Onthullingsgolf

Hoofdcommentaar

Lange tijd dachten wij, Noord-Europeanen, dat politieke corruptie een Zuid-Europees verschijnsel was, met Italië als epicentrum. De Noord-Italianen meenden overigens dat het beperkt was tot Zuid-Italië, de Zuid-Italianen wezen met de beschuldigende vinger naar Sicilië en op Sicilië weet al eeuwenlang niemand ergens van. In 1992 maakte rechter Antonio Di Pietro uit Milaan een eind aan deze schertsvertoning door operatie ‘schone handen’ af te kondigen. Al gauw bleek dat Tangentopoli (‘Smeergeldstad’) zich uitstrekte tot heel Italië.


Inmiddels weten we dat het zich uitstrekt tot heel Europa. Nog even en de groepsfoto’s van Europese regeringsleiders uit de jaren negentig kunnen integraal in de politiearchieven worden bijgezet. Als Jacques Chirac in 2002 het Elysée verlaat, wordt hij opgewacht door onderzoeksrechter Patrick Desmure. Zijn betrokkenheid bij het vergeven van niet-bestaande banen aan partijgenoten en andere malversaties bij de gemeente Parijs valt niet langer te ontkennen. Tegen die tijd heeft zijn handlanger, ex-premier Alain Juppé, zijn straf er vermoedelijk opzitten. Ex-kanselier Helmut Kohl (omkoping, fraude) moet misschien nog een tijdje brommen, net als ex-premier Silvio Berlusconi (fraude, omkoping, verduistering, meineed).


Diens voorganger Bettino Craxi (bij verstek tot vier jaar veroordeeld) zit momenteel te hyperventileren in een Tunesische villa. Ex-president Mitterrand (nepotisme, omkoping, ambtsmisbruik) en ex-deelstaatpremier Franz Joseph Strauss (omkoping, nepotisme) hadden tenminste het fatsoen tijdig te overlijden. Willy Claes, het kind van de Agusta-rekening, is er genadig van afgekomen, net als ex-premier Felipe Gonzales (omkoping, doodseskaders), padrone Guilio Andreotti (omkoping, samenzwering met de maffia) en natuurlijk Margaret Snatcher die samen met haar minister Michael Heseltine en Tory-penningmeester Lord Alpine 71 miljoen pond zoekmaakte in het Midden-Oosten.


Toch is er geen sprake van een corruptiegolf, eerder van een onthullingsgolf. Omkoping is van alle tijden. Elk politiek stelsel in het naoorlogse Europa heeft zijn eigen vorm van cliëntelisme ontwikkeld — de verkokerde Zweedse sociaal-democratie, het personalistische Franse partijenstelsel of het Britse tweepartijenstelsel met zijn kadaverdiscipline evengoed als de Italiaanse partitocrazia of de Belgische cultuur van dienstbetoon. Het nieuws van de laatste jaren is nu juist de ontmanteling van dit cliëntelisme in vrijwel alle Europese landen; een grootscheepse schandalisering van praktijken die voorheen door de vingers werden gezien.


Voorzover er een gemeenschappelijke factor valt aan te wijzen, is het de teloorgang van het Europese partijwezen. Bijna alle grote corruptiezaken zijn ontstaan uit geldgebrek bij de politieke partijen. ‘Ik wilde alleen mijn partij dienen’, zegt de brave Helmut. Dat is ongetwijfeld waar, al diende de kanselier dankzij zijn opperheerschappij in de CDU (het beruchte System Kohl) natuurlijk ook zichzelf. De onthulling van afgelopen vrijdag dat de Hessische CDU er een zwarte verkiezingskas op nahoudt, past in dit beeld. Di Pietro beschouwt de toestand in Duitsland als een ‘fotokopie’ van Italië in 1992, zegt hij in Italy Daily: ‘Bij ons zeiden politici destijds, net als nu in Duitsland, dat illegale financiering een noodzakelijk kwaad was om de kosten van de politiek te kunnen dekken.’


In Italië kwam de klad in de partijfinanciering doordat de christen-democraten onder Andreotti met alle middelen een verkiezingsoverwinning van de communisten wilden voorkomen. De socialisten van Craxi perfectioneerden dit systeem. Ook de Belgische partijen overschreden de kritische grens uit financiële nood, constateerden de onderzoekers Kris Deschouwer en Lieven De Winter. De Parijse escapades van Chirac en Juppé waren eveneens illegale vormen van partijfinanciering. In Groot-Brittannië concludeerde onderzoekscommissie-Neill dat de torenhoge kosten van moderne verkiezingscampagnes de voornaamste aanleiding voor alle sleaze-erupties waren.


Nieuwe anticorruptiewetten kunnen het tij niet keren, zoals ervaringen in België, Frankrijk, Italië, Duitsland en de VS uitwijzen. De malaise lijkt onstuitbaar omdat de grote partijen geen massabewegingen meer zijn. Door hun zogenaamde ontideologisering, die neerkomt op het aanvaarden van neoliberale uitgangspunten, zijn de onderlinge verschillen verdwenen. Ze moeten zich profileren met peperdure mediacampagnes, terwijl hun aanhang afkalft en zich overgeeft aan cynisme en antipolitiek. Het actieve partijlidmaatschap behoort tot het verleden, behalve voor baantjesjagers. De neoliberale graaicultuur heeft het aannemen van smeergelden ongetwijfeld vergemakkelijkt, maar een veel ernstiger gevolg van deze cultuur is het wegvallen van politieke bezieling, visie en respect voor het algemeen belang dat als rem op de verloedering kan werken. Temidden van alle privatiseringen van de jaren tachtig en negentig heeft de Europese politiek ongemerkt zichzelf geprivatiseerd.



AART BROUWER