Redes Van Randwijk en Van Tusschenbroek

Hoofdartikel, toespraak

Henk M. van Randwijk (26 juli 1947): Hoofdartikel ‹Vrij Nederland›: ‹Omdat ik Nederlander ben›

Op 26 juli 1947 riep de voormalige verzetsman en hoofdredacteur van Vrij Nederland Henk M. van Rand wijk de woede van alle gevestigde partijen op met een hoofdartikel tegen de zogenaamde «politionele acties» in Nederlands-Indië.

«Toen op zondag, 20 juli, Nederland de oorlog begon tegen de volken van Java en Sumatra – (een ‹politionele actie› met tanks en vliegtuigen IS een oorlog! Waarom dit schijnheilige getwist over een woord, als de zaak duidelijk is?) – kwam na de woorden van de minister-president, het Wilhelmus door de radio. Toen drong onweerstaanbaar in mijn herinnering die even zonnige morgen van de tiende mei 1940, toen Schip hol reeds brandde en tussen de alarmerende berichten over landende parachutisten de stem van onze Koningin klonk, gevolgd door het Wilhelmus.

Ik stond toen alleen in een oud gebouw in de binnenstad van Amsterdam. Toen het volkslied uitgespeeld was, ontdekte ik, hoe ik blootshoofds en met natte ogen had meegezongen.

Van dat ogenblik af was het Wilhelmus voor mij een nieuw lied geworden, of liever, het had zijn oude betekenis herkregen. Niet de natie zonder meer, maar de natie ‹op gerechtigheid gegrondvest› was in het geding, niet de vrijheid, maar de vrijheid ‹als een vroom Christenman te leven› werd belaagd. Wanneer ooit in de donkere jaren die volgden de twijfel het hart besloop gaf deze wetenschap nieuwe kracht, als ooit daarna de hartstocht van de strijd en de haat tegen de vijand ons overmeesterden, drong deze wetenschap ons terug binnen de heldere lichtkring waar het recht meer is dan de natie en het geweten luider spreekt dan het bloed. Dat was niet altijd gemakkelijk, maar dat is het risico van een volk als het onze, dat een zo edel en vroom lied tot zijn volkslied heeft verklaard.

En daarom klonk het op 20 juli 1947, de dag waarop Nederland met tanks en bommen een ander volk te lijf ging als een vloek!

(…)

Omdat ik Nederlander ben zeg ik nee! tegen het geweld dat thans door ons in Indonesië gepleegd wordt. Ik zeg dit met in mijn oren de beschuldiging door mijzelf en anderen geuit tot het Duitse volk, dat uit vaderlandsliefde en éénzelfde verkeerd begrepen nationaal belang meende te moeten zwijgen toen Hitler in zijn naam misdaden beging. Ik schakel daarmee het optreden van onze regering in Indonesië en de daden van Hitler niet gelijk. Ik zeg er alleen mee, dat wij in die beschuldiging aan het Duitse volk erkenden, dat er een hogere maatstaf is dan het nationaal belang en dat er klemmender redenen zijn om te spreken of te zwijgen dan het Nederlanderschap.

De vraag naar de moraliteit van de staat is een moeilijke vraag en een andere dan die van de moraliteit van het individu. Maar ergens moet toch ook de natie haar bestaan bouwen op het recht en de menselijkheid en daarmee aan al zijn mondige leden het privilege geven dit recht naar eer en geweten te toetsen.

Een analyse van de toestand en de mogelijkheden heeft u bijna week in week uit in Vrij Nederland kunnen vinden. Daarin werd en wordt ook gesproken over de fouten, die tot dit bloedvergieten hebben geleid en de mogelijkheid om er een eind aan te maken. Wat ik opeis is het recht om nee te zeggen als Nederlander en in naam van Nederland!

Mijn natie is geen door bestaansdrift en machtsdrang bijeengedreven horde, maar een in recht en men selijkheid gewortelde gemeenschap. Daarom vraag ik dit recht en deze menselijkheid. Mijn volk wortelt niet in de duistere driften van bloed en bodem, maar in een erkenning van normatieve zedelijke beginselen. Die wil ik toegepast zien en daarom wijs ik een koloniale oorlog af.»

Catharina van Tusschenbroek (1898): Toespraak Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid

Catharina van Tusschenbroek, de tweede vrouwelijke arts in ons land, hield bij de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 een toespraak over het belang van economische zelfstandigheid en zelfontplooiing van jonge vrouwen.

«Ik geloof, dat wij vrouwen in de eerste plaats te veroveren hebben: vertrouwen op en achting voor onszelf. Ik geloof, dat wij die veroveren moeten langs de weg van ernstige arbeid, die economische onafhankelijkheid geeft. Het door zeden en conventie geijkte type der vrouw zal daarbij ten onder gaan, en een nieuw type voor de dag treden. Hoe die eruit zal zien, durf ik niet te voorspellen. Maar van één ding ben ik zeker: wij vrouwen zijn de draagsters van het ideale en zullen dat zijn, onverschillig of wij de bezem, het ontleedmes of het roer hanteren. En wat onze, door de natuur aangewezen, vrouwentaak betreft, – wanneer door degelijke samenwerking der beide sexen op gemeenschappelijk arbeidsterrein, zal zijn tenietgedaan de verderfelijke invloed ener sociale orde, die de mannen geen zelfbeheersing en de vrouwen geen waardigheid heeft geleerd, dan zal misschien de dag aanbreken, dat een vrij en krachtig vrouwengeslacht weer met volle toewijding kan werken aan de taak, waarin wij geen mededingers hebben: het heden ten dage, door mannen en vrouwen beiden, met het woord verheerlijkte, maar metterdaad gesmade moederschap.»