Het Franse ongerief

Hoofddoeken bij de fontein

Al weken gaat Frankrijk gebukt onder stakingen, de gele hesjes roeren zich nog steeds en radicaal rechts is zo vitaal dat Emmanuel Macron in 2022 moet vrezen voor zijn presidentschap. Hoe kon de stemming in zo’n korte tijd omslaan?

Marine Le Pen (midden) na een speech in Fréjus in Zuid-Frankrijk, september 2018 © Yann Coatsaliou / AFP / ANP

Op een kille novemberdag trekt Christophe Chalençon er samen met een vriend op uit om te gaan jagen. De vriend draagt een karabijn. Chalençon, werkzaam als ijzersmid, is slechts gewapend met een speer. Dat was iets van de laatste tijd. Hij had bedacht dat hij via het directe contact met zijn prooi dichter bij de natuur kon komen, en op die manier ook bij zichzelf. Na een uur of wat struinen door eikenbossen van de Luberon klinkt plotseling het geluid van brekende takken. Even later staat Chalençon oog in oog met een reusachtig mannetjeszwijn. Slechts het zware snuiven van het dier is te horen. Eén verkeerde beweging en het zwijn zou hem met zijn enorme slagtanden openrijten.

‘Ik zie zijn priemende zwarte oogjes nog voor me’, zegt Chalençon in zijn werkplaats nabij het stadje Sault, op de flank van de Mont Ventoux. Tientallen seconden staan ze zo doodstil tegenover elkaar. Het lijkt wel een eeuwigheid. Van een afstandje roept de vriend dat hij gaat schieten. Maar Chalençon, een stevig gebouwde vijftiger, steekt een hand op ten teken dat hij dat niet wil. Hij zet een stap naar voren, maar nog voordat hij zijn spies in de borst van het zwijn kan drijven draait het beest zich om en vlucht weg. ‘Ik kon hem nog net in zijn achterste prikken’, grijnst Chalençon. Het jagen met de speer wekt volgens Chalençon een soort oerdrift op, een intensiteit die ook voelbaar is wanneer je met hem spreekt.

Frankrijk leerde Chalençon eind vorig jaar kennen als voorman van de ‘gele hesjes’ in de Vaucluse. Het departement kende een zeer hoge participatiegraad, grotendeels dankzij het organisatorisch vermogen van Chalençon. Hij bleek ook welbespraakt en dat maakte hem een gewild gezicht in de Franse media, koortsachtig op zoek naar figuren die de spontane protestbeweging een gezicht konden geven tijdens de eerste chaotische weken van de crisis. Toen hij op radio Europe1 werd gevraagd de plundering van de Arc de Triomphe te veroordelen zei hij simpelweg dat het de uitkomst was van ‘veertig jaar politieke laksheid’.

Daags ervoor baarde Chalençon opzien met zijn voorstel om de zittende premier Édouard Philippe te vervangen door generaal Pierre de Villiers, de eerder door Macron aan de kant geschoven stafchef van het Franse leger. Er was een sterke man nodig, zei Chalençon op televisie. De timide Villiers bedankte vriendelijk voor de eer. Maar dat een obscure ijzersmid uit de provincie met dergelijke uitspraken het oor van de natie had, was tekenend voor de stemming van die dagen. Op 17 november 2018 werden overal in het land rotondes bezet, maar beperkte het protest zich tot de provincie. De week erop kwamen de gele hesjes naar Parijs en richtten een ravage aan op de Champs-Élysées.

De week daarop was het echt menens. Met tienduizenden kwamen de hesjes die zaterdag naar Parijs en op Place de la République brulde de radicaal linkse filosoof Frédéric Lordon door een megafoon dat ‘razernij bezit van het land aan het nemen is’. Het was tijd om ‘alle opgekropte woede in een ketel te gooien en de fik erin te steken’. Lordon: ‘De macht is fragiel, laten we haar betreden. (…) We zullen naar het Élysée gaan en daar Macron onze lijst met eisen voorleggen, en roepen “optiefen jij!”’

Elders in de stad werden op dat moment de ruiten van banken en verzekeraars ingeslagen en werden luxewinkels met tientallen tegelijk geplunderd. Straatmeubilair sneuvelde en aan de chique Avenue Foch brandden auto’s. Op Place de la Concorde nabij het Élysée werd de oproerpolitie steeds verder in het nauw gedreven. Ik was erbij die avond. Er heerste een sfeer van anarchie en wetteloosheid. Het was alsof de bestaande orde van zijn fundamenten was losgekomen.

De acute crisis van de gele hesjes mag dan bezworen zijn, het vuur bij Chalençon is allerminst gedoofd. Zijn werkplaats, een grote schuur in feite, staat midden in een idyllisch landschap van lavendelvelden, bosschages en landweggetjes. Het is slechts een kwestie van tijd, zegt hij, eer de ‘oligarchie van de enarques’ ten val zal komen. Daarmee doelt hij op de gediplomeerden van de eliteschool ena, die de ruggengraat van de Franse staat vormen. Dat kan op twee manieren, denkt hij. ‘Of via een revolutie met doden tot gevolg, of via een transitieregering die wordt geleid door het leger en die Frankrijk naar een werkelijke democratie en een waarachtige volksvertegenwoordiging zal leiden.’

Radicale taal. Toch stemde Chalençon in 2017 nog gewoon op Macron. Dat zegt iets over hoe de stemming in het land in zo’n korte tijd kon omslaan. Macrons presidentschap begon voorspoedig. Middels een revolutie vanuit het centrum had hij weten af te rekenen met het vermolmde politieke establishment. Vervolgens wist hij zonder al te veel problemen een aantal ambitieuze hervormingen door te voeren, zoals op de vastgeroeste arbeidsmarkt. Nieuwe terreuraanvallen van het kaliber Charlie Hebdo of Bataclan bleven uit. Frankrijk werd zelfs wereldkampioen voetbal. Macron werd wel de ‘Obama français’ genoemd en voor het eerst sinds jaren was er een zweem van optimisme in het land. Een sentiment van can-do. En toen waren er dus opeens de gele hesjes.

