Hoofdcommentaar: Een bestuurlijke ramp

Marten Oosting, de voorzitter van de onafhankelijke commissie die de vuurwerkramp in Enschede onderzoekt, heeft uit de school geklapt. Zijn commissie presenteert haar bevindingen eind februari, maar afgelopen zaterdag nam hij een voorschot in een interview in het Algemeen Dagblad. Daarin benadrukte hij dat de overheid over de gehele linie is tekortgeschoten. Hij wees op tekortkomingen bij de vergunningverlening, controle en handhaving door de gemeente, bij de brandweer, de politie en de betrokken rijksinspecties en ministeries. De vuurwerk opslagplaats «had zich nooit op die wijze daar in de stad mogen ontwikkelen», aldus de voormalige ombudsman.
Zijn timing was zorgvuldig. Twee dagen later verscheen de rapportage van acht rijksinspecties over de rol van hun betreffende diensten in de vuurwerk ramp. Die rapportage legt, zoals te verwachten viel, alle nadruk op het falen van de gemeente. Enschede heeft de «illegaal gegroeide situatie» rond de opslagplaats «gelegaliseerd» en de plaatsing van ondeugdelijke zeecontainers door de vingers gezien. De brandweer controleerde geen bedrijven aangezien de gemeente daarvoor geen geld vrijmaakte, de fatale brand tussen de zeecontainers werd over het hoofd gezien en er waren onvoldoende brandweerlieden beschikbaar. Diverse inspecties stellen vast dat bij de rampenstaf van burgemeester Mans een chaos heerste.
De inspecties vellen al met al een vernietigend oordeel dat in Enschede hard is aangekomen. De lokale brandweercommandant heeft al tegengeworpen dat de fatale brand bij zijn weten wél is opgemerkt, maar verkeerd werd beoordeeld omdat de brandweerlieden dachten dat de containers brandwerend waren. Dat ze dat niet waren, is weer te wijten aan het falen van andere overheidsdiensten. Zo is het zwartepieten met de verantwoordelijkheid al begonnen voordat alle gegevens goed en wel openbaar zijn. Oostings interview lijkt te zijn bedoeld als tegenwicht: hij wil niet dat het eenzijdige oordeel van de inspecties blijft hangen, want die hebben wellicht ook boter op hun hoofd. Dat wordt overigens bevestigd door de rijksverkeersinspectie, die vaststelt dat de andere rijksinspecties onvoldoende op de hoogte waren van elkaars werk. Terecht vindt Oosting dat het ambtelijk eindoordeel aan zijn commissie toekomt: «Lees het rapport straks nou maar. Echt, daarin komen deze en vele andere zaken allemaal aan bod.»
Wat Oosting impliciet in het interview zegt — en of dat ook werkelijk zijn mening is, zal op 28 februari moeten blijken — is dat de vuurwerkramp een bestuurlijke ramp was. De keten van menselijk falen die ongetwijfeld debet is aan de ramp gaat bijna ongemerkt over in een keten van bestuurlijk falen. Hij zinspeelt op een bestuurlijk onvermogen dat heel Nederland zich mag aanrekenen: «Ik snap wel hoe de vergunningen zijn verleend en bijgesteld, tenminste, als je het hebt over het feitelijke bestuurlijke proces van een kwart eeuw. Maar ik kan er met mijn hoofd niet bij dat het ook werkelijk is gebeurd. Je moet van de overheid kunnen verwachten dat ze zorgt voor veiligheid en daarover waakt» (cursivering — ab).
Dit element verbindt de ramp in Enschede met de cafébrand in Volendam, de ontploffing van een vuurwerkfabriek in Culemborg in 1991 en talloze «kleinere» ongelukken in ons land die konden ontstaan door het gedogen van individuen en ondernemingen die de hand lichten met de regels. Natuurlijk moet in zulke gevallen de individuele verantwoordelijkheid worden vastgesteld, er moeten koppen rollen en er moet schadevergoeding worden betaald. Maar als het daarbij blijft, schuiven we onze gezamenlijke verantwoordelijkheid al te gemakkelijk af op de enkeling. We hebben in dit land een regelcultuur geschapen waarin niemand meer de weg weet; en toch waant iedereen zich min of meer veilig omdat alles geregeld is. Maar de regels spreken elkaar vaak tegen en de controle wordt uitgeoefend door zoveel instanties dat deze zich geen van alle verantwoordelijk achten voor het resultaat. Burgers ontlenen aan dit inspectieregime een bedrieglijk gevoel van zekerheid en blijven wonen naast een ondeugdelijke vuur werk opslagplaats of gunnen hun kinderen een vrolijk avondje in een levensgevaarlijke kroeg. Zo komen de rampen in de wereld.