Honing uit de kraan

Welk gereedschap je gebruikt is een politieke keuze. Het beïnvloedt niet alleen de vorm maar ook de inhoud van je werk. Met die boodschap begint An Mertens haar bevlogen lezing over Algolit, een project waarin een wisselende groep kunstenaars, schrijvers en programmeurs samenkomt en onderzoek doet naar digitale manieren van lezen en schrijven. De groep is geïnspireerd op de principes van Oulipo, de kunst van de beperking. Ze werkt uitsluitend met open-source-software.

Het is warm in de theaterzaal, de zware gordijnen kunnen de lente maar amper buiten houden. Ans algoritmes kruipen over het projectiescherm en ik denk aan mijn bijen. Dit zou een uitstekende dag zijn voor een voorjaarsinspectie, de eerste keer dat je na de winter de bijenkast opent, oude raat vervangt en de conditie van het volk peilt. Hoe zouden mijn volken deze lange winter zijn doorgekomen? Hebben ze genoeg voer en ruimte? An is op mijn uitnodiging naar Amsterdam afgereisd, ik kan moeilijk spijbelen. Bovendien is ze een soort rockster op het gebied van code en literatuur. De bijen moeten dus nog even wachten.

Bij open-source-programma’s is elke gebruiker mede-eigenaar van de software, iedereen mag de broncode inzien en naar eigen behoefte aanpassen. Imkers maken ook vaak hun eigen gereedschap. Soms uit idealisme, maar meestal omdat ze gewoon eigenwijs zijn en van knutselen houden. Een gefiguurzaagde bijensluis om een honingkamer leeg te krijgen, een vlieggatverkleiner om de muizen ’s winters buiten te houden, een sluitraam om de kast te verkleinen. Zo imkert iedereen op zijn eigen manier met zijn eigen middelen.

De lente zette door en een paar dagen later kan ik gelukkig alsnog naar de bijen. Het ziet er goed uit. De vliegplanken worden druk bezocht door werksters met gele en oranje koffertjes stuifmeel aan hun poten. Toch moet ik mezelf even moed inspreken om de eerste kast te openen. Sinds ik een keer een stekerig volk heb gehad, ben ik altijd een beetje zenuwachtig. De bakken gaan lastig van elkaar, een goed teken. Een gezond volk dicht alle naden en kieren met propolis. Terwijl ik met een kastbeitel de honingkamer loswrik en de zenuwen in mijn onderbuik voel rommelen, denk ik onwillekeurig aan een filmpje dat mij de afgelopen maanden door verschillende mensen is toegestuurd. Twee Australische imkers, vader en zoon, hebben een nieuw soort bijenkast ontworpen. Een kast met een tapje.

Bijen vullen cellen met honing en verzegelen die met een wasdekseltje wanneer er genoeg water is verdampt. Om de honing hieruit te krijgen moet je de ramen uit de kast halen, de bijen eraf kloppen en met een soort vork de raat van wasdekseltjes ontdoen. Dan zet je de ramen in een honingslinger en sla je door middel van de centrifugale kracht de honing uit de cellen. Het is een arbeidsintensief klusje en een verstoring van de rust in het volk. De innovatieve Flow Hives maken al die stappen overbodig. De zijwanden van de honingcellen zijn van kunststof en kunnen als sluisjes worden opengezet terwijl de ramen gewoon in de kast blijven hangen en de bijen onverstoord over de wasdeksels lopen. (Bekijk het filmpje als je je hier geen voorstelling van kunt maken.) De honing loopt uit het kraantje zo in een emmer of, zoals in het slimme promotiefilmpje, op de boterham van een vrolijk sproeterig meisje.

Bijenhouden was nog nooit zo simpel en zo ‘easy on the bees’. Honing oogsten zonder de bijen te verstoren, maar door gewoon de kraan open te draaien. Toch maakt het tapje me onpasselijk. Misschien is het de toon van het filmpje; de uitvinding wordt gepresenteerd als iets goeds voor bijen – save the bees! Met deze mobiele honingtapjes kan iedereen bijenhouden. Dat zou voor meer respect moeten zorgen, toch krijg ik het beeld van melkkoeien in de bio-industrie niet uit mijn hoofd. ‘Turn on the tap, sit back and watch the honey flow.’ Het kraantje staat direct op de raat, maar het schept juist afstand. Het wekt de illusie van een honingovervloed die moeiteloos wordt aangevuld, terwijl het een werksterbij haar hele leven kost om een theelepeltje honing bij elkaar te vliegen.

Maar goed, elk gereedschap is een politieke keuze, en een wereld waarin iedereen precies hetzelfde gebruikt, is een saaie, enge plek. Toch is het ook voor de bijenstand niet ideaal als iedereen straks zijn eigen honingtap in de achtertuin heeft staan. De honingbij is slechts een van vele bijensoorten, maar toevallig wel de meest efficiënte en best georganiseerde. Voor veel van de andere wilde bijen en hommels is een toename van het aantal imkers geen goed nieuws. Opeens is er zware concurrentie op de toch al schaarse paardenbloemen in het gras. Natuurlijk zijn er meer oorzaken te noemen voor het verdwijnen van een flink aantal wilde bijensoorten in Nederland maar zolang er voor elk nieuw honingbijenvolk niet ook nieuwe dracht aangeplant wordt, raken wilde bijen met elke nieuwe imker meer in verdrukking. Laten we dus vooral niet wennen aan het idee dat honing uit de kraan komt.