Hoofd- en bijzaken

In mijn agenda van acht jaar geleden kan ik onze afspraak terugvinden. Dinsdagmiddag 16.00 uur, café Scheltema.
Een week eerder had ik hem op aanraden van een vriend mijn manuscript toegestuurd. ‘Dit is echt wat voor Anthony’, zei hij me.
Ik was de hele week nerveus. Zou hij het wel wat vinden? Ik wist dat er nog iets aan schortte, maar wat?
Oké, even eerlijk nu.
De vriend die mij aanraadde om mijn manuscript naar Anthony Mertens te sturen was mijn uitgever. Beetje gekke constructie misschien, maar hij had het idee dat Anthony mij beter zou kunnen helpen dan hijzelf. En aangezien ze hun domicilie in hetzelfde uitgeefhuis hadden, was het niet echt overlopen. Een beetje maar.
Als ik nu zou zeggen dat het stil in de trein was, en op straat, dan zou ik liegen. Ik was helemaal niet bezig met de buitenwereld, ik was alleen maar bezig de uitdraai van mijn eigen binnenwereld voor de honderdste keer over te lezen. Over te denken.
Ik was te vroeg, hij was er nog niet.
Als ik nu zou schrijven dat er een grafstemming in het café hing, dan zou ik liegen. Het enige wat ik opmerkte, was dat de televisie tamelijk hard aan stond. Om me een houding te geven, ging ik aan een tafeltje vlakbij zitten zodat ik tv kon kijken. Een jongen en een meisje zaten twee meter bij me vandaan, schouder aan schouder, ongeveer ín de televisie. Als een stel zombies zaten ze daar, hun blik onafgebroken op het beeldscherm. Vooral het meisje keek alsof ze net haar cavia had begraven. Wat een aanstelster, dacht ik. Om de een of andere reden wekte ze mijn agressie op.
Nou ja, ik weet nog heel goed om welke reden, maar ook eerlijkheid heeft zo z’n grenzen.
Wat zich op het scherm afspeelde zag ik wel en niet. Vergelijkbaar met hoe ik ook krantenkoppen wel en niet kan zien. Hoe groter de kop, hoe minder ik ’m zie.
Ah, daar was Anthony!
Gehaast en een beetje krom kwam hij binnen, een paar plastic tasjes in de hand.
‘Kom, we gaan daar achter zitten’, zei hij en hij schuifelde voor me uit, laverend tussen de tafeltjes en stoelen.
We installeerden ons voor het raam, bestelden de eerste lading bier, de eerste portie bitterballen, en twee uur later zaten we er nog. Af en toe werden we lastiggevallen door de ober, die een uiterst somber wereldbeeld ontvouwde. We hoorden hem aan, knikten instemmend, en bogen ons weer over belangrijker materie.
Anthony had mijn tekst heel secuur gelezen, dat allereerst.
Hij merkte verbanden op die mijzelf nog waren ontgaan.
Hij zag parallellen met verhalen waaraan ik nog nooit had durven denken.
Ja ja, denkt nu iedereen.
Lekker potje stroop smeren zul je bedoelen.
Maar dat was het niet. Behalve dat hij me leek te begrijpen, me aanspoorde en optilde, wist hij me ook precies te vertellen wat me nog te doen stond.
‘Ik zat te denken…’ hakkelde ik. ‘Als ik nu van het perspectief een liefhebbend perspectief maak en…’
‘Ja!’ riep hij. ‘En wat je dan ook kunt doen is…’
Ik kon wel huilen, en als ik eerlijk ben: ik geloof dat ik dat ook heb gedaan. Anthony keek nergens van op. Behalve dan misschien een beetje van die ober, die maar bleef somberen aan ons tafeltje. En van twee oud-studenten Nederlands die ik ook nog kende, en die binnen kwamen stormen en ons deelgenoot wilden maken van hun verontwaardiging.
Anthony had een afdoende sussend gebaar in huis.
‘Maar vind jij dan niet…’ blies de één.
‘Maar je kan toch niet…’ hijgde de ander.
Anthony wuifde met zijn hand. Merkte op dat het wel nooit meer goed zou komen met de wereld, maar als ik eerlijk ben: ik weet niet meer precies wat hij zei. Het was even wijs als relativerend in ieder geval, en voldoende om weer met rust te worden gelaten.
Duizelig en gelukkig stond ik even later op het Spui. Als ik zou zeggen dat je er een kanon kon afschieten, zou ik liegen. Zo goed lette ik niet op. Maar toen ik een vriendin probeerde te bellen en haar voice-mail kreeg, keek ik nog eens om me heen. Zou toch eigenlijk stiekem ook de grachtengordel om zes uur achter de piepers zitten?
Toen we elkaar een paar dagen later weer tegenkwamen, lachten we beschaamd.
‘Die datum verbindt ons nu voorgoed’, zei Anthony.
Inderdaad: wij hadden het klaargespeeld de wereld buiten de deur te houden. Op 11 september 2001.
Dat schiep een band.