Film: The Eye

Hongkong is er nog altijd

Oxide en Danny Pang

The Eye

Te zien vanaf 26 juni

De dood is een lange blonde man in de Aziatische horrorfilm The Eye. Hij verschijnt vanuit het niets ter zijde van mensen die nog maar kort zullen leven. Wanneer het zover is, neemt hij het verbaasde slachtoffer aan de hand, alsof het een vriend is, en leidt het bedachtzaam weg naar het schimmenrijk.

De man is niet zichtbaar voor iedereen. Wel voor het Thaise meisje Ling. En, als zij sterft, ook voor een mooie blinde vrouw in Hongkong naar wier oog haar hoornvlies wordt getransplanteerd. Met haar nieuwe oog kan de vrouw, Wong Kar Mun (Angelica Lee Sin-je), voor het eerst sinds haar tweede levensjaar zien. Dat blijkt geen verlossing: de wereld die voor haar opengaat, is een hel bewoond door psychotische halfdoden en suïcidale peuters. En lange blonde mannen.

Het verhaalgegeven van The Eye betreft een herbewerking van films waarin het oog of de daad van het kijken een metaforische functie heeft, bijvoorbeeld Un chien Andalou (1929) van Luis Buñuel of Minority Report (2002) van Steven Spielberg. Wat The Eye werkelijk bijzonder maakt — en het onderscheidt van de genoemde werken — is de sensuele visuele stijl van de gebroeders Pang.

Oxide en Danny Pang maakten eerder het fantastische Bangkok Dangerous (2000) waarin een doofstomme sluipmoordenaar verliefd wordt op een burgerlijk meisje dat bloeme tjes jurken draagt en in een apotheek werkt. Verbluffend aan deze films is het gebruik van kleurenfilters en verschillende soorten filmmateriaal tijdens het draaien: veel scènes in The Eye zijn gehuld in rood, blauw of groen, zodat een textuurrijke, surrealistische wereld ontstaat waarin het menselijke gevoel overheerst eerder dan plotontwikkelingen.

Het accent op visuele stijl als uiting van de psychologische opmaak van personages en als blik op de werkelijkheid kenmerkt de Hongkongse cinema, waar The Eye product van is. Dit soort films, dat in oosterse landen een miljardenpubliek bereikt, is allerminst oppervlakkig, wat wel het geval is bij soortgelijke westerse werken. De meeste hoge conceptfilms uit Hollywood zitten visueel hoogst geraffineerd in elkaar, maar op inhoudelijk vlak schieten ze erbarmelijk tekort. The Eye laat zien dat een populaire film én visueel onweerstaanbaar kan zijn én een psychologisch complex verhaal kan vertellen. In die zin is de film exemplarisch voor een bredere ontwikkeling: als creatieve ruimte waar kunst en populaire cultuur samensmelten, vormt «Hongkong» een levensgrote bedreiging voor Hollywood.

Hongkong is niet alleen het Mekka van de klassieke martiale kunstenfilm en de moderne incarnaties van het genre. Het dient ook als voedingsbodem voor creatieve regisseurs als de gebroeders Pang. En het heeft de belangrijkste cineast van de nieuwe tijd opgeleverd: Wong Kar-wai, regisseur van Days of Being Wild (1990), Chungking Express (1996) en In the Mood for Love (2000).

Met deze laatste film heeft Wong Kar-wai de taal van de cinematografie herschreven. In the Mood is simpelweg de mooiste film ooit gemaakt over de pijn van de liefde, de vergankelijkheid der dingen en de kunstmatigheid van het moderne leven. Wong is een virtuoze stilist die een verhaal vertelt door middel van beelden: slowmotion sigarettenrook (de verrukking van lome ontmoetingen tussen verliefden), gordijnen die blazen in de wind (de belofte van erotiek) en een slanke vrouwelijke pols met daaromheen een handtas (verleiding).

De invloed van Wong Kar-wai’s werk is niet te onderschatten. Veel films van de nieuwe Aziatische cinema — ook The Eye van Oxide en Danny Pang — verraden zijn stijl. Toch is ook Wong schatplichtig aan de wereld waaruit hij voortkomt. En die wereld staat nu onder druk. Het Hongkong waarin hij als kunstenaar opgroeide, concurreerde in de jaren tachtig als enige filmindustrie met Hollywood. Niet alleen wat betreft kwaliteitsfilms, maar ook qua omzet was Hongkong tot begin jaren negentig de derde grootste industrie, naast de Verenigde Staten en India. Hongkong onderscheidde zich van India in die zin dat films gemaakt in de toenmalige stadstaat meer dan Hindi-films aansloegen bij een wereldwijd publiek.

Het tij lijkt gekeerd. De economische crises van de late jaren negentig hebben diepe krassen nagelaten op het stralende blazoen van de eertijdse Aziatische tijgers Zuid-Korea, Taiwan en Hongkong. Ook de Hongkongse cinema kon de dans niet ontspringen. Onlangs berichtte The Los Angeles Times dat de omzet van films uit Hongkong is gedaald van 150 miljoen dollar tot ongeveer 45 miljoen dollar.

De slechte economische vooruitzichten hebben ook fatale gevolgen voor de psyche van de inwoners. Wetenschappers rapporteren een scherpe stijging van het aantal zelfmoorden. De laatste suïcidecijfers voor Hongkong zijn 14,7 per honderdduizend inwoners. Dat ligt hoger dan het cijfer voor Amerika en voor de meeste andere Aziatische landen.

