occupy Wall Street zou zomaar een nieuwe Carnival Against Capital kunnen zijn – een tactische reannexatie van de openbare ruimte en het politieke debat, van sociale vorming en culturele productie, uitgevoerd als een georganiseerde poging om democratische rechten en vrijheden terug te winnen.

In feite zijn carnavaleske protesten altijd al een vast onderdeel geweest van de antiglobaliserings­beweging. Het Global Carnival Against Capital (ook wel J18), georganiseerd door de activistische groepering Reclaim the Streets, was een subversief internationaal straatfeest dat plaatsvond op 18 juni 1999, gelijktijdig met de G8-top in Keulen. Het was een actuele invulling van de definitie van Mikhail Bakhtin van carnaval als ‘een omgekeerde wereld, waarin het gezag wordt ondermijnd door vrolijkheid’.

Bakhtins Rabelais and His World, een studie naar de volkscultuur in het werk van de Franse Renaissance-schrijver Rabelais, werd geschreven in 1940, maar verscheen in Bakhtins geboorteland Rusland pas in 1965, als gevolg van de verhulde kritiek die erin wordt verwoord op de zuiveringen van Stalin. De Amerikaanse en Franse uitgaven van het boek (respectievelijk in 1968 en 1970) gaven Europese en Noord-Amerikaanse anarchisten een anti-hiërarchisch maatschappijmodel in handen dat appelleerde aan hun revolutionaire aspiraties. Maar het was de Franse situationist Raoul Vaneigem, met zijn boek The Revolution of Everyday Life (1967), die in mei 1968 de studentenbeweging voorzag van wat een ‘carnavaleske bevrijdingstheorie’ zou kunnen worden genoemd. Op profetische wijze schreef Vaneigem dat een ‘staking voor hogere lonen of een rumoerige demonstratie de carnavalsgeest kan doen ontwaken’, en dat ‘revolutionaire momenten carnavals zijn, waarin het individuele leven zijn eenwording viert met een geregenereerde samenleving’.

Wat lijkt te overheersen in de Amerikaanse incarnatie van de Occupy-beweging is een zachtere, nieuwe variant van het anarchisme, die is ontleend aan de communebeweging van de jaren zestig en de doelgerichte gemeenschappen van de jaren tachtig. Die laatste waren weer schuldplichtig aan de Situationistische Internationale en de Italiaanse Autonomia-beweging, en werden met elkaar in verband gebracht in Temporary Autonomous Zone (TAZ) van de Amerikaanse anarchist Hakim Bey, het tactische handboek van de antiglobaliserings­activisten sinds 1985. Hoewel het woord ‘carnaval’ niet voorkomt in TAZ, geldt dat wel voor ‘occupy’. Bey schrijft: ‘Omdat de staat zich in de eerste plaats bezighoudt met de schijn en niet met de inhoud, kan de TAZ deze gebieden clandestien “bezetten” en zijn feestelijke doeleinden een tijd lang in betrekkelijke rust en vrede voortzetten.’ Deze uitspraak geeft op toepasselijke wijze de situatie van vóór de ontruiming van Liberty Plaza weer, met zijn nadruk op ‘betrekkelijke rust’, gezien de behandeling van de occupiers door de New Yorkse politie, en zijn verminderde nadruk op het ‘clandestiene’ bezetten, gezien de verslaggeving in de media waar de beweging voor heeft gezorgd.

Een verband dat dikwijls wordt gelegd is dat tussen Occupy Wall Street (ows) en The Coming Insurrection (2009), een pamflet dat werd geschreven door The Invisible Committee, een Franse opstandige anarchistische groepering. De Amerikaanse talkshowpresentator Glenn Beck heeft The Coming Insurrection op hysterische wijze aangevallen en aangewezen als een inspiratiebron voor ows en de internationale opstanden die eraan vooraf gingen, van de Griekse protesten van 2010/11 tot de Britse studentenbeweging van 2010 en de Arabische lente. (Laatstgenoemde opstand werd als ­inspiratiebron aangemerkt door de occupiers zelf.) Het pamflet stelt dat ‘we onder een ­bezetting leven, een _politie-_bezetting’, en verklaart dat ‘we het territorium niet willen bezetten, maar het territorium willen zijn’, waardoor de retoriek van de bezetting wordt omgedraaid (zoals bij de beweging (Un)Occupy Albuquerque). Het werpt een pessimistisch licht op de feitelijke kapitalistische kolonisatie van de wereld. Sinds de ontruiming van ows en andere kampementen heeft de noodzaak om de strategie van de bezetting te ‘deterritorialiseren’ en zelf ‘het territorium te worden’ nog nooit zo urgent geleken.