Hun beweging heeft na een jaar weliswaar fors aan kracht ingeboet, de onvrede in de Franse samenleving is er niet minder om, zo blijkt tijdens de stakingen die Frankrijk al sinds begin december teisteren, de langste sinds decennia. Niet alleen treinconducteurs en metrobestuurders, ook ziekenhuispersoneel, leraren, brandweerlieden, eerste-hulpartsen, advocaten; iederéén is boos en ontevreden. Het ongerief is sociaal en cultureel. En zelfs identitair, zo bleek toen een akkefietje over een hoofddoek afgelopen najaar wekenlang het nieuws beheerste. Het begon met een gehoofddoekte oppasmoeder die een schooluitje naar een brandweerkazerne begeleidde en daar met een beroep op de laïcité de toegang werd ontzegd door een overijverige brandweerman; de Franse wet verbiedt alleen de hoofddoek op de openbare school zelf. Een paar dagen later was er een soortgelijk incident op de publieke tribune bij de gemeenteraad van een provinciestad. Het land was te klein. Jean-Michel Blanquer, de minister van Onderwijs, voelde zich geroepen om te verklaren dat de hoofddoek wat hem betreft ‘niet wenselijk’ was ‘in de samenleving’.

In dezelfde tijd vermoordde een geradicaliseerde moslim vier collega’s op het hoofdkantoor van politie in Parijs. Drie anderen raakten gewond. Het herinnerde er pijnlijk aan dat het gevaar van islamitisch geïnspireerde terreur in Frankrijk allerminst verdwenen is. In een toespraak ter herdenking van de slachtoffers riep Macron op tot een ‘waakzame samenleving’, maar hij kon niet verhelen dat radicaal rechts de toon zette gedurende die weken. Identitair rechtse weekbladen als Valeurs actuelles haalden het draaiboek van een islamistische mars door de instituties tevoorschijn. Marine Le Pen, voorvrouw van het tot Rassemblement National omgedoopte Front National, deinsde er niet voor terug een directe lijn te trekken van de hoofddoek naar de terreurdaad op het Parijse politiebureau.

Een paar weken eerder waren de Franse media uitgelopen voor de Convention de la Droite, het initiatief van Marion Maréchal (ex-Le Pen) om een brug te slaan tussen radicaal rechts en centrum rechts. In de praktijk bleek het vooral een radicaal rechts feestje met de eerder wegens haatzaaien veroordeelde publicist Éric Zemmour, die met zoveel woorden opriep tot een burgeroorlog, en Maréchal zelf die onbekommerd sprak over de Grand Remplacement. De Europeanen hadden ooit gekoloniseerd, zo stelde Zemmour, maar inmiddels waren de rollen omgedraaid. ‘Wie zullen hún indianen en slaven worden?’ vroeg hij retorisch aan het publiek, sprekend over islamisten die zich opmaakten om Frankrijk te ‘koloniseren’. En met een malicieuze grijns: ‘Dat bent u?’ Jonge Fransen die ‘een minderheid in eigen land’ dreigden te worden waren niets waard als zij niet bereid waren ‘te vechten voor hun vrijheid’.

Een paar jaar geleden nog ondenkbaar: Marine Le Pen is in staat om in 2022 de presidentsverkiezingen te winnen

Maréchal, de jongere nicht van Marine Le Pen, heeft haar politieke carrière – op haar 23ste werd ze het jongste parlementslid in de geschiedenis van de Vijfde Republiek – voorlopig vaarwel gezegd en leidt nu vanuit Lyon een instituut dat een jonge generatie conservatieven beoogt op te leiden. Ze is het stralend middelpunt van een ecosysteem van clubjes, tijdschriften en websites die zich trots katholiek noemen, zeggen te willen afrekenen met de ‘erfenis van ’68’, kritisch staan tegenover immigratie en niets moeten hebben van de islam. In de geest van de Italiaanse communist Antonio Gramsci geloven ze dat ze eerst de ‘geesten’ moeten veroveren alvorens een greep naar de politieke macht te kunnen doen.

Hun nog levende held is Renaud Camus, de Franse cultschrijver die de term ‘Grand Remplacement’ muntte. Volgens deze complottheorie beogen zelfhatende linkse elites de witte en christelijke bevolking via immigratie uit het Midden-Oosten en Sub-Sahara Afrika te ‘vervangen’. Op de Convention de la Droite zag Maréchal deze demografische omwenteling als ‘het grootste gevaar’. Het zou leiden tot wat zij de ‘Grote Verwildering’ noemde: ‘een multiculturele samenleving, versplinterd en gewelddadig’.

Marine Le Pen zorgt ervoor dat ze op gepaste afstand blijft van dit discours. Het past niet in haar strategie om van de Rassemblement National een min of meer fatsoenlijke rechts-populistische partij te maken. Tegelijk komt het Marine niet slecht uit dat de grens van wat gezegd kan worden in korte tijd zo is opgeschoven. Het maakt dat haar eigen geluid voor redelijk kan doorgaan. Ook van het protest van de gele hesjes wist Le Pen electoraal te profiteren. Een ruime meerderheid van de Fransen die zich met de hesjes identificeren stemde tijdens de Europese verkiezingen op haar. Met ruim 23 procent van de stemmen kwam haar partij net als in 2014 als winnaar uit de bus. Inmiddels wijst alles op een reprise van het duel met Macron. Waar ze bij de presidentsverkiezingen van 2017 nog 35 procent haalde, geven peilingen haar nu 45 procent. Wat een paar jaar geleden nog ondenkbaar werd geacht klinkt nu steeds vaker en luider: Marine Le Pen is in staat om in 2022 de presidentsverkiezingen te winnen.