Zelfs de sterren van de Hongkongse film ontsnappen niet aan de geestelijke malaise. Vorig jaar pleegde Pauline Chan, actrice in talloze erotisch getinte films, zelfmoord. En in april van dit jaar sprong Leslie Cheung van een hoog gebouw in het centrum van Hongkong naar z’n dood. Cheung was een beroemde homoseksuele popzanger en acteur, bekend van de actiefilm A Better Tomorrow van John Woo en Happy Together van Wong Kar-wai.

Behalve de recessie heeft de overdracht aan China de sfeer van crisis in Hongkong verscherpt. De spanning tussen traditie en vooruitgang — tussen het oude China en de moderniteit — is deel van de Hongkongse identiteit. In The Times stelt Peter Chan, producent van The Eye, dat Hongkong altijd de belangrijkste verschaffer was van Chinees talig vermaak aan immigrantengemeenschappen overal ter wereld. Tijdens de hoogtij dagen van de jaren tachtig kwam zeventig procent van de omzet uit het buitenland. Tegenwoordig is dat twintig procent. De reden: Chinese kijkers raken steeds meer westers georiënteerd, zodat zij tevreden zijn met producten uit Hollywood. Hier komt nog bij de recente ontwikkeling dat Amerikaanse producenten de Aziatische film steeds meer gebruiken als bronmateriaal voor snelle, veelal slechte films. Voorbeelden hiervan zijn een herverfilming van de Japanse horrorfilm Ringu en een beoogde Tom Cruise -versie van The Eye van de gebroeders Pang.

Er is wel een keerzijde, en dat zit hem in de mogelijkheid van vruchtbare culturele kruisbestuiving tussen Hongkong en Hollywood. Een voorbeeld is het schitterende Matrix Reloaded, een postmodern sciencefiction sprookje dat in zijn diepste wezen een ouderwetse kungfufilm is.

Niet alles is verloren. De filmindustrieën van andere Aziatische landen beleven al een aantal jaren een opleving, bijvoorbeeld Zuid-Korea en Thailand. Vooral populaire films uit Thailand blijken een internationaal publiek te vinden: de westernsatire Tears of the Black Tiger (2000) en het werk van de gebroeders Pang. Danny en Oxide Pang zijn geboren Hongkongers, maar als cineasten zijn ze volwassen geworden in Bangkok. Hun film Bangkok Dangerous is een door en door Thaise productie. Dat neemt niet weg dat populaire Aziatische films als deze maar één inspiratiebron hebben: Hongkong.

Hongkong-films zijn visueel spectaculair. Tezelfdertijd druipen ze van de melancholie en dwingen ze de kijker tot reflectie. In The Eye zet de oogmetaforiek aan tot het nadenken over het kijkproces en over de filmkunst. De blinde Mun met het getransplanteerde hoornvlies heeft geen enkel referentiekader als ze weer kan zien. Ze moet van voor af aan een visueel vocabulaire aanleren. Daarom schrikt ze niet eens als ze voor het eerst, in het ziekenhuis na haar operatie, een lange blonde man ziet staan achter het meisje met een hersentumor. Maar de horror komt gauw: zíj ziet als enige de vreemde, schaduwachtige man.

Op het kijken blijkt een vloek te rusten in The Eye, een boeiend idee dat vaker voorkomt in de Aziatische cinema. In de Japanse horrorfilm Ringu sterven mensen na het zien van een behekste videoband; in Bangkok Dangerous leidt het kijken tot de dood wanneer de doofstomme sluipmoordenaar Kong door zijn telescoop naar een slachtoffer tuurt; en in de films van Wong Kar-wai is het kijken haast een sado masochistische daad, aangezien het bekeken object — een geliefde — altijd onbereikbaar is. Wie kijkt, lijdt pijn, maar ziet ook iets wonderschoons. Deze paradox ligt ten grondslag aan de melancholie in Hongkong-films. Is de onmogelijke liefde de beste liefde, zoals in In the Mood for Love? Kan de dood mooi zijn, zoals in The Eye?

De Pangs laten in hun film een peuter zelfmoord plegen omdat hij zijn rapportkaart is kwijtgeraakt. Iemand die zelfmoord pleegt, is gedoemd die daad eindeloos te herhalen. En dus ziet Mun het jochie keer op keer het raam uitspringen — en iedere keer weer dood vallen. De andere halfdoden van Hongkong zijn minder heroïsch: een man die in een lift wezenloos voor zich uitstaart, een jongen die eindeloos kaarsen eet. Deze weemoed ziet Mun met haar nieuwe oog. Maar wil ze dat wel zien? Wat is de waarde van de kennis die ze opdoet?

Hongkong-films leren de kijker, evenals Mun, opnieuw te kijken. De geldstromen van de jaren tachtig zijn anno 2003 dan in mindere mate aanwezig, de grote kunstenaars werken nog. Dat bewijst The Eye. Met een haast ongekend gevoel voor anticipatie kijkt men uit naar de volgende film van Wong Kar-wai of van de gebroeders Pang. Slechts de beste films uit Hollywood weten op dezelfde wijze een wereldwijd publiek te raken.

Hongkong is er nog altijd, ondanks de melancholie en het zelfmoordcijfer en de identiteitscrisis. Of misschien dankzij. Net als Mun vergt de Hongkongse cinema nieuwe ogen. Wegens de intensiteit en energie van deze werken is dat niet vrijblijvend. Aan het einde van The Eye is Mun — genadiglijk — weer blind. Het kijken was een vloek, maar ze zag wel het leven in al zijn facetten. In het donker is de horror voorbij. En voor het eerst in haar leven ziet ze het licht.