The Invisible Committee kan worden gezien als de jongste schakel in ‘de theoretische lijn (…) die [door internationale activisten] met terugwerkende kracht wordt geconstrueerd om het belang van [het] hedendaagse radicale project te dienen’, zoals Gavin Grindon het heeft gezegd. Grindon rekent in eerste instantie de werken van Bakhtin, Vaneigem en Bey tot deze lijn. Maar wat je de Occupationistische Internationale zou kunnen noemen leent vrijelijk uit het anarchistische gedachtegoed – zij maakt gebruik van Bakhtins therapeutische vrolijkheid, blaast nieuw leven in Vaneigems opstandige vuur en implementeert de guerrillatactiek van Bey, terwijl tegelijkertijd de aansporing van The Invisible Committee wordt afgewezen om het concept van de algemene vergadering af te schaffen. De ‘algemene vergadering’, een van de karakteristieke onderdelen van ows, werd geïntroduceerd door Spaanse activisten die betrokken waren bij de m15-beweging.

Afwijkend van deze anarchistische lijn is de vroegere Franse verzetsstrijder en overlevende van de concentratiekampen Stéphane Hessel. Zijn pamflet Neem het niet!, in 2010 in het Frans uitgegeven als Indignez-vous!, geldt als inspiratiebron voor de Spaanse beweging, waarvan de aanhangers los indignados heten, en voor de Amerikaanse beweging, waarvan de deelnemers (de occupiers) in de Franse media les indignés (de verontwaardigden) werden genoemd.

Maar David Graeber – de anarchist, activist en hoogleraar antropologie die geldt als ‘anti-leider’ van ows en die op overtuigende wijze het doel van de beweging heeft omschreven als het ‘heroveren van de radicale verbeelding’ – heeft ook een bijzonder manifest gepubliceerd. Zijn boek Debt: The First 5000 Years (2011), een uitgebreide geschiedenis van het concept ‘schuld’ en zijn economische en culturele implicaties, zou wel eens de definitieve wetenschappelijke verhandeling van deze generatie kunnen zijn over savoir-vivre (naar analogie van de oorspronkelijke Franse titel van Vaneigem). Het Canadese tijdschrift Adbusters, dat vorig jaar zomer de oproep deed uitgaan om Wall Street te bezetten, mag zich dan bezighouden met de marketing van al deze ideeën.

Want naast het rechtstreeks aan de kaak stellen van de financiële instellingen, zoals tijdens het ‘volkstribunaal’ over Goldman Sachs op 3 november vorig jaar, richt ows zijn pijlen ook op het financiële systeem in zijn geheel. In die zin heeft de beweging voor een nieuwe impuls gezorgd voor de Move Your Money-campagne, waarvan het jongste initiatief de Bank Transfer Day op 5 november vorig jaar was. Hieruit blijkt dat Occupy Wall Streetniet zozeer een economische oorlog voert, als wel een oorlog tegen de economie – mogelijk een van de meest anarchistische stellingnames denkbaar in een tijd van ‘bezetting’ door het bedrijfsleven.

De wetenschappers Peter Stallybrass en Allon White betogen dat ‘het feitelijk weinig zinvol is te discussiëren over de vraag of carnaval intrinsiek radicaal of conservatief is’. Zij beklemtonen dat carnaval niet a priori een revolutionaire inslag heeft. Maar bij de start van ows verwezen zowel sceptische journalisten als enthousiaste betogers rechtstreeks naar de moeder van alle revoluties, de Franse Revolutie. De eerstgenoemden maakten zich vrolijk over de teleurstelling onder de demonstranten dat ‘de Bastille niet was bestormd’ (om zich later af te vragen: ‘Carnaval of Revolutie?’). De laatstgenoemden deden een waarschuwing uitgaan in een ‘memo aan de 1%’: ‘De 99% wordt wakker. Wees ongerust. Heel ongerust. Marie-Antoinette was dat niet.’ Dit was het vervolg op de oproep van Roseanne Barr tot de terugkeer van de guillotine, in een toespraak op Liberty Plaza. Dit revolutionaire refrein werd door een kannibalistische menigte begroet met het dreigement dat ‘de armen op een dag niets anders te eten zullen hebben dan de rijken’ (in de verkorte versie: ‘Honger? Eet een bankier’).

Wat hier op het spel staat, is niet zozeer de vraag of het carnavaleske karakter van Occupy Wall Street een revolutionaire beweging maakt. Wél is het zo dat door de carnavaleske omkering van strategie en hiërarchie de omvang (en de kosten) inzichtelijk worden gemaakt van de kloof tussen de 1% en de 99%, en de diversiteit en ongelijkheid binnen de 99% zelf. De carnavaleske bezetting van Wall Street is een symbolische poging om de zwart-wit-tegenstelling tussen hoog en laag in de hedendaagse Amerikaanse samenleving te doorbreken, waarbij het niet uitmaakt of het nu om verschillen in status of ras gaat.

Wat is na alle symboliek het meest waarschijnlijke vervolg op dit proto-carnavaleske protest? Londens tientallen jaren oude Carnival Against Capital biedt daarvoor enige aan­wijzingen. Het was het grote voorbeeld voor de Battle of Seattle, het World Social Forum en andere manifestaties. Het maakte ook de tactische mediatechnologie achter Indymedia mogelijk en was een voorloper van de huidige mondialisering van antikapitalistische bewegingen van onderaf.

