Hoofdcommentaar: Euroblues

Aan een euro die langzaam bergaf glijdt zijn we onderhand gewend geraakt. Maar of dit nu goed is of slecht, daarover is het debat nog lang niet uitgewoed. De euroburger deelt de frustratie van de Amerikaanse president Truman, die zo vaak moest luisteren naar economische adviezen die begonnen met: «On the one hand» en vervolgden met: «but on the other hand» dat hij vertwijfeld uitriep: «Geef me een eenarmige economist!» Aan de ene kant dus bevordert de dalende euro de Europese uitvoer, maar aan de andere kant betalen we meer voor alles wat in dollars wordt geprijsd. Goed of slecht? Voor Nederland lijkt de balans voorlopig marginaal positief. De lage inflatie toont aan dat de prijsstijgingen veroorzaakt door de duurdere dollar meevallen terwijl de exportstijging door de goedkopere euro voor Nederland dit jaar en volgend jaar een inkomensstijging van acht miljard gulden zou meebrengen. Maar voor we besluiten dat we op beide oren mogen slapen, moeten we weten waarom de euro een kwart van zijn waarde heeft ingeboet. In dollars, welteverstaan. Tegenover de meeste buitenlandse munten heeft de euro geen terrein verloren, integendeel.
De stijging van de yen is een speciaal geval. De binnenlandse economie stagneert in Japan maar de uitvoersector blijft goed draaien. De vraag naar buitenlandse deviezen is er laag, terwijl de nood om exportwinsten te repatriëren de vraag naar yens relatief hoog houdt. Een teken dat het goed gaat met de Japanse economie is het dus niet. Maar de Amerikaanse economie swingt wel de pan uit. Amerika heeft als geen ander geprofiteerd van de globalisering. Het was het best geplaatst in de financiële sector, de informatie-economie en andere dienstsectoren die door die trend de meeste wind in de zeilen kregen. Maar dit volstaat niet als verklaring voor het waardeverlies van de euro tegenover de dollar. In koopkracht is de euro stabiel, zoals Duisenberg herhaalt. Stabieler dan de dollar want de inflatie is haast tweemaal zo hoog in de VS als in het euroblok. Als men koopkrachtpariteit als maatstaf neemt, wordt de euro zeven procent onder zijn waarde verhandeld. Dit, tezamen met het feit dat de VS jaar in jaar uit meer kopen dan verkopen, zou moeten volstaan om de dollar te kortwieken en de euro op te krikken. Waarom gebeurt dat niet?
De spectaculaire Amerikaanse groei maskeert hoe slecht het gaat met de wereldeconomie. Sedert de Aziatische crisis van 1997-1998 is pijnlijk duidelijk geworden hoezeer het globale productievermogen de globale koopkracht overstijgt. Dat heeft een deflatietendens aangewakkerd die de meeste munten omlaag trekt, wat kapitaalbezitters aanzet om hun geld naar veiliger oorden te sluizen. Dat betekent in de eerste plaats naar Amerika.
Want ondanks Europa’s ambities is de dollar meer dan ooit de internationale reservemunt. De forse Amerikaanse groei heeft zijn positie nog versterkt. De enorme vraag naar dollars en dollar-assets heeft de waarde spectaculair opgedreven, wat vervolgens de vraag weer stimuleert. Die waardestijging brengt een koopkrachtinjectie mee voor Amerika, zodat het de broodnodige markt voor de rest van de wereld kan blijven. Het euroblok participeert volop in die kapitaalstroom. Sedert de lancering van de euro heeft het voor meer dan 150 miljard dollar in de VS geïnvesteerd, terwijl het slechts een fractie daarvan terugkreeg. In dat licht stemt de exportstijging die de lage euro oplevert minder vrolijk.
De Amerikaanse economie trekt echter meer kapitaal aan dan zij productief kan verwerken zodat de investeringen een toenemend speculatief karakter krijgen. Het gevaar is dat de zeepbel barst, met catastrofale gevolgen voor de - van de Amerikaanse markt steeds afhankelijker - wereldeconomie. Om dat te vermijden tracht de Amerikaanse Fed de economie met rentestijgingen af te koelen, maar de dollarhonger is zo groot dat het effect beperkt blijft. Als de onvermijdelijke correctie zich aandient in de VS, hetzij als «zachte landing» of als crash, zal het euroblok in de klappen delen, mede doordat zijn exportstijging het kwetsbaarder maakt. Kan het Amerika aflossen als locomotief van de wereldeconomie? De afspraak van Maastricht maakt het onwaarschijnlijk want die houdt de lidstaten van de Europese Monetaire Unie gevangen in een beleid van bezuinigingen. Volgens de regels van de emu zouden die moeten toenemen, net wanneer een neergang stimulerende maatregelen noodzakelijk maakt. Het wordt hoog tijd dat de monetaristische dwangbuis van de emu ter discussie wordt gesteld. Want morgen kan het te laat zijn.