Waar zijn de echte academici?

Hoofdcommentaar


Vijftig hoogleraren ondertekenden het manifest Naar een universitair reveil. Ze beklagen zich erin over de verschoolsing van het universitaire onderwijs en de commercialisering van het universitaire onderzoek. Er zou sprake zijn van een doordringende bureaucratisering en een algehele verschraling. Een manifest is per definitie wat ongenuanceerd. Ook is zij onvolledig. Zo worden de natuurwetenschappen niet genoemd. Daar is eigenlijk ook geen reden voor, want de kwalen die worden opgesomd, betreffen in de eerste plaats de alfa- en de gammawetenschappen. Het is natuurlijk zorgwekkend dat niet meer studenten natuurwetenschappen studeren dan nu het geval is, maar over het algemeen hoeft er over de kwaliteit van het onderwijs en het onderzoek in de bètahoeken van de universiteiten niet geklaagd te worden.


Met de alfa- en gammawetenschappen is het op vele faculteiten inderdaad droevig gesteld. Jarenlange bezuinigingsoperaties hebben voor een ware kaalslag gezorgd. Plaatsen die door pensionering of door vertrek van stafleden waren opengevallen, konden niet opnieuw bezet worden, zodat er een gestage vergrijzing heeft plaatsgevonden. Jonge onderzoekers trokken van tijdelijk contract naar tijdelijk contract en velen verlieten uiteindelijk de universiteit. Onderzoeksbudgetten werden systematisch beknot, zodat fundamenteel onderzoek steeds meer door commercieel aantrekkelijk contractonderzoek werd verdrongen. Doordat facultaire budgetten eerst naar de instroom en later naar de uitstroom van studenten berekend werden, moesten vele opleidingen, hoewel ze dat nooit openlijk toegaven, de kwaliteitsstandaard verlagen. En continu werden universitaire stafleden lastiggevallen met tal van elkaar in snel tempo opvolgende beleidsplannen uit het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Zo werd over de invoering van de voorwaardelijke financiering van het onderzoek vele kostbare uren vergaderd, maar toen die net wat begon in te burgeren en op te leveren, werd het hele systeem afgeblazen en moesten er onderzoeksscholen komen. Weer werden er stapels documenten geproduceerd waarover veelvuldig en langdurig door wetenschappelijke docenten en onderzoekers werd vergaderd. Intussen zijn er toponderzoeksscholen gekomen (bijna uitsluitend in de natuurwetenschappen) en heeft nagenoeg iedereen het geloof in de onderzoeksscholen verloren. Toch doet men nog steeds mee aan deze vreemde stoelendans, want men is bang buiten de financiële boot te vallen.


Een nauw verholen cynisme heeft zich inmiddels van de meeste universitaire medewerkers meester gemaakt: men veinst medewerking, maar trekt zich waar mogelijk terug op eigen specialistisch vakgebied. Het is een soort innere Emigration.


Deskundigen riepen niet lang geleden dat de grote uitval van studenten in het eerste jaar van hun studie veroorzaakt werd door de gebrekkige aansluiting van het universitaire onderwijs op het voortgezet onderwijs. Ze kwamen vervolgens met voorstellen die erop neerkwamen dat de universiteit enerzijds steeds meer het karakter van een hbo-instelling kreeg (nadruk op ‘concrete’ toepassing, afkeer van ‘abstracte’ theorievorming) en anderzijds aan voortschrijdende verschoolsing ten prooi viel. De resultaten werden er niet beter op. Natuurlijk niet, want wanneer de kwaliteitslat verlaagd wordt, nemen de inspanningen af. Enquêtes hebben uitgewezen dat in de meeste alfa- en gammaopleidingen studenten, ondanks al het geklaag over de druk van de verkorte studieduur, per week niet meer dan 20 of 25 uur aan hun studie besteden. Ze worden domweg niet meer uitgedaagd. De ironie wil dat de tweede fase van het voortgezet onderwijs nu bestaat uit het studiehuis waarin leerlingen leren zelfstandig te werken. Als ze dan straks op de universiteit komen, treffen ze er geen academisch studiehuis aan, maar een slecht soort schoolse beroepsopleiding. Geen wonder dat niet alleen hoogleraren maar ook studenten zich tegen deze heilloze ontwikkelingen beginnen te verzetten.


Het manifest van de vijftig hoogleraren verdient het serieus genomen te worden. Negatieve reacties van universitaire bestuurders als de rector van de Universiteit Leiden zijn natuurlijk even voorspelbaar als kortzichtig. De politiek en de organisaties in de publieke en private sectoren moeten zich samen met de universiteiten bezinnen op de vraag, hoe in de alfa- en gammawetenschappen weer academici opgeleid kunnen worden. Intellectuelen dus die geleerd hebben op creatieve wijze hun verstand te gebruiken; die tijdens hun studie tot weerbare persoonlijkheden zijn gevormd; die nieuwsgierig zijn en zich niet gauw met een kluitje in het riet laten sturen; die op een verfrissende manier iets tegendraads hebben omdat ze standaardopvattingen en -opinies kunnen doorprikken. Kritische lieden, niet scholieren die binnen de daarvoor vastgestelde tijd braaf hun studiepunten hebben verzameld. In de huidige samenleving die het vooral van kennis en informatie moet hebben en die gekenmerkt wordt door snelle maatschappelijke en culturele veranderingen, is aan dit soort academici grote behoefte. Een universiteit die hen niet meer opleidt, verzaakt haar eigenlijke missie.



ANTON C. ZIJDERVELD



hoogleraar cultuursociologie Erasmus Universiteit en mede-ondertekenaar van het manifest