Je kunt alleen maar hopen dat in New York en de andere steden waar de beweging van de grond is gekomen, de carnaval-kosmologie in de plaats zal treden van de ruileconomie die gevoelens heeft doen herleven die waren verwelkt door onstoffelijke financiële transacties. Maar de echte omkering die het gevolg is van dit carnaval zou zich wel eens elders kunnen manifesteren, buiten de Verenigde Staten. De Arabische wereld is de inspiratiebron van deze beweging en heeft de toon gezet voor de wereldwijde golf van maatschappelijke veranderingen van deze eeuw. Vanuit dit perspectief bezien lijken de Amerikaanse burgers veel meer op de 99% van de rest van de wereldbevolking, en zijn ze niet langer louter de bovenste 1%.

Deze omkering van de wereldorde zou ook kunnen helpen bij het doorbreken van die andere zwart-wit-tegenstelling, die tussen de westerse en de Arabische wereld. Zij zou ook een ­hinderpaal kunnen zijn voor daarmee samenhangend wederzijds terrorisme, waarbij het lichaam – net als bij het carnaval – als wapen wordt ingezet. Als antwoord op de vraag van Rahul Rao over welke ‘protestgevoeligheid’ zou passen bij een wereld die niet slechts één bron van dreiging kent, laten deze protesten zien dat dit heel goed gelegen zou kunnen zijn in het alomvattende en chaotische karakter van het carnaval. Rao stelde zijn vraag in de inleiding van zijn boek Third World Protest: Between Home and the World (2010). Hij reageerde op de bewering van Michael Hardt en Antonio Negri in Empire (2000) dat ‘de eerste vraag waar de politieke filosofie zich vandaag de dag mee bezighoudt, niet is of – en waarom – er verzet en rebellie zullen bestaan, maar eerder hoe je de vijand moet determineren tegen wie je rebelleert’. In hun daaropvolgende boek Multitude namen Hardt en Negri een deel op met de titel Carnaval en beweging, dat was gewijd aan ‘protesten die carnavalesk zijn, niet alleen qua sfeer [maar] ook qua organisatie’. Ze brachten een eerbetoon aan Bakhtin omdat ‘hij ons de logica van de menigte (“multitude”) heeft doen begrijpen, een organisatietheorie die is gebaseerd op de vrijheid van individuele eenheden die samenkomen in de productie van het gemeenschappelijke’.

De bezetters van Wall Street, die hun carnaval opvoerden op het hoogtepunt van een ernstige economische inzinking – de 21ste-eeuwse versie van de vastentijd – lijken van twee walletjes te hebben willen eten. Voor Bakhtin, in navolging van Rabelais, was de essentie van het carnaval dat het een ‘feest voor de hele wereld’ was, waarbij ossen werden geslacht en door de hele burgerij werden gedeeld, een vorm van herverdeling van de welvaart. De stier van Wall Street zou dus nog wel eens kunnen eindigen als de vetgemeste os van Mardi Gras, om de volgende keer dat de zaken op de beurs uit de hand lopen te worden geofferd.

Naschrift – Ik schreef deze laatste metafoor op 12 oktober vorig jaar op. Slechts een maand later werd hij werkelijkheid. Op 17 november werd een paars-gouden stiervormige piñata, genaamd Wally, ‘de geest van Wall Street aan de Universiteit van New York’, gecastreerd op de stoep voor de Stern School of Business. Wally was vervaardigd door nyu4ows, een groep kunstenaars en studenten onder leiding van Daniel Aldana Cohen, een sociologiestudent, met geld van de kunst- en cultuurcommissie van de New Yorkse Algemene Vergadering. Nadat hij was gecastreerd werd Wally opengescheurd door de studenten, alias de 99%. Uit zijn buik viel ‘Wall Street Campus Cash’, valse bankbiljetten met foto’s en financiële feiten over president John Sexton van de universiteit (‘verdient $1.6 miljoen per jaar’), bestuurslid John Paulson (‘hedgefonds­manager die $4 mrd verdiende door te speculeren op een economische crisis’) en anderen. Via dit ritueel werd de wens van de betogers vervuld om ‘de symbolen van de macht [van de 1%] met een glimlach te vernietigen’.

Laten we hopen dat er binnenkort meer van dergelijke voorspellingen zullen uitkomen, dat er meer oude rituelen tot leven zullen worden gebracht en dat er meer nieuwe rituelen zullen worden verzonnen, als onderdeel van wat Jack Santino, verwijzend naar het carnavaleske, het ‘rituele’ heeft genoemd. Van oudsher in verband gebracht met Mexico is algemeen bekend dat de piñata zijn oorsprong vindt in Spanje en onderdeel is geworden van de feestelijkheden tijdens de vastentijd. Er wordt ook beweerd dat hij afkomstig is uit China, waar hij deel uitmaakte van de festiviteiten rond Nieuwjaar en een koe of een os moest voorstellen.


Occupy Wall Street: Carnival Against Capital? Carnivalesque as Protest Sensibility werd voor het eerst gepubliceerd in tijdschrift e-flux, nummer 30, december 2011.

Vertaling Menno Grootveld