‘Wat je ziet is dat de score van het Front National over de tijd steeds groeit’, zegt de politicoloog Dominique Reynié, een van Frankrijks meest vooraanstaande populisme-kenners, ten burele van Fondapol, de liberale denktank die hij oprichtte. Onlangs publiceerde hij een omineus rapport: 2022: Le risque populiste en France. In 1974, aan het begin van de oliecrisis (en het jaar waarin Frankrijk in de wurggreep van de massawerkloosheid raakte), bedroeg de populistische stem zes procent. In 2017 was dat 48 procent (links én rechts). Alleen 2007 liet een daling zien, het gevolg van de hard-rechtse lijn waarmee Nicolas Sarkozy campagne voerde. ‘Het maakt dat het reservoir waaruit Le Pen kan putten enorm is’, zegt Reynié. Hij wijst op een recente peiling waaruit blijkt dat een meerderheid van de aanhangers van de hard-linkse Jean-Luc Mélenchon bereid is om haar stem in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen aan Le Pen te geven. ‘En dan zijn er nog de miljoenen Fransen die niet stemmen…’

Reynié ziet veel Fransen gebukt gaan onder een ‘gevoel van ineenstorting’ in een wereld waar Europa het niet langer vanzelfsprekend voor het zeggen heeft. Hij ziet een vrees voor wat hij ‘existentiële destabilisatie’ noemt, de onzekerheid over de vraag of de bestaande levensstijl wel behouden kan blijven. ‘Wat Frankrijk betreft wringt het dat alles rond de staat is georganiseerd. Die kan niet langer leveren wat verlangd wordt. In het ziekenhuis word je minder goed geholpen dan eerst, de treinen hebben niet langer dezelfde kwaliteit. Scholen, universiteiten en gevangenissen verkeren in slechte staat. Tegelijk is de belastingdruk hoger dan ooit – en iedereen weet het.’ Een ander probleem volgens Reynié: de krampachtige houding waar het aankomt op het bespreekbaar maken van de gevolgen van immigratie. ‘De consequentie is dat radicaal rechtse politici als Le Pen of publicisten als Zemmour nu de toon zetten. Je kunt zeggen dat zij het overdrijven, maar degenen die er helemaal niet over wensen te praten overdrijven evengoed.’

De Rassemblement National wortelt in een nationaal-populistische traditie die teruggaat tot de negentiende eeuw. Jean-Marie Le Pen werd in 1965 in het parlement gekozen als de jongste afgevaardigde van de Union de Défense des Commerçants et Artisans, de beweging van Pierre Poujade die in 1953 onder kleine winkeliers in de provincie een belastingrevolte had ontketend. Later zou Le Pen zich in een reeks (extreem rechtse) politieke avonturen storten. Het succesvolste was het Front National, opgericht samen met Léon Gaultier, een voormalige Untersturmführer van de Waffen-SS. De partij verenigde militante tegenstanders van de Algerijnse onafhankelijkheid, ex-nazi’s, poujadisten en felle anticommunisten.

Het zou tot in de jaren tachtig duren voor het Front National zijn politieke doorbraak beleefde. Enorme stakingen in de automobielindustrie gaven in de jaren 1982-1984 zichtbaarheid aan grote groepen niet-westerse arbeidsimmigranten. In de hoogtijdagen van het naoorlogse economische wonder waren zij naar Frankrijk gehaald. Aanvankelijk alleen. Vanaf de late jaren zeventig, precies op het moment dat de de-industrialisering inzette, voegden hun families zich bij hen en werden ze ondergebracht in haastig opgetrokken ensembles rond grote steden als Parijs en Lyon. Werk was altijd dé integratiemachine geweest; nu raakten grote groepen immigranten opgesloten in de banlieue en vielen ze terug op de eigen groep. Was de thematiek in het politieke debat eerst vooral sociaal-economisch, nu ging het steeds meer over de vraag hoe je je verhield tot de natie, over identiteit, veiligheid, multiculturaliteit en antiracisme.

Hét grote moment van Jean-Marie Le Pen was het jaar 2002, toen hij wist door te dringen tot de tweede ronde van de presidentsverkiezingen. > Hij was kansloos, maar Frankrijk was in shock. Gesproken werd over een ‘lepénisation des ésprits’, beetje voor beetje sijpelden zijn ideeën in de samenleving door. Tegelijk werd van Le Pen gezegd dat hij regeringsverantwoordelijkheid uit de weg ging. Hij streefde geen echte macht na. Voor zijn dochter Marine lag dat anders. Sinds het moment dat zij in 2011 het voorzitterschap van haar vader overnam, stelt ze alles in het werk om de partij acceptabel te maken voor een bredere kiezersgroep. Met dat doel werd vader Jean-Marie Le Pen – besmet door zijn talrijke antisemitische en racistische ‘provocaties’ – zelfs het erevoorzitterschap ontnomen en uit de partij gezet.

Marine Le Pen werd op haar achttiende lid van het Front National. Ze studeerde rechten en was vaak te vinden in de nachtclubs rond de Champs-Élysées. Ze is in veel opzichten een kind van ’68, is niet gelovig en heeft geen moeite met abortus en homoseksualiteit. Ze maakt nadrukkelijk onderscheid tussen islam en islamisme en pleitte op enig moment zelfs voor de vestiging van een ‘Franse islam’. Volgens Jacques de Guillebon, hoofdredacteur van het gestileerde rechts-identitaire maandblad L’Incorrect, maakt dit dat Marine niet goed ligt bij de katholieke bourgeoisie. ‘Die kijkt op haar neer, vindt haar vulgair’, zegt hij op een verwarmd terras nabij Odéon. Een serieuze handicap, want Marine heeft dit electoraat nodig om een meerderheid te halen. Macron weet dat en flirt er steeds opzichtiger mee.

Progressieve elites in Europa haalden opgelucht adem toen Macron in 2017 de verkiezingen won. De rechts-populistische golf die de Angelsaksische wereld een jaar eerder had overspoeld (Brexit, Trump) leek op een continentale golfbreker gestuit. Dat bleek te vroeg gejuicht. De Alternative für Deutschland wist door te dringen tot de Bundestag en in Italië zag een geheel uit populisten bestaande regering het licht. Maar Frankrijk zou dan ten minste een baken van licht in Europa zijn. Vanuit het EU-gezinde Bretagne haalde Macron hard uit naar ‘de lepra’ die in Europa om zich heen greep, het ‘nationalisme’ dat herleefde en ‘de gesloten grenzen die sommigen voorstonden’. Viktor Orbán en Matteo Salvini hadden gelijk hem als ‘hun tegenstander’ te zien, zei hij die zomer. Dat najaar, aan de vooravond van de grote herdenking van de Eerste Wereldoorlog, trok hij in een interview een omineuze parallel met het Interbellum. Het nationalisme uit die jaren was het ‘exacte tegendeel’ van het patriottisme.

