Terug naar de basis

Hoofdcommentaar

Aanstaande donderdag kiezen de inwoners van Londen voor het eerst hun burgemeester. Dit bestuurlijke nieuwigheidje is een erfenis van Tony Blairs voorganger John Smith die een voorstander was van de overdracht van verantwoordelijkheden naar bestuursniveaus die dicht bij de burger staan. En het ziet ernaar uit dat de burgers er meteen mee op de loop gaan. Naar de peilingen te oordelen krijgt de onafhankelijke socialist Ken Livingstone (wegens weerspannigheid uit Blairs eigen partij gegooid) een overweldigende meerderheid van de stemmen. Dat is om te beginnen goed nieuws voor Londen. Livingstone is een geboren politicus die naar de stem van de subway luistert en de kunst verstaat enkele simpele waarheden overeind te houden in het politieke drijfzand van een miljoenenmetropool. En het is goed nieuws voor Labour. Livingstone vertegenwoordigt een klein maar groeiend deel van de partij dat zich afkeert van Blairs vernieuwingsretoriek. Na de debatten over de vraag wat hij met zijn Derde Weg wil bereiken, is de tijd gekomen hem op zijn prestaties te beoordelen. Zo veroverde Blair de macht met de leuze dat alles draait om ‘onderwijs, onderwijs, onderwijs’. Drie jaar later zijn de Britse onderwijsuitgaven in verhouding tot het nationaal inkomen gedaald terwijl de grootte van de schoolklassen is toegenomen. Het meest bemoedigende aspect van 'Ken’s coup’ is zijn activisme. Hij wil de stad teruggeven aan de bewoners na jaren van dwingelandij en verwaarlozing door de nationale overheid en de geprivatiseerde nutsbedrijven. Zijn populariteit is een motie van wantrouwen tegen bestuurlijk defaitisme en de eis van aanpassing aan 'de markt’. Livingstone is bijvoorbeeld tegen de privatisering van de Londense ondergrondse naar analogie van de geflopte privatisering van British Rail. Sociaal-democraten die de confrontatie met de straat én de gevestigde macht aandurven, moet je in Europa met een lampje zoeken. De Franse minister van Werkgelegenheid, Martine Aubry, is er één. Zij heeft onlangs de 35-urige werkweek ingevoerd ondanks hevig verzet van de werkgevers en een deel van de vakbonden. De onderhandelingen over de uitvoering zijn stormachtig. In sommige bedrijven staakt een deel van het personeel tégen en een ander deel vóór de nieuwe wet. Maar de conflicten brengen de politiek weer terug naar het niveau waar ze thuishoort: dat van de concrete, alledaagse maakbaarheid. Ze geven mensen weer een beetje zeggenschap over hun eigen leven, niet als consument, maar als producent en burger. Nadenken over de overdracht van verantwoordelijkheid aan de burgers is een populair tijdverdrijf in het huidige Europa, maar in de praktijk blijft het bij steriele exercities ter meerdere eer en glorie van het centraal bestuur of 'de markt’, doorgaans een eufemistische term voor een handvol bedrijven. Wat dat betreft hebben de Nederlandse politieke partijen zonder het te beseffen goud in handen. Het basisinkomen is een prachtig instrument waarmee een dergelijke dynamiek in gang kan worden gezet. Het onvoorwaardelijke, aan elke burger uitgekeerde minimuminkomen is allang geen utopie meer. Minister Zalm van Financiën (vvd) heeft het in 1994 op de agenda gezet samen met zijn toenmalige collega Wijers (D66). De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid had tien jaar eerder al een voorstel voor een beperkt basisinkomen gedaan. Het beginsel is bijna kamerbreed aanvaard, zij het dat de partijen uiteenlopende opvattingen hebben over de invulling. De invoering van een basisinkomen zou de zeggenschap van burgers over hun leven enorm vergroten. Afgezien van de korte-termijnvoordelen (opheffing van de armoedeval, sterke vereenvoudiging van de sociale zekerheid) zou het op den duur de kunstmatige scheiding tussen werk en vrije tijd opheffen en tal van nieuwe sociale arrangementen mogelijk maken. Zo worden productieve krachten losgemaakt die nu nog buiten het stelsel van de gesalarieerde arbeid vallen, niet in de laatste plaats door een vergaande flexibilisering van de arbeid. Het wachten is op de partij die het tot verkiezingsitem verheft, desnoods verpakt in de neoliberale dieventaal van dit moment, als 'startpremie voor het burgerschap’.