De verklikker verklikt

Hoofdommentaar


‘Dat verraden van andere mensen, daar verzet ik me tegen. Na de oorlog wisten we er nog raad mee. Als je iemand had verlinkt, dan werd je kaalgeschoren.’ Die woorden sprak Ljibe Hoeksma, secretaris van het Platform Uitkeringsgerechtigden Friesland, toen zijn organisatie vorig jaar voor de zoveelste keer protest aantekende tegen het openen van een kliklijn, ditmaal tegen voetbalvandalisme. Het initiatief voor de kliklijn ging uit van Binnenlandse Zaken; de bedenker was de minister zelve, Abraham Peper.


Reeds als burgemeester had hij het klikken op de Maasoevers ruimhartig bevorderd en in zijn ministerstijd heeft hij zich ingezet voor een bredere verspreiding van dit nationale erfgoed, dat sinds 1940 in een kwade reuk is komen te staan. Niet in de laatste plaats dankzij Peper kun je nu klikken over misbruik van sociale voorzieningen, belastingfraude, straatgeweld, te lang rijdende vrachtwagen- en taxichauffeurs, oneigenlijk gebruik van huurwoningen, de illegale in- en verkoop van vuurwerk en illegale kopieën van muziek en spelletjes. Aangeven is een volkssport geworden.


De woorden van Hoeksma (althans woorden van gelijke strekking) lagen diezelfde minister Peper de laatste maanden in de mond bestorven. Of hij schuldig is aan fraude en misbruik van gemeenschapsgelden moet de toekomst uitwijzen. Het rapport van de Rotterdamse raadscommissie wordt vrijdag openbaar gemaakt. Maar zijn voortijdig aftreden wettigt de vraag in hoeverre hij het slachtoffer is van een bestuursklimaat dat hij zelf in de hand heeft gewerkt. Want dat zijn moeilijkheden zijn begonnen met ordinaire verklikkerij staat wel vast.


Zoals bekend werden de eerste beschuldigingen anoniem in het Algemeen Dagblad afgedrukt. ‘Schandalig’, oordeelde Peper in een eerste opwelling. In interviews en in de Kamer gaf hij openlijk lucht aan zijn woede. Hij had geen bezwaar tegen het feit dat men zijn gangen naging, zo benadrukte hij, maar wel tegen de manier waarop dat gebeurde. Hij heeft er kennelijk nooit bij stilgestaan dat de Rotterdamse gemeentelijke sociale dienst al jaren op dezelfde manier opereerde.


Uitgerekend in Rotterdam is gebleken dat tips via kliklijnen bijna nooit kloppen omdat ze worden ingegeven door rancune, burenruzies en loze verdenkingen. Het gevolg is dat uitkeringsgerechtigden worden onderworpen aan beschamende onderzoeken terwijl zij zich niet, gelijk Peper, kunnen verdedigen in interviews en met hulp van advocaten en friends in high places onder wie de minister-president. Het gaat zeker niet te ver om hier van klassenjustitie te spreken.


Nadien zijn de beschuldigingen in het AD en elders bevestigd door getuigen met naam en toenaam, maar die openlijke getuigenissen werden pas mogelijk door de anonieme beschuldigingen die voorafgingen én door het feit dat die eerste anonimi geen represailles ondervonden. Zo gaat het namelijk meestal met zogenaamde ‘klokkenluiders’, oftewel ambtenaren die uit de school klappen. Ze worden door hun collega’s of superieuren berispt, overgeplaatst of weggewerkt in de WAO. Ze worden hoe dan ook outcasts in hun eigen organisatie. In sommige gevallen zijn represailles terecht omdat de betrokkene handelt uit rancune of gewinzucht, maar in veruit de meeste gevallen zijn klokkenluiders consciëntieuze lieden die het algemeen belang vooropstellen.


Het is wel zeer ironisch dat Peper tegen die vorm van burgermoed juist krachtig bezwaar maakte. Als het aan hem lag, zou een hedendaagse Multatuli zonder pardon in de gevangenis verdwijnen vanwege zijn publieke aanklacht tegen de regent van Lebak. In zijn nota Vertrouwen in verantwoordelijkheid (1999) bood Peper de Nederlandse klokkenluiders geen enkel perspectief. Als ambtenaren misstanden ontdekken, moeten ze volgens Peper de zaak aanhangig maken bij hun superieuren en vervolgens zwijgen, ongeacht de uitkomst, ook al gaat het om grove schendingen van de regels, misleiding van justitie of gevaren voor de openbare veiligheid en de volksgezondheid. ‘Vanaf dat moment is de organisatie verantwoordelijk voor de gesignaleerde problematiek’, schrijft de (gewezen) minister, alsof het geweten van de individuele ambtenaar daardoor vanzelfsprekend werd ontlast.


Het is onnodig en overdreven om Peper een slachtoffer van zijn eigen kromme moraal te noemen. Maar hij is het aan zijn intellectuele stand verplicht om de vraag te beantwoorden of hij — na alles wat hem de laatste maanden is overkomen — nog wel gelooft in zijn eigen bestuurskundige visie. Wat is dat voor samenleving waarin burgers elkaar anoniem mogen aangeven, maar ambtenaren hun meerderen niet aan de schandpaal mogen nagelen, ook niet als hun interne aangifte ten onrechte in een la is verdwenen en zelfs niet als het gaat om ernstige misdragingen van meerderen die het algemeen belang schaden?


Gelukkig is de praktijk weerbarstiger gebleken dan de richtlijnen van de bestuurder Peper. Over dat verschil kan de intellectueel Peper straks in alle rust nadenken.


AART BROUWER