Maar thema’s als immigratie, islam en identiteit waren niet langer taboe. Misbruik van het asielrecht moest bespreekbaar zijn, aldus Macron. Temeer omdat het niet ‘de bourgeois’ was die de nadelige gevolgen van immigratie ondervond, maar de maatschappelijke onderklasse. In oktober verraste de president vriend en vijand met een over twaalf pagina’s uitgesponnen interview in Valeurs actuelles. Hier uitte hij zijn zorgen over mensen die hun ‘eigen groep’ niet uitkwamen en zich ‘buiten de Franse samenleving hadden geplaatst’, een impliciete verwijzing naar de integratieproblematiek rond bepaalde groepen moslims. Hij gaf aan het uitzetten van ongedocumenteerden te zullen opvoeren en stelde later bij monde van premier Édouard Philippe immigratiequota voor. Philippe sprak van de noodzaak ‘het migratiebeleid terug in de greep te krijgen’ – terwijl Frankrijk al een tamelijk streng toegangsbeleid had. ‘Reprendre contrôle’, zei hij, niet toevallig ook de slogan van het Brexit-kamp.

Het gebrek aan steun voor de gele hesjes vanuit de intellectuele en artistieke wereld in Parijs is misschien wel het grootste probleem

Met veel fanfare bracht Macron een bezoek aan zijn thuisstad Amiens. Officieel om een fabriek te bezoeken, officieus om hem een president van ‘ergens’ te laten lijken (en hem te verlossen van zijn imago van de technocraat die overal thuis is). Het was een evidente tactiek om Les Républicains, de zwaargehavende centrum-rechtse partij, de nek om te draaien en zo aan te sturen op een duel met Le Pen. Dat was spelen met vuur, meende Françoise Fressoz, politiek commentator van Le Monde. Want niet alleen verschafte dit Le Pen legitimiteit als leider van de oppositie; ook dreigde Macrons eigen vooruitstrevendheid dusdanig uitgehold te raken dat die amper nog als dam kon dienen.

Stadscentrum van Béziers, juni 2015 © Mehdi Chebil / Polaris / HH

Het verhaal van de gele hesjes is al vaak verteld. De online-petitie tegen hoge brandstofprijzen van de startende ondernemer Priscillia Ludosky waarmee alles begon. Hoe die werd opgepikt door de lokale krant Le Parisien en vervolgens viraal ging op Facebook. Hoe Ludosky daarop werd gecontacteerd door de vrachtwagenchauffeur Éric Drouet, tevens voorzitter van de tuning-vereniging Muster Crew. Parallel hieraan was er de veelbekeken Facebookvideo van de Bretonse paragnoste Jacline Mouraud. Hierin nam ze Macron de maat over radarcontroles en hoge brandstofprijzen. Uiteindelijk was het Drouet die de naam ‘gele hesjes’ bedacht en de datum van 17 november voorstelde. Wat zou uitgroeien tot de grootste protestbeweging sinds 1968 was daarmee een feit.

Er is vaak gewezen op de mate waarin de gele hesjes de politiek en media verrasten. Maar protesten tegen hoge brandstofprijzen waren al veel langer gaande. Vanaf begin 2018, dus bijna een jaar voor de gele hesjes, waren op tal van plekken in het land ‘groupes de colère’ (woedegroepen) opgericht op Facebook. Hierin uitten burgers hun onvrede over hoge brandstofprijzen, de nieuwe maximumsnelheid op de provinciale weg (van negentig naar tachtig kilometer per uur) en de privatisering van het systeem van radarmetingen. Een van de eerste woedegroepen werd opgericht door een Portugese metselaar uit de Dordogne, Leandro Nogueira. Zijn lokale Facebookgroep Vous En Avez Marre? Et C’est Maintenant (Hebben jullie er genoeg van? En dat is dus nu) had al snel negentigduizend leden. Nogueira zette voor diverse andere departementen vergelijkbare groepen op en in januari en februari kwam het op tal van plaatsen in Frankrijk tot protesten. Maar ze bleven onder de radar van de grote landelijke media en daarmee uit het zicht van ‘Parijs’.

Dat gold eveneens voor Gauvain Sers, die met zijn lied ‘Les oubliés’ (‘De vergetenen’) de verwaarlozing van het platteland aan de kaak stelde. De schoolklas die geen meester heeft; het ziekenhuis dat sluit; de middenstand die het niet kan bolwerken tegen de hypermarché. Het werd miljoenen keren op YouTube bekeken eer nationale radiostations het oppikten. Iets dergelijks gold voor Trois Cafés Gourmands, een band die een enorme YouTube-hit had met ‘A nos souvenirs’, een weemoedig lied over iemand uit de Corrèze die naar Parijs is getrokken. De muziek is vrolijk en dansbaar, maar de tekst herbergt een diepe wanhoop: ‘Het is erger dan een testament/ Voorbij het geheim/ We zijn kleine kinderen/ Van dit mooie stukje Frankrijk/ Laten we onszelf levend begraven/ Gekneveld indien nodig’.

Zoals de hardcore rap uit de jaren negentig de situatie in de banlieues op de kaart zette, zo doen deze liedjes het met de situatie op het platteland. Christophe Guilluy wijst al jaren op de toenemende kloof tussen stad en provincie en de ondermijning van de middenklasse die het gevolg is van de globalisering. De sociaal-geograaf muntte de term La France périphérique, tevens de titel van een in 2014 verschenen boek. Hij onderscheidt een twaalftal stedelijke agglomeraties (Parijs, Lille, Bordeaux, Rennes et cetera) die zijn aangesloten op de globalisering en daar de vruchten van plukken, en de rest van het land dat slechts de gevolgen ervan ondergaat. ‘Daarom zeg ik dat de steden de middeleeuwse forten van de 21ste eeuw zijn’, zegt hij tijdens een gesprek in een Parijs’ café.

Guilluy, die nu algemeen wordt gezien als ‘de voorspeller’ van de gele hesjes, publiceerde onlangs ‘No Society’, een essay waarin hij zijn Franse bevindingen extrapoleert naar de gehele westerse wereld. Hierin hekelt hij de ‘nieuwe bourgeoisie’, de bobo en de hipster die geen enkele band meer hebben met de witte onderklasse. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het gebrek aan steun voor de gele hesjes vanuit de intellectuele en artistieke wereld in Parijs (terwijl die vroeger juist altijd op de hand van het volk was). Guilluy ziet dit gebrek aan culturele representatie als misschien wel het grootste probleem. ‘In Parijse kringen bestond de neiging om de gele hesjes te reduceren tot het antisemitisme en het autoritarisme dat de beweging óók voortbracht’, zegt hij. ‘Maar dat doet geen recht aan de werkelijkheid. Verreweg de meeste hesjes hebben daar niets mee van doen, en behoren tot de verarmde provinciale middenklasse.’

Guilluy heeft het over het ‘perifere Frankrijk’, anderen spreken van de ‘diagonaal van de leegte’. Maar in ieder geval ligt Tonnerre daarin. Twee jaar geleden was ik al eens in het 4500 inwoners tellende stadje in regio Bourgogne-Franche-Comté. Toen ik op de website van een lokaal radiostation zag dat bewoners gele hesjes aangetrokken hadden en zich op de rotonde bij supermarkt Auchan hadden geïnstalleerd, verbaasde dat me niet. Tonnerre is het soort stadje waar je er in Frankrijk honderden van hebt. Een middeleeuws centrum, een kerk, een ziekenhuis en alles wat daar na de stichting van de Derde Republiek in 1870 bijkwam: een sous-prefectuur, een school en een stadhuis.

In en rond de woning van Michel Rendonnet, aan de rand van Tonnerre, ademt alles verval: van de nooit afgemaakte verbouwing en de bergen afwas in de plakkerige keuken tot de manke raaf die over het erf hipt. Rendonnet, blote bast, vale spijkerbroek, was decennialang werkzaam bij elektronicagigant Thompson en leidde de lokale afdeling van de radicaal linkse vakbond Force Ouvrière, een van de machtigste in de regio. Nadat Thompson, verreweg de grootste werkgever in de stad, zijn fabriek in Tonnerre sloot, kwam Rendonnet op de streekbus terecht. Nu leeft hij van een pensioentje. Hij zou zijn huis wel willen verkopen om in de buurt van zijn dochter in Bordeaux te gaan wonen. Maar aan wie? Hij heeft vooral te doen met de jongere generatie. ‘Voor hen is er niets, zij hebben geen andere keus dan wegtrekken.’ Want niet alleen de industrie, ook veel publieke diensten verdwenen. Eerst de sous-prefectuur, daarna de afdeling chirurgie uit het ziekenhuis en eerder dit jaar de gemeentelijke financiële administratie.

Overal in het centrum staan huizen te koop en zijn winkels gesloten. Een kwart van de mensen in Tonnerre zit zonder werk. Rendonnet zegt het liever niet hardop, maar net als veel van zijn vroegere vakbondsmaten stemt hij al jaren op Le Pen. Bij de Europese verkiezingen haalde de Rassemblement National in Tonnerre 30,15 procent van de stemmen op (op grote afstand gevolgd door de partij van Macron met 17,11 procent).

Op het stadhuis, met uitzicht op de piekfijn gerestaureerde Saint-Pierre-kerk, spreek ik burgemeester Dominique Aguilar. Ze werd destijds gekozen op een ticket van de centrum-rechtse partij udi, maar is nu bewust partijloos. ‘Zo’n partij zegt niemand hier iets’, zegt ze. In tijden van populisme is het als lokale politicus beter niet al te nadrukkelijk gelieerd te zijn aan de in zwaar weer verkerende nationale partijen. Aguilar, een leesbril in het blonde haar gestoken, wijst erop dat Tonnerre in twintig jaar tijd meer dan vijftienhonderd inwoners verloor. Ze doet wat ze kan, maar als burgemeester is haar macht beperkt. Veel beslissingen worden op het niveau van de staat of de regio genomen. Het leidt tot veel frustratie, zoals Macron mocht ervaren tijdens een serie debatten die hij door het land organiseerde, onder andere met burgemeesters van kleine gemeenten.

Frankrijk wil door links noch door rechts als een multiculturele samenleving worden gezien

Hoe je te wapenen tegen de delocalisation (verplaatsing) van de industrie (en daarmee van arbeid)? Het is een vraag waarmee Franse politici al jarenlang worstelen. Zijn het de hoge werkgeverslasten die arbeid in Frankrijk extra duur maken? Is de Franse industrie niet hoogwaardig genoeg? Feit is dat in Frankrijk nog slechts tien procent van het bruto nationaal product uit de industrie komt. In Duitsland is dat het dubbele. In plaats van zich krampachtig te richten op het behoud van de metaalindustrie wil de burgemeester liever inzetten op productie die ‘niet verplaatsbaar’ is. Biologische landbouw en druiventeelt bijvoorbeeld. ‘Weet u dat we sinds een paar jaar onze eigen appellation hebben?’ zegt ze. Ook denkt Aguilar dat er met het Canal de Bourgogne voor de deur veel meer toeristen naar het stadje zouden kunnen worden gelokt, vooropgesteld dat er geen droogte is die schepen de doorvaart verhindert, zoals dit jaar gedurende vele maanden het geval was.

Dat vrijhandel en open grenzen een keerzijde hebben is inmiddels geen geheim meer. Enerzijds zette de overheveling van productie naar lagelonenlanden een proces van de-industrialisering in gang. Tegelijk leidde immigratie tot zorgen over het behoud van identiteit. De globalisering van de afgelopen veertig jaar is in het Westen een belangrijke motor van het populisme gebleken, maar in Frankrijk lijkt de impact ervan groter. Het land kent al veertig jaar massawerkloosheid en nergens is het integratiedebat zo verscheurend als hier. De kloven die door de samenleving lopen zijn vaak niet alleen onpeilbaar diep, maar ook onoverbrugbaar. >

De politicoloog Jérôme Fourquet spreekt in dat opzicht van een ‘archipel’. Een gefragmenteerde samenleving waarin cohesie ontbreekt. De Republiek, une et indivisible, maakt geen onderscheid op basis van huidskleur, geloof of cultuur. Dat klinkt mooi, die universaliteit, maar Frankrijk is óók een natie, met een geschiedenis, tradities en allerlei culturele en religieuze eigenaardigheden. En daar wringt het, zeker met de komst van grote groepen moslimimmigranten uit de voormalige koloniën in Noord- en West-Afrika die hun plaats opeisen.

Frankrijk, zo stelt Fourquet, is een multiculturele samenleving die zelf niet als zodanig gezien wil worden. Niet door links, dat maar blijft doen alsof die culturele verschillen er helemaal niet toe doen, en niet door rechts, dat het loze vivre ensemble (samenleven) van links bekritiseert, maar er zelf niet in slaagt duidelijk te maken hoe het eigen ideaal van assimilatie verwezenlijkt kan worden in het tijdperk van het autonome individu. Die onmacht resulteert soms in een karikaturaal soort identiteitspolitiek, zoals het jaarlijkse Varkensfeest in Hayange of de kerststal die burgemeester Robert Ménard in december in het stadhuis van Béziers liet neerzetten. Beide steden gelden als armlastig, gaan gebukt onder hoge werkloosheid en kennen een omvangrijke moslimpopulatie.

Béziers ligt in het departement Hérault, waar piedsnoirs (witte Fransen die in Frans-Algerije zijn geboren) en Arabisch-Algerijnse immigranten door elkaar heen leven. Het was in deze streek dat bij Renaud Camus de overtuiging postvatte dat er zoiets als de Grand Remplacement moest bestaan. Het was ergens eind jaren negentig en in opdracht van de regionale autoriteiten schreef hij een lokale reisgids, vertelde hij me toen ik hem opzocht in het veertiende-eeuwse château dat hij bewoont op een uur rijden van Toulouse. Tijdens zijn research belandde hij in een eeuwenoud Frans stadje. Het was op het heetst van de dag en de straten waren uitgestorven. Bij een gotische fontein ontwaarde hij drie gehoofddoekte vrouwen. Bij moslimmigranten dacht hij aan vale flats en banlieues, niet aan een middeleeuwse fontein. Camus vertelde me zich het moment te herinneren als een enorme schok.

Op het oog is Camus de meest onwaarschijnlijke kandidaat voor de rol van ideoloog van radicaal en extreem rechts. In de jaren zeventig maakte hij in literaire kring naam met de roman Tricks, het verslag van een reeks homoseksu ele contacten in Europa en de Verenigde Staten. Het was de tijd dat hij vriendschap sloot met kunstenaars als Andy Warhol en Robert Rauschenberg. Begin jaren negentig vestigde hij zich in Plieux, in het departement Gers aan de voet van de Pyreneeën, waar hij zich toelegde op de organisatie van literaire bijeenkomsten, muziekfestivals en exposities. Ondertussen bouwde hij aan een omvangrijk en gevarieerd oeuvre met romans, dagboeken, essays.

Camus ziet de Grand Remplacement als onderdeel van een groter project, de Remplacement Global. Alles wat authentiek en geworteld is dient hierbij plaats te maken voor wat nep en vloeibaar is. Resultaat is een soort low cost-samenleving zonder onderscheidende kenmerken, die ten dienste staat van wat Camus de ‘davocratie’ noemt (verwijzend naar de jaarlijkse bijeenkomst van rijken en machtigen in het Zwitserse skioord Davos). Zelf leeft hij ver van deze inauthentieke wereld, maar hij communiceert ermee via een niet-aflatende stroom tweets. Camus’ tweets bevatten allerlei knappe taalvondsten en neologismen. Vaak zijn ze onverholen racistisch. Neem deze: ‘Afrikanen komen naar Europa omdat het leven er beter is dankzij de beschaving. Die houdt op omdat zij er zijn.’ De tweet uit 2015 is opgenomen in een vuistdikke bundeling die hij onlangs deed verschijnen, getiteld Tweets. In eigen beheer. Geen Parijse uitgever waagt zich tegenwoordig nog aan Camus.

Burgemeester Ménard van Béziers, in 2014 gekozen met steun van Front National, drukt Camus juist nadrukkelijk tegen de borst. ‘Een groot schrijver en een groot man’, zegt hij op het stadhuis. Bij zijn aantreden nodigde hij Camus uit om een toeristische gids te schrijven over Béziers en met zoveel woorden spreekt ook Ménard over de Grand Remplacement (‘al doe ik dat liever niet te openlijk, anders heb ik weer een proces aan mijn broek’). Ménard, ooit medeoprichter van Reporters zonder Grenzen, geldt nu als een van de voormannen van radicaal rechts in Frankrijk en haalt doorlopend het nieuws met provocaties en omstreden voorstellen.

Een omstreden besluit om de gemeentelijke politie te bewapenen liet hij gepaard gaan met een postercampagne van een levensgrote afbeelding van een revolver. Toen er sprake was van de komst van veertig asielzoekers liet hij posters drukken met een afbeelding van een gotische kathedraal en een drom jonge niet-westers uitziende mannen, met de tekst: ‘Het is zover, ze komen. Migranten in ons stadscentrum!’ Tegelijk maakte hij veel werk van de restauratie van het verwaarloosde historische centrum en kwam er meer blauw op straat. De bewoners van Béziers die ik spreek dragen Ménard op handen, óók degenen met een migratieachtergrond. Volgens politicoloog Emmanuel Négrier valt Ménard onder het type bestuurders dat les passions tristes aanspreekt: angst, jaloezie en nostalgie. Op de Convention de la Droite zou Ménard keihard uithalen naar de ‘metapolitiek’ van Maréchal en haar clubje radicaal rechtse en conservatieve intellectuelen. Nodig waren mensen zoals hijzelf, die met hun laarzen in de modder stonden.

Gele hesjes-protest in Dinan, Bretagne, december 2018 © Martin Bertrand / De Beeldunie

Het geworstel met de globalisering is onderdeel van wat le malheur français is komen te heten, het Franse ongerief. De wortels van de vertrouwenscrisis bij de Franse burger reiken diep. Tijdens de naoorlogse periode, de zogeheten Trente Glorieuses (1945-1975), was er nog niet veel aan de hand. Frankrijk vertrouwde op zijn centralistische en staatsgeleide economische model. Het schonk de wereld de Citroën DS, de Concorde, de tgv en hoogwaardige kerncentrales. Het was pas later dat de problemen begonnen, ergens begin jaren tachtig. Hoe diende Frankrijk zich te positioneren in de globalisering die nu pas echt goed op stoom kwam en waarin het Angelsaksische neoliberalisme leidend was? Dit is het thema van een hele stroom boeken met woorden als ‘déclin’ of ‘malheur’ in de titel.

Wat als zich rond de presidentsverkiezingen van 2022 een nieuwe migratiecrisis aandient, of een serie aanslagen?

Volgens de historicus Marcel Gauchet is een deel van het probleem dat bange Franse politici de bevolking consequent een valse werkelijkheid hebben voorgespiegeld. ‘Ze stelden dat er niets hoefde te veranderen, dat Frankrijk zijn etatistische zelf kon blijven’, zegt hij op zijn kantoor bij uitgeverij Gallimard, waar hij het tijdschrift Le débat leidt. Nadat het koloniale rijk was opgegeven was de gedachte dat de Fransen dan toch invloedrijk konden zijn binnen Europa. Maar door de almaar verder uitdijende Europese Unie kwam daar uiteindelijk weinig van terecht. Na de Tweede Wereldoorlog was Parijs uitgegroeid tot de onbetwiste culturele en intellectuele hoofdstad van Europa. Maar de vanzelfsprekendheid waarmee Frankrijk ooit zijn culturele, intellectuele en morele normen aan de wereld oplegde is totaal verdwenen. Internationaal is het Franse geluid slechts één stem te midden van vele.

In de wijdere wereld is Europa niet langer maatgevend en je zou kunnen beargumenteren dat het ongemak, de onrust en de onzekerheid die daarmee gepaard gaan veel verklaren over de opkomst van het Europese nationaal-populisme. In Frankrijk wordt dit ongemak verreweg het sterkst ervaren. Volgens Gauchet, een van Frankrijks meest prominente intellectuelen, komt dat doordat het land zich sinds Lodewijk XIV steeds in termen van hegemonie heeft gedefinieerd. ‘Frankrijk veranderen? De rest van de wereld moet maar veranderen!’ Frankrijk is een ex-grootmacht die dankzij het atoomwapen en zijn zetel in de Veiligheidsraad de schone schijn kan ophouden. ‘Maar ondertussen lijkt de neergang van Frankrijk in de wereld niet te keren. Dat gaat gepaard met gevoelens van onmacht, ja, van aan defaitisme grenzende verlamming.’

De verkiezing van Macron bracht een zeker optimisme terug. Maar in de euforie van het moment leken zijn adviseurs vergeten dat meer dan vijftig procent van de kiezers tijdens de eerste ronde op antisysteempartijen had gestemd, op Le Pen en Mélenchon, kandidaten die zeiden ‘de tafel omver te willen gooien’. Opinieonderzoek na opinieonderzoek laat zien hoe weinig vertrouwen de Fransen hebben in de toekomst, in hun leiders, en in elkaar. Slechts twintig procent ziet de toekomst met vertrouwen tegemoet, het allerlaagst van de oeso-landen. Zeventig procent denkt dat de positie van Frankrijk de komende jaren zal verslechteren. Driekwart van de Fransen vindt politici ‘over het algemeen gecorrumpeerd’.

Het is een context waarin het geloof in de Grand Remplacement een hoge vlucht genomen heeft. Aanvankelijk was Camus’ complottheorie vooral populair binnen extreem en radicaal rechtse kringen, maar ze drong afgelopen jaren snel door tot de mainstream. Volgens onderzoek dat peilingbureau Ifop liet uitvoeren denkt 48 procent van de Fransen dat immigratie een door elites georganiseerd project is met als doel de ene beschaving door de andere te vervangen. Ook buiten Frankrijk won de term de afgelopen jaren snel aan populariteit. Een artikel in The New Yorker wees op de invloed van Camus op de Amerikaanse white supremacist movement.

Op 19 maart 2019 doodde Brenton Tarrant bij een aanslag op twee moskeeën in het Nieuw-Zeelandse Christchurch 51 mensen. Vlak voordat hij tot zijn daad overging zette hij een pamflet online getiteld The Great Replacement. Later die zomer, op 3 augustus, kwamen in het Texaanse grensstadje El Paso 22 mensen om bij een aanslag. Ook hier refereerde de dader aan de complottheorie van Camus. Camus zelf wijst gebruik van geweld af en heeft de aanslagen veroordeeld. Tegelijk aarzelt hij niet om niet-westerse immigranten als ‘kolonisten’ en ‘bezetters’ te benoemen en roept hij op tot ‘verzet’. Ook deinst hij niet terug voor een-op-een vergelijkingen met de Duitse bezetting. Desgevraagd noemt hij de contemporaine Franse elite ‘nog erger dan Vichy’. Het regime van maarschalk Pétain, zo redeneert hij, paste zich aan de Duitse bezetting aan, maar entameerde deze niet. Heel anders dus dan de successievelijke regeringen die actief migranten naar Frankrijk haalden. De Duitse bezetting was van tijdelijke aard, maar het is lastig te zien hoe de migranten die de afgelopen veertig jaar het land binnenkwamen gemakkelijk zullen teruggaan. Zodoende spreekt Camus van de ‘Kleine Collaboratie’ (Vichy) en de ‘Grote Collaboratie’.

De wortels van het Europese populisme

Wat jaagt het populisme aan? Voor zijn reportageserie ‘De wortels van het Europese populisme’ over de onderstroom van het nationaal-populisme reist Marijn Kruk door Europa. Eerder bezocht hij Groot-Brittannië en Oostenrijk. De volgende bestemming is Hongarije.

Het kasteel dat Camus in Plieux bewoont heeft meer weg van een grimmig fort dan van een château. Het kijkt uit over een golvend akkerlandschap met de voor de streek typerende roestbruine aarde: het ‘eeuwige Frankrijk’. Op heldere dagen zijn in de verte de contouren van de Pyreneeën zichtbaar. Bij de houten poort, aan de voet van een massieve toren, klingel ik aan de bel. Na een minuut of vijf zwaait de poort open en verschijnt een heer met een gesoigneerde witte baard en diepblauwe, monsterende ogen. Camus leidt me een stenen wenteltrap op, vervolgens lopen we door vertrekken vol boeken en moderne kunst tot we een ruimte betreden met massieve houten balken in het plafond. Op de grond liggen twee Afghaanse kleden. Een langgerekte boekenkast bevat talloze delen van de beroemde Pléiade-reeks en een grote verzameling kunstboeken. Ruime nissen, met daarin ramen die uitkijken op de omgeving, zijn getransformeerd tot zitjes. Camus wijst me een plaats toe en verdwijnt weer.

Het was in de Hérault dat Camus zich ervan bewust werd dat er zoiets moest zijn als de Grand Remplacement. Maar het duurde tot 2010 eer hij de term publiekelijk gebruikte. Dat was tijdens een toespraak in het stadje Lunel, eveneens in de Hérault. Enkele jaren later zou Lunel bekend worden als ‘jihadistenhoofdstad’ van Frankrijk, dit vanwege het opvallend hoge aantal jongens dat hiervandaan naar Syrië zou reizen. ‘Quelle ironie!’ zegt Camus als hij terug is met een zilveren dienblad en twee kopjes koffie. Hij lacht, een hoge zenuwachtige lach die hij tijdens mijn bezoek nog vaker zal laten klinken.

Statistieken tonen dat het percentage migranten al jaren constant is, maar daar heeft Camus geen boodschap aan. ‘Demografen zijn wat de alchemisten in de Middeleeuwen waren’, zegt hij. ‘De Grand Remplacement is een gebeurtenis zoals de Honderdjarige Oorlog dat was. Of de Grote Depressie. Dat is niet aan wetenschappers om uit te maken.’ Ook de nuance dat het overgrote deel van de niet-westerse Fransen uitstekend is geïntegreerd lijkt niet aan hem besteed. Camus zegt bovenal het verdwijnen van ‘het vreemde’ in de wereld te betreuren. ‘Het absurdste verwijt dat men mij maakt is dat ik een xenofoob zou zijn, ik adoreer het vreemde, hou ervan in landen te zijn die me vreemd zijn. Ik houd van soefi-muziek, van islamitische filosofen, van Arabische dichters.’ Problematisch wordt het pas wanneer het vreemde niet op zijn plek blijft.

Een kernbegrip in Camus’ denkwereld is het woord ‘hinder’. Dat kan van alles zijn: in de metro je schoenen op de bank leggen, hangen voor de ingang van een flat, mensen lastigvallen, een gewapende beroving, islamitisch geïnspireerde terreur. Bij Camus is dat een rechte lijn. Hij noemt die hinder de ‘sterke arm van de verovering’, een term die hem een veroordeling opleverde wegens haatzaaien. ‘De rechters denken dat ik bedoelde dat alle moslims misdadigers zijn’, zegt Camus. ‘Maar dat is absurd!’ Zijn blik verhardt. ‘Ik doel op de manier waarop immigranten de gewortelde Fransen wegpesten. Op de etnische zuivering die er op bepaalde plaatsen in Frankrijk plaatsvindt.’ Witte vlucht rond de grote steden is een feit. Maar de suggestie dat hier sprake is van een vooropgezet plan toont toch vooral Camus’ verwrongen geest.

Tegelijk sluit het beeld dat hij oproept nauw aan bij de opnieuw uitgebrachte roman Le camp des saints van Jean Raspail uit 1974, over een invasie van een miljoen arme en barbaarse Indiërs. Of bij bestsellers als Le suicide français van Éric Zemmour (over decadente elites die Frankrijk tot de rand van de afgrond zouden hebben gebracht) en Soumission van Michel Houellebecq (over een machtsovername door de Moslimbroederschap). Stuk voor stuk alarmistische boeken die weer aansluiten bij bestaande beelden over immigratie en de banlieue, als zou daar een verkapte burgeroorlog plaatsvinden. Dat idee wordt gevoed door verontrustende rapporten over islamisering en de toenemende invloed van salafisten in bepaalde wijken rond Parijs en filmpjes van vechtpartijen en botsingen met de politie die gretig worden gedeeld door radicaal rechtse sites en accounts.

Dit alles speelt Marine Le Pen in de kaart. Haar handicaps zijn niet gering. Ze heeft de reputatie autoritair, bruusk en onaangenaam te zijn en een meerderheid van de Fransen vindt haar een gevaar voor de economie en een bedreiging voor de maatschappelijke orde. In normale tijden zou ze geen kans maken, schreef Alain Duhamel, de nestor van de Franse politieke journalistiek. ‘Maar het zíjn geen normale tijden.’ Duhamel wees op permanente dreiging van islamitisch geïnspireerde terreur, op de gele hesjes, de pensioenstakers en op bij vlagen hysterische polemieken zoals die over de hoofddoek. Dat toont bij uitstek de ‘diepe ontevredenheid’ en het ‘strijdbare ressentiment’ die het huidige Frankrijk kenmerken. Het land is ‘ontevreden, ongeduldig en intolerant’, in één woord: ‘ongelukkig’.

Wat als zich rond de presidentsverkiezingen van 2022 een nieuwe migratiecrisis aandient, of een serie aanslagen, of als de wonden van het huidige sociale conflict over de pensioenhervorming dan nog niet zijn geheeld? Duhamel is er niet gerust op. In dat geval zou ‘alles kunnen gebeuren’.


Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (fondsbjp